Ik struikel over mijn eigen voeten of over mijn wandelstok. Ik laat dingen uit mijn handen vallen. Mijn vingers blijven haken achter kledingstukken, lichaamsdelen, huidplooien, voorwerpen. Bij het haarwassen prik ik regelmatig met een vinger in mijn oog en als ik mijn gezicht was in een neusgat.
levenskunst
De dementie van alledag, 3. Ik ben vergeetachtig
Eigennamen, soortnamen, plaatsnamen – ik kan ze bijna niet onthouden. Heel wat mensen heten bij mij dinges, hoe-heet-ie en hoe-heet-ze (het geslacht weet ik meestal nog), heel wat dingen heten ding en dingetje (het formaat weet ik meestal nog), heel wat planten weet-me-nietje en die-met-die-blauwe-bloemetjes (de kleur weet ik meestal nog), heel wat plaatsen die-kant-op of waar-we-altijd-op-vakantie-gingen.
De dementie van alledag, 2. We zijn allemaal al dement
Van jongst af aan is ons verstand geneigd tot verstrooidheid, vergeetachtigheid, wispelturigheid, eenzijdigheid, ambivalentie, drogredeneringen, confabulatie, egocentrisme, zelfbegoocheling, zelfvergetelheid en zelfoverschatting. Als je denkt dat ik overdrijf moet je jezelf maar eens een poosje in de gaten houden, schrik niet.
De dementie van alledag, 1. Ik plas nog steeds in bed
Zoiets heb ik ongeveer eens per maand en altijd vraag ik me af of ik er later op terug zal kijken als het begin van mijn seniliteit. Direct daarop de vraag: ben ik ooit helemaal bij de tijd geweest?
De wastafeltest voor dementie
Laatste van vier zelftests.
De sandaaltest voor dementie
Derde van vier zelftests.
De telefoontest voor dementie
Tweede van vier zelftests.
De koelkasttest voor dementie
Eerste van vier zelftests.
De schrale troost van de eeuwigheid
Alles is vergankelijk.
Leven de doden werkelijk voort in onze gedachten?
Hoe ik mezelf troost.
Dooddoeners bij het overlijden van mijn ouders
‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
Help, mijn ouders zijn dement! 3. De betovering van de eensluidendheid
Mij maakte het niet uit dat mijn vader geen idee had wie hij was, of wie ik was – of eigenlijk het ene idee na het andere. Was ik zijn kind, dan was ik zijn kind. Was ik een zin later zijn jongste broer dan was ik zijn jongste broer. Was ik een zin later zijn collega dan was ik zijn collega. Was ik een zin later zijn vriend dan was ik zijn vriend. Allemaal goed.

