In deel 1 van dit tweeluik https://boeddhistischdagblad.nl/achtergronden/967416-gandhi-een-geweten-van-de-wereld-en-voor-ons-eigen-leven-deel-1/ keken we naar interreligieuze dialoog in het algemeen, en naar de levensgeschiedenis van de Mahatma waaruit al heel wat gedrag verklaarbaar is. Nu kijken we dieper naar de lessen die hij voor ons nalaat qua religie en staatsmanschap.
Gandhi’s religie
Je zou kunnen zeggen dat Mohandas Gandhi, door zijn eigen levensweg met vallen en opstaan, een zeer praktische invulling van het Hindoeïsme gevonden heeft en in zekere zin ‘gesticht’. Maar net zo min als wereldse macht begeerde hij spirituele invloed, dus het is zeker geen nieuwe spirituele school. Je zou kunnen zeggen dat de vakbond-achtige maatschappelijke bewegingen die hij stichtte voordat hij zijn tijd vooral aan landelijk activisme besteedde, en die ook de ashrams bezitten, zijn erfenis vormen; en sommigen functioneren nog steeds, bijvoorbeeld weverijen. Als ik probeer zijn nalatenschap samen te vatten dan kom ik op punten als
- Alle mensen hebben een gelijk potentieel en dien je dus als gelijke te behandelen. Hun status qua geboortereligie en -kaste is mogelijk een hulp qua richting in het leven, doch niet meer dan dat.
- Zij geboren en woonachtig in India dienen hun geboortereligie te houden; en er is plaats voor iedereen binnen het hindoeïsme. Het kastensysteem dient alleen als hulp voor jezelf, het mag nooit gebruikt worden om anderen (lagere kasten en niet-hindoes) te discrimineren of als groepsdwang. Dus geen door geboorte bepaald übermensch/untermensch doctrine, wat het kastensysteem in zijn kern vaak is, in Gandhi’s ogen.
Dit zal mede gebaseerd zijn op Gandhi’s eigen ‘excommunicatie’ uit de subkaste toen hij, met zegen van zijn familie, in VK ging studeren. Onaanraakbaren noemde hij Harijans (kinderen van God); in zijn ashrams waren op papier allen welkom, ongeacht de kaste of religie. Gandhi had ook zeker invloed op de na zijn dood afgeronde grondwet (hoofdauteur: Ambedkar, die komen we nog tegen), waar elke discriminatie op basis van kaste verboden is. - Eén worden met God/Brahman kan alleen als je begeerte weet te minimaliseren, en focust op een simpel en tevreden leven; van hieruit was Gandhi, avant-la-lettre, al tegen over-industrialisatie en uitputten van natuurlijke hulpbronnen. “The world provides enough for everyone’s need, not for everyone’s greed” is een tijdloos advies.
- Religie en staat dienen gescheiden te zijn; een staatsman werkt voor alle inwoners van India, ongeacht Hindoe/Moslim/christen/boeddhist etc. Maar let wel, dit schuurt enigszins met Gandhi’s filosofie dat Indiërs niet zouden moeten overstappen vanuit Hindoeïsme naar andere religies (vooral vanwege de onaanraakbaarheid).
- Een spiritueel persoon is geweldloos, naar medemensen én alle dieren toe. Dus zhij leeft vegetarisch en liefst veganistisch. Gandhi was dan ook fel tegen dierenoffers die tevens onderdeel zijn van het Hindoeïsme (soms zelfs door Hindoes die voor het overige veganistisch leven).
In zijn opinies en acties zie je soms tegenstrijdigheden, deels verklaarbaar als voortschrijdend inzicht in de 45 jaar dat hij sociaal-activistisch experimenteerde. Wat wil je ook met een autobiografie getiteld ‘Mijn experimenten met de Waarheid’. Je ziet ook een grenzeloze maar deels naïeve positiviteit, ‘ik gooi nu mijn gedrag om en mijn vrienden gaan dat allemaal ook gelijk doen op straffe van gecanceld worden’. Hij had een strenger-dan-calvinistische obsessieve interpretatie van regels, o.a. qua voeding en celibaat nadat zijn laatste kind geboren was; het lijkt op iets van ‘zondigheid’ maar in het hindoeïsme heb je andere motivaties en disciplines dan in ons domineeslandje. Het klinkt in ieder geval voor een westerling, ook al streeft die naar eenvoud, als een erg moeilijk te volgen en zelfs onaantrekkelijk pad. In onze boeddhistische termen is het een schoolvoorbeeld van zelfkwelling, één der twee extremen waar Gautama na lange ervaring tegen adviseerde waarna hij het middenweg-pad naar Verlichting vond.
