Er is iets vreemds aan de hand in onze samenleving.
Juist in kringen waar veel gesproken wordt over openheid, ontwikkeling en vooruitgang, kan ongemerkt een gesloten wereld ontstaan.
Dat is geen beschuldiging aan ieder individu. Het gaat om een patroon. Een bestuurlijke en culturele laag van hoogopgeleiden, beleidsmakers, professionals, bestuurders en opiniemakers vindt elkaar gemakkelijk in dezelfde taal, dezelfde opleidingen, dezelfde netwerken en dezelfde morele vanzelfsprekendheden.
Daarbinnen ontstaat al snel het gevoel dat men niet alleen veel weet, maar ook het best kan bepalen wat goed is voor de samenleving.
En juist daar begint het te wringen.
Want dan gaat macht verder dan posities en functies. Dan ontstaat ook toe-eigening. Toe-eigening van taal. Toe-eigening van moraal. Toe-eigening van het recht om te bepalen wat redelijk, humaan en vooruitstrevend heet.
Men spreekt over inclusie, maar bepaalt zelf de voorwaarden. Men spreekt over gelijkwaardigheid, maar erkent onvoldoende dat ook mensen zonder de juiste diploma’s kennis en werkelijkheidszin meebrengen. Men spreekt over emancipatie, maar blijft soms blind voor hoe praktisch opgeleiden zich cultureel en moreel op afstand gezet voelen.
Dat gebeurt zelden openlijk. Het zit in toon, omgangsvormen, beleidsjargon en in de stille veronderstelling dat abstracte kennis hoger staat dan ervaring, vakmanschap en nabijheid tot het gewone leven.
Zo ontstaat een nieuwe rangorde. Niet officieel, maar wel voelbaar.
Alsof de theoretisch opgeleide mens dichter bij de waarheid staat dan degene die dagelijks merkt wat werkt, wat stukloopt en wat alleen op papier klopt.
De Franse filosoof Mehdi Belhaj Kacem helpt om dit scherper te zien. Hij wijst op een cultuur die steeds meer naar zich toe trekt: kennis, macht, techniek en betekenis. Niet alleen bezit wordt toegeëigend, maar ook de norm zelf.
Iain McGilchrist biedt een andere taal voor hetzelfde probleem. Een samenleving raakt uit balans wanneer abstractie, controle en modellering het winnen van levende ervaring, context en relatie. Dan regeert niet meer de werkelijkheid, maar het schema ervan. De kaart wordt belangrijker dan het landschap.
Dat is precies wat veel mensen intuïtief voelen. Niet dat zij tegen ontwikkeling zijn. Maar wel dat hun manier van weten, werken en leven steeds minder serieus wordt genomen. Alsof hun kennis pas meetelt wanneer die vertaald wordt in de taal van beleid, onderzoek of bestuur.
Daarom voelen veel praktisch opgeleiden zich ook steeds minder thuis bij partijen en bewegingen die zichzelf progressief noemen. Niet omdat zij geen rechtvaardigheid zouden willen, maar omdat zij voelen dat de taal van gelijkwaardigheid soms gebruikt wordt door mensen die intussen zelf de maatstaf in handen houden.
Dan verstilt het gesprek. De taal die bedoeld was om ruimte te maken, begint zelf de ruimte te vullen.
Dat patroon zit niet alleen bij bestuurders of hoogopgeleiden. Het zit in ieder mens die te zeker wordt van zijn eigen gelijk. Zodra wij denken dat onze taal samenvalt met de waarheid, wordt luisteren moeilijker.
Misschien is dat wel de kern van het probleem: niet dat er verschil is tussen hoofdwerk en handwerk, tussen theorie en praktijk, maar dat één vorm van kennis zich heeft verheven tot norm.
Een gezonde samenleving vraagt iets anders: wederzijds respect tussen denken en doen, tussen overzicht en ervaring, tussen beleid en praktijk, tussen hoofd, hart en handen.
Zodra een elite zich niet alleen de macht toe-eigent, maar ook de maatstaf, begint de vervreemding.
Misschien begint herstel daar waar bestuur opnieuw leert luisteren. Niet alleen naar cijfers, modellen en experts, maar ook naar mensen die de samenleving niet van een afstand beschouwen, maar haar elke dag dragen.


Geef een reactie