Vroeger, zo’n twintig, vijfentwintig jaar terug was het heel eenvoudig te zien in het Nederlandse straatbeeld wie er met Azië bezig was en wie niet. Mensen die in India waren geweest droegen typerende sjaaltjes en kralenkettingen waarvan je al snel wist: ‘Ah! Azië’. De kenmerkende Kathmandu kleding viel ook direct op door de bijbehorende kleurigheid.

Trouwens nog net iets eerder, echt in de jaren’ 70 was het al helemaal eenvoudig. In die tijd was het gedachtegoed van de Bhagwan, die zich later Osho zou gaan noemen, zeer populair. Zijn volgelingen droegen de oranje kleding die in India bij asceten en Sadhu’s thuishoort en ook droegen ze een kenmerkende mala om de hals met daaraan het portret van de grote goeroe zelf. Wat was de wereld eenvoudig, je kon het zo zien… het meest karakteristiek waren natuurlijk de aanhangers van ISKCON, de Hare Krishna’s. Ze droegen oranje, roze of wit en lieten ook behoorlijk van zich horen.

Tegenwoordig is het gedachtegoed van Azië veel sterker doorgedrongen tot in het geaccepteerde alledaagse leven. Op terrasjes valt het woord ‘mindfulness’, gewoon als vanzelfsprekend tussen allerlei andere gesprekken door. Bovendien is de reiscultuur, en de daarbij behorende confrontatie met andere culturen veel gewoner geworden. In de ogen van sommigen is daarmee het exclusieve enigszins verdwenen, anderzijds kunnen nu veel meer mensen kennisnemen van het gedachtegoed van andere culturen en zien of en hoe ze dit integreren in hun eigen bestaan.

Kleding gekookt in safraanwater

Maar hoe zit het met de herkenbaarheid? Aan iemand die yoga beoefent is doorgaans niet te veel zichtbaar van deze bezigheid. Toegegeven, iemand die het op de juiste wijze beoefent zal er steeds gezonder uit gaan zien, althans dat mag men hopen. Als we echter denken aan de vele beoefenaars van de boeddhistische dharma, de getallen lopen nogal uiteen, maar het zijn er nogal wat, welk beeld komt ons dan voor ogen?

In Azië is direct duidelijk wie er precies boeddhist is en wie niet, althans onder de professioneel religieuzen, hetgeen wil zeggen de monniken en de nonnen. Zij dragen de kenmerkende kleding zoals die door de regels van de sangha worden voorgeschreven. De volgelingen van de Boeddha, de bhikkhu’s en de bhikkhuni’s, droegen kleding die was weggegooid, vaak ging het om lijkwaden of andere kledingstukken die achterbleven na een crematie. Deze kleding werd gekookt in saffraanwater of in water dat was vermengd met kasaya leem. Dit verklaart de typerende roodachtige of geelachtige kleur van de pijen. De haren werden afgeschoren hetgeen ook een teken was van rouw, van dood.

De Boeddha bereikte zijn verlichting uiteindelijk in Bodh Gaya nadat hij allereerst een gave van kwark of yoghurt had aangenomen van het herdersmeisje Sujata. Hij verbrak daarmee zijn periode van zware ascese. Vervolgens wisselde hij zijn kleding met de lijkwade van een dienares van Sujata die net was overleden. Gekleed in dit doodsgewaad ging hij zitten onder de Bodhi boom en kwam hij na 49 dagen tot zijn ultieme inzicht. De periode van 49 dagen is eveneens cruciaal in deze, volgens heel wat Aziaten duurt het 49 dagen voor een persoon opnieuw incarneert na de dood, al delen lang niet allen deze overtuiging. Bij de ene mens komen er dan nog de negen maanden van de zwangerschap bij. Het aantal van de zogenaamde ‘pinda’ balletjes (ze heten gewoon zo, het heeft niets met pinda nootjes te maken), balletjes die aan de voorouders worden gegeven is ook 49.

Al met al is dus op te merken dat deze strikte, beperkte groep van volgelingen van de dharma een heel andere groepering was dan de mensen die in het alledaagse leven stonden. Het waren levende doden, die ook geen ambachten mochten uitoefenen, geen geld mochten aanraken, geen vaste woon- of verblijfplaats mochten hebben en moesten eten wat hen werd aangeboden, of het nu bedorven was of niet. Er is het licht opruiende relaas van een monnik die verlicht raakte toen hij van een leproos een bedelgave aannam in zijn bedelnap en er per ongeluk een stukje van de vinger van de donateur in de bedelnap viel. Zo’n schokkende ervaring moet wel tot verlichting leiden…

Lekenboeddhist moeilijk herkenbaar

De lekenaanhangers van de dharma in Azië waren naar alle waarschijnlijkheid een stuk moeilijker als boeddhisten herkenbaar. In hun uiterlijk was doorgaans weinig op te merken, ze zagen eruit als alle gewone mensen in de samenleving. Kastenkenmerken, zoals de manier waarop de kleding werd gedragen, andere specifiek hiërarchie gebonden tekenen, gelukbrengende tilaka’s op het voorhoofd, amuletten of symbolen dat men een bepaalde pelgrimage had volbracht et cetera zijn waarschijnlijk veel belangrijker geweest in deze. Mogelijk was het ook zeer gebruikelijk dat men gewoon het heiligdom ter plekke als het hoogste beschouwde of dat men gewoon doneerde aan de eerste de beste heilige persoon die men tegenkwam, of dit nu een boeddhistische bedelmonnik was, een jain of een hindoe heilige. Een lekenboeddhist was aldus moeilijk herkenbaar als boeddhist. Dat is in feite in onze moderne samenleving ook zo. Enige jaren terug waren de kleine mala’s van het Chinese boeddhisme zeer populair als modeverschijnsel, maar iemand die zo’n kleine kralenketting om de pols droeg voelde zich mogelijk absoluut geen boeddhist, het was gewoon mode.