Het heetste hangijzer in Gandhi’s leer is geweldloosheid, een mogelijke vertaling van satyagraha (‘vasthouden aan de waarheid’). Gandhi zelf beschreef hem in de context van de ideale stakingsdeelnemer: geweldloos als iemand je aanvalt/arresteert, beleefd blijven ook naar tegenstanders en ‘verraders’ (stakingsbrekers), zorgen dat je ergens inkomsten hebt desnoods door tijdelijk ander werk, onbeperkt staken totdat het doel bereikt is.
Maar in bijvoorbeeld de zoutprotesten riep Gandhi zijn volgers op om expliciet wegen te blokkeren en, burgerlijk-ongehoorzaam, zelf zout te winnen buiten het Britse monopolie om. Niet geheel conform de adviezen over stakingen hierboven. Het lijkt sterk op de hedendaagse discussies; is een XR-actievoerder die zich vastketent aan een bedrijfs-toegangsdeur, of bewust een verkeersroute of spoorlijn blokkeert, wel geweldloos of is ‘geweldsarm’ een betere term? En is een hongerstaking een valide poging om hen die om je geven tot andere gedachten te dwingen zodat jij blijft leven? Wanneer wel (bijvoorbeeld om geweld tegen de Britten of tussen moslims en hindoes te stoppen)? En wanneer niet (als een bepaald minder essentieel wetsvoorstel in het parlement je niet aanstaat)?
Ik zou in ieder geval de vergelijking willen trekken met een leugen-om-bestwil; wie op deze manier middels ongehoorzaamheids-geweld actie voert dient echt goede ‘bestwil’ argumenten te hebben, zo niet dan is hun claim van ahimsa/geweldloosheid pure hypocrisie. Of met andere woorden: als je alleen opdrachten rond jouw werk of belastingplicht weigert, en de consequenties draagt, dan durf ik dat wel ahimsa te noemen. Maar als je ook andermans bewegingsvrijheid hindert, zoals stakingsbrekers het werk onmogelijk maken of die verkeersblokkades of gebouwenbezettingen: dat is m.i. maximaal de term ‘geweldsarm’ waard.
De rol als staatsman
Als idealist pur sang was het niet meer dan logisch dat deze zelfde idealen de basis vormden voor zijn werk, initieel als (sociaal) advocaat en meer en meer als activist. Eerst onder de voorloper van Apartheid in Zuid-Afrika, daarna onder een vergelijkbaar discriminatoir Brits regime in India. In Afrika werkte hij voor alle ‘Indiërs’ (lokaal kleurlingen genoemd). Een paar van de principes rond sociale verantwoordelijkheid en economie die ik, mogelijk gekleurd vanuit mijn geëngageerd-boeddhistisch gedachtengoed, uit zijn denken extraheer zijn:
- Wie voor de wet gelijk is, dient ook gelijk behandeld te worden. Veel van zijn rechtszaken en later satyagraha-acties gingen over ‘verborgen’ discriminatie en Engels racisme.
- Het hele koloniale denken, waar Indiërs tweederangsburgers in eigen land waren (mede mogelijk gemaakt door hun meewerken aan Engelse verdeel-en-heers politiek), stuitte hem natuurlijk tegen de borst. Maar hij handelde echt op de langere termijn; in WW1, toen zijn Indiase sociale bewegingen nog in de kinderschoenen stonden, moedigde hij zijn mede-Commonwealth-burgers in de VK aan om hem te volgen. Hij zag in dat het Britse leger ook namens hem de wereldorde bewaakte, en werd hospik in een ambulance unit in de Franse loopgraven na eerder eenzelfde te hebben gedaan voor het Engelse leger in de ZA ‘Boerenoorlog’.
- Als ideaal voor een onafhankelijk India zag hij ‘positieve anarchie’: mensen zouden spontaan voor alle anderen zorgen en geen strakke regering nodig hebben. Hij wist dat dit vanuit de toenmalige situatie bruggen te ver was, en ondersteunde daarom democratie als een tussenstap. Met de achterliggende concepten, zoals dat de meerderheid ook verantwoordelijkheid en respect voor de minderheid heeft. In zekere zin waren Vrijheid en Rechtvaardigheid zijn kerndoelen, en was hij een echte staatsman in plaats van een snel-gewin-populist. De doelen liggen niet zo ver van de Franse idealen van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap (die later ook door Ambedkar ondersteund zouden worden, doch met behoorlijk andere conclusies over het te volgen pad.)
- Gandhi trok politiek zelfbestuur door naar de economie: ook in alle consumenten- en industriegoederen was zelfvoorzienendheid gewenst. Dus geen onderdanigheid naar buitenlandse leveranciers (vooral niet voormalige koloniale heersers), en binnenlands een vrij sterke regeringscontrole zodat eigendom van productiemiddelen sociaal georiënteerd was – geen roofkapitalisme. Hij was ook opvallend goed in duurzaamheid avant-la-lettre; advies was zo min mogelijk buiten de eigen regio en buiten het seizoen te consumeren.
- Hij geloofde evenmin in extreem kapitalisme als in door Marx geïnspireerde bewegingen, de eerlijke verdeling moest niet worden opgelegd maar van onderaf komen. En vertalend naar de belangen van werkgevers en werknemers wilde hij een lange-termijn relatie waar lasten en lusten eerlijk verdeeld worden, en de winstgevendheid (ook voor de aandeelhouders, dat indirect ook de werknemers zelf kunnen zijn) binnen redelijke grenzen optimaal is. Dus vertaald naar het heden: Vakbonden die een eerlijk deel voor de werknemers willen, en niet bijvoorbeeld alles-naar-ZZP-duwen: prima. Een maximale ratio tussen laagste salarissen en directie-bonus: prima. Aansturen op coöperatieve structuren waar dat kan, inplaats van de harde eigenaar/werknemer tegenstelling en vooral geen buitenlandse eigenaar: perfect. Je ziet in zijn denken het Georgisme, via Tolstoy, terug: land dient in collectief bezit te zijn, en via pakweg erfpacht te worden beheerd door particulieren en bedrijven.
- Deze vakbondsrol kon echter doorschieten, al was dat ver na Ghandi’s dood. In de jaren ’80-’90 was er de aanpak van Indiase vakbonden die maximaal 1 PC per bankfiliaal toestonden ‘omdat er anders jobs zouden verdwijnen’. Dat noem ik beschamende collectieve harakiri op het langetermijnbelang van hun eigen bedrijf en van de klanten.
- Voor producten en diensten waar de privésector door concurrentie betere kwaliteit kan bieden dan een overheids-monopolie: privatiseren is best. Maar wel met regulering van die kwaliteit (door een overheidsorgaan), en in bredere zin regulering van wat er ‘collectief’ gedeeld wordt als lasten en lusten en wat individueel.
- In deze regels zie je een basisgevolg van naastenliefde doorsijpelen: niet zozeer ‘Ikke ikke (en mijn familie) en daarbuiten kan iedereen stikken’ maar ‘Wij mensen op deze planeet dienen voor elkaar (en de planeet) te zorgen’.
Fricties rondom de politiek
Activisme was de drijvende kracht die hem duidelijker zijn religieuze en ethische principes deed formuleren, dus je kunt het niet wegdenken. Maar je kunt wel constateren dat naarmate dat activisme grotere schaal nodig had, tot aan de Indiase onafhankelijkheid toe, de kans op onzuiverheden en ‘onmogelijke keuzen’ toenam. Misschien zijn persoonlijke ethische principes gewoon bedoeld om toe te passen in je 1-op-1 contacten met medemensen, en niet goed opschaalbaar naar zoiets complex als de politieke richting van een natie waar je vaak meerdere dingen over één kam moet scheren? Sommige door Gandhi gemaakte keuzen zijn minstens krasjes op zijn blazoen, en vormden ook de inspiratie voor Gandhi’s tegenstanders en uiteindelijk ook zijn extreem-hindoeïstische moordenaar.
Niet alleen stelde hij ‘zij geboren en woonachtig in India dienen hun geboortereligie te houden’, maar hij had ook broederliefde voor Indiërs ongeacht hun religie. De vriendschappen en wederzijds respect met o.a. Moslims, Sikhs en Jains ontstonden al in zijn advocatentijd, en verdiepten zich toen hij alle Indiërs opriep tot vreedzaam protest tegen de Britse koloniale heersers. Het kwelde hem dan ook tot het bot dat rond de onafhankelijkheid de wegen van de Moslims en Hindoes zich scheidden; zie de nog steeds pijn doende scenes in de excellente biografische film met Ben Kingsley. Ook na dat moment bleef hij Pakistani als broeder zien; zijn lobby naar de Nehru-regering om dat ook te doen irriteerde extreem-conservatieve Hindoes nogal, en één van hen vond het in 1948 een aanleiding tot de moordaanslag.
Hier werd hij dus beschuldigd van te veel pro-moslim zijn. Maar de uitdagende haalbaarheid van zijn kiezen-voor-de-middenweg blijkt uit een ander discussieterrein: het kastensysteem. Zoals gezegd gold dat niet binnen Gandhi’s ashrams en uiteindelijk ook in de nieuwe Indiase grondwet, maar de realiteit daarbuiten was (en is) beduidend weerbarstiger. Initieel was de oplossing een ‘quota’ stelsel met positieve discriminatie voor onaanraakbaren; ondanks fel verzet van Gandhi werd dit in 1932 door het regionale parlement ingevoerd, en het bestaat nog steeds. Voor velen was dat uiteindelijk niet genoeg; miljoenen onaanraakbaren kozen daarom voor bekering tot christendom, Islam en in 1956 ook het boeddhisme. Hiermee hoopten ze als volwaardig Indiaas burger te worden behandeld in plaats van het ‘untermensch’ idee dat lage kasten vaak ten deel valt. Met andere woorden: ze geloofden gewoon niet dat Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap mogelijk waren binnen de muren van het Hindoeïsme, i.t.t. Gandhi.