Boeddhisten in het Westen

Een groot verschil tussen het boeddhisme van Azië en dat van het Westen zit erin dat in Azië de monniken en nonnen de kern vormen van de professionele dharma beoefenaars. In het westen vormen leken de kern van de sangha. Dit heeft zelfs consequenties voor wat de term sangha precies gaat aanduiden. In Azië gebruik je deze term alleen maar voor de monniken en de nonnen. De leken benoem je in Azië niet als leden van de sangha. In het Westen is er sprake van de ‘sangha van die en die’, de ‘sangha van Sogyal’ bijvoorbeeld. De sangha bestaat in het Westen doorgaans uit leken die beoefenen, leken die mediteren en dat zie je niet zomaar aan de buitenkant, ze zien er zelfs niet altijd rustig uit zoals je zou verwachten.

Monniken en nonnen in Azië zijn levende doden, wat zij doen heeft te maken met dingen die na de dood spelen, ze voeren vaak dodenrituelen uit, ze zijn bezig met het bereiken van diepe wijsheid en mededogen, zaken die hen tot de ervaring van nirvana moeten brengen. Ze geven positief karma door aan overleden voorouders, wijden Boeddha beelden in, ook vaak als ‘monumenten’ om overledenen te gedenken, maar het zijn altijd zaken die met de dood te maken hebben en wat daarna komt, daarom zien ze er ook uit als ‘levende doden’. In Azië dragen de leken gewone kleding, zij zijn bezig met levensbevestigende zaken, geluk in het alledaagse leven. Zij hoeven er niet uit te zien als levende doden.

En toch doen er zich soms rare paradoxen voor in de boeddhistische wereld in het Westen. Westerse boeddhisten zijn vrijwel zonder uitzondering leken, ze zouden dus bezig moeten zijn met levensbevestigende zaken zoals geluk en stressreductie, zaken die het leven draaglijk maken, zelfs tot aards geluk kunnen leiden in de vorm van geestelijke stabiliteit. Er zijn wel wat ‘echte’ westerse monniken en nonnen, maar dat zijn zeker vergeleken met Azië echt uitzonderingen.

Kaalhoofdige lekenbeoefenaars

Waarom dan toch die behoefte bij sommige moderne boeddhisten om hun haar af te scheren, wijnrode kleding te dragen terwijl ze lekenbeoefenaars zijn? Ik merk in Azië geregeld dat Aziatische boeddhisten dat niet echt begrijpen: vrouwen die hun mooie haar afscheren terwijl ze getrouwd zijn… Mannen die in pijen lopen terwijl ze de hand van hun vrouw of vriendin vasthouden. Natuurlijk zijn er de verhalen van de grote tantrische meesters die dit soort praktijken onderhielden, maar dat is wellicht een beetje hoog gegrepen voor de westerse beginneling op het pad van de dharma. Hilarisch zijn soms de reacties als vrouwen in mannenpijen lopen (het is ook niet altijd makkelijk te zien welk kledingstuk bij welk geslacht thuishoort en vrouwenpijen in grote maten zijn er soms eenvoudigweg niet!).

Mensen moeten doen wat hen gelukkig maakt, het is al helemaal mooi als dat niet te veel ten koste van andere levende wezens gaat. Als westerse beoefenaars hun haar af willen scheren, pijen willen dragen of uitsluitend wijnrood, by all means, doen! Maar voor Aziaten is het soms een beetje vreemd. Het zou voor ons toch ook wat raar zijn als er een groep Koreaanse christenen naar Nederland zou komen en die zou geheel en al gekleed gaan in katholieke zwarte togen compleet met priesterboord? Is er iets mis met deze veelheid aan uiterlijke verschijnselen binnen het westers boeddhisme? Beslist niet, het maakt het geheel tot de bonte verzameling die de neo-boeddhistische wereld tegenwoordig is. Maar het valt wel op!

Dit artikel werd eerder, op 13 juli 2015 juni 2012, in het BD geplaatst.

Categorieën: Achtergronden, Boeddhisme
Tags: , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

1 reactie op Kale hoofden en rare gewaden? Over de herkenbaarheid van het boeddhisme in het straatbeeld

  1. Dolma schreef:

    persoonlijk in brussel zie ik en ervaar ik ferm, dat we gehinderd worden doord e islamiten. Die denken dat alles van hen is en hen is. Onze monnikken worden een vrouw opgedrongen en vrouwen worden aangebeld(zelfs naamplaatjes deur afgetrokken) om hun zin te hebben en ze noemen ons putte. Moesten we korte haren hebben, dan was het nog erger. Ik kleed me bordeau en heb de gebedskralen maar dat zien ze niet. Erg ja!Niemand helpt ons.

Menu