Gandhi was er fel op tegen, omdat hij vond dat Hindoeïsme geen kastendiscriminatie zou moeten hebben. En dat leverde hem de beschuldiging op niet teveel pro-moslim maar juist anti-moslim (en antichristen en anti-boeddhist) te zijn. Hij ontwikkelde dan ook een behoorlijke rivaliteit met de gepland-ex-Hindoe-leiders, zoals Dr. Ambedkar (de 1e minister van justitie en auteur van de grondwet) die later de bekering naar boeddhisme zou leiden; rivaliteit die zich ook doorzette in alle lobbybewegingen, en Gandhi’s hongerstakingen als de regering plannen had die hem niet aanstonden.
Wie het gelijk aan diens kant had en heeft, de ‘achterblijvers’ die binnen het Hindoeïsme door hervorming volwaardig burger wilden worden of de overstappers, is hier geen relevante vraag. Wel kan ik melden dat de bekeerlingen naar christendom, Islam en (vooral) boeddhisme het wetenschappelijk gelijk aan hun zijde lijken te hebben: gemiddeld zijn ze welvarender, en beter in o.a. vrouwen-welzijn, dan onaanraakbaren die Hindoe gebleven zijn.
Ik benoem de onaanraakbaarheidsdimensie omdat deze fricties Gandhi’s laatste jaren veel ongelukkiger maakten dan je zou verwachten. En omdat ze nog steeds doorwerken; een jaar of 10 terug verhuurde de Sevagram-ashram een kantoortje aan een sociaal project van boeddhistische vrienden van me, maar toen de ashram er na maanden achter kwam tot welke ‘zuil’ het project behoorde werd de huur subiet opgezegd. En andersom kan ik bij mijn boeddhistische vrienden en studenten aldaar maar beter niet over Gandhi en zijn positieve aspecten spreken, voor hen was en is hij een duivel die tolereerde dat ze untermensch zouden blijven. De verzuiling leidde en leidt nog steeds tot diepe verdeeldheid; enkele jaren terug bezocht ik bijvoorbeeld een groot Indiaas huis in Maharashtra. De 2 benedenverdiepingen hoorden bij de familietak die onaanraakbaar Hindoe gebleven was, de 2 bovenste bij een tak die al 50 jaar boeddhist was. En mijn bezoek was de eerste keer in 10+ jaren dat die twee takken in één kamer zaten en enigszins met elkaar praatten…
Inspiratie van Gandhi voor ons wereldburgers in het hier en nu
De Mahatma (‘grote persoonlijkheid’, een eretitel die hij vanaf rond 1915 kreeg) was zelf een man met een ijzersterk rechtvaardigheidsgevoel en geweten. En begon daarmee voor zijn eigen levenspad, maar gaandeweg werd hij ook een geweten vol wijsheid voor een natie-in-opbouw en zelfs de hele wereld. Om een paar van zijn richtlijnen samen te vatten:
- De idealen zijn Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap – ook de fundamenten van een aantal revoluties in de 18e en 19e eeuw in de Westerse wereld.
- Denk aan de lange termijn, niet alleen de korte termijn.
- Denk op het niveau van mensheid als je broeders/zusters, niet op het niveau van een kleinere wij-tegen-zij groep.
- Ahimsa, Bezitloosheid en Brahmacarya (celibaat) zijn de hoogste idealen. Op praktisch niveau echter vertaalt zich dat naar meer-dichterbij (en minder hoog gegrepen) idealen:
– Geweldloosheid (ook qua eetpatroon) maar desnoods gewelds-armheid
– Nederigheid i.p.v. totale bezitloosheid voor de gemiddelde burger, hoewel ashrams/woongroepen voor een kleine groep zeker de ideale leefstijl kunnen zijn. ‘Small is beautiful’, consuminderen i.p.v. consumeren. Gandhi was milieubewust avant-la-lettre!
– Brahmacarya in ieder geval in de zin van geen bovenmatige nadruk op seksualiteit en trouw aan je wederzijdse beloften, ‘voor sommigen’ kan dat richting celibaat gaan. - Dat is keurig in lijn met het thema van de reeks zomerlezingen waarvoor dit praatje geschreven is. Matigheid en zelfbeheersing passen bij Bezitloosheid/Nederigheid. Moed past bij bewuste geweldloosheid in een omgeving die geweld normaal vindt. En Wijsheid is de kern achter dit alles…
Ga er maar aanstaan ook anno 2026, zou ik ons allen adviseren…


Geef een reactie