Het kan niet anders of zijn ouders horen hoe allerlei gevoelens hem de adem benemen en hem de strot dichtknijpen. Hij is ongelooflijk blij dat opa hem moet hebben gevoeld en gehoord, zoals Aya haar vader voelde en hoorde in haar slaap. Maar hij is ook boos op zijn grootvader, omdat hij hem heeft verraden aan zijn ouders, door zijn naam te noemen. Hij voelt een intens verdriet opkomen om wat er staat te gebeuren.
Menno – het zwaard van Manjoesri
“Je leest te veel ridderverhalen.” lacht mevrouw Musegaas. Ze zoekt in een dik boek naar een tekening van Manjoesri. Ze laat Menno een blauw-witte tekening zien van een man op een woeste leeuw. Om de nek van de man hangt een rij tijgertanden aan een snoer. Het vlammende zwaard lijkt in de ogen van Menno meer op een knots dan op Excalibur of het Zingende zwaard.
Menno – uitgetreden
Met een lichte schok realiseert Menno zich dat hij uit zijn lichaam is gestapt, en om zich ervan te overtuigen dat hij niet dood is, werpt hij een blik op zijn lichaam dat als een standbeeld in het gras naast zijn fiets zit. Intuïtief voelt hij aan dat hij onmiddellijk in de zittende figuur terug kan keren, als hij dat wil. Maar nu nog niet. Nu wil hij op bezoek bij opa.
Menno – sterven (1)
Menno denkt na. Uiteraard heeft zijn broer gelijk, zoals altijd. Honden en katten gaan dood, net als vogels, koeien en paarden. Alles wat leeft, gaat vroeg of laat een keer dood. En alles wat niet leeft, gaat op den duur stuk. Het is alleen niet eerlijk dat opa juist nu doodgaat. Hij wil het niet.
Menno – Bhima
(Zeist) Mevrouw Musegaas reikt Menno de trommel met Mariakaakjes aan, terwijl zij de vraag herhaalt die hij haar zojuist heeft gesteld: “Wat zijn dat, NSB’ers?
Dharmapelgrim – Wakker liggen?
Ik vermoed dat vrede op aarde een illusie is, wanneer dat aan de mens ligt. Er zijn volgens mij twee wegen naar vrede: de eerste is het uitsterven van de mens als soort. Als dat ooit gebeurt, waarschijnlijk door eigen toedoen, houdt intermenselijk geweld door gebrek aan mensen gewoon op. De tweede weg is: vrede vinden in jezelf vinden. Dat houdt in dat je met de hand op je hart kunt zeggen: “Het kan zijn dat er mensen zijn die mij vijandig gezind zijn, maar ik ben niemands vijand, wil dat niet zijn en zal ook geen acties ondernemen die erop zijn gericht zijn iemand te beschadigen, laat staan te doden”.
Menno – guna-guna
(Zeist) Menno komt graag en vaak bij mevrouw Musegaas en zij vindt het fijn om hem verhalen te vertellen over het Nederlands–Indië van vóór de oorlog, over de Jappenkampen en over guna–guna, de stille kracht.
Dharmapelgrim – Gij zult niet doden?
Wanneer ik blijf beweren dat ik onder geen enkele omstandigheid een ander mens zal doden, misken ik de realiteit. Ik hoop dat het nooit zover zal komen, en ik zal er bovendien alles aan doen om te voorkomen dat het ooit zover kan komen. Wanneer bij dat ‘alles doen’ hoort dat ik ervoor zorg dat ik mijn naasten kan verdedigen … dan doe ik dat.
Menno – geen idee
Pa wrijft even over zijn kin, schraapt zijn keel en verkondigt plechtig: “God is door mensen bedacht zodat ze hun ellende een plaats konden geven. Er zit nergens een mannetje met een lange witte baard op een wolk deze wereld te bestieren.”
Gij zult niet doden?
Wanneer ik blijf beweren dat ik onder geen enkele omstandigheid een ander mens zal doden, misken ik de realiteit. Ik hoop dat het nooit zover zal komen, en ik zal er bovendien alles aan doen om te voorkomen dat het ooit zover kan komen. Wanneer bij dat ‘alles doen’ hoort dat ik ervoor zorg dat ik mijn naasten kan verdedigen … dan doe ik dat.
Menno – monsters
“Als je een monster ziet, een draak of vreselijk gedrocht, dan moet je hem recht tussen de ogen kijken.” Pappa wijst op het punt tussen zijn eigen wenkbrauwen. “Dus niet IN de ogen kijken, dat moet je nooit doen… nee, recht ertussenin. Daar worden monsters erg onzeker van…Blijf vooral kijken en zeg: ‘voor jou ben ik niet bang. Hoe kan iemand voor jou nou bang worden? Je stelt helemaal niets voor. Echt niet…”
Menno – St. Adelbert
“Deze hostie is een ouweltje dat tijdens de eucharistie verandert in het lichaam van Christus. Ik geef het aan jou,” legt de broeder uit, maar op het moment dat Menno de hostie wil pakken, trekt de broeder zijn hand terug. “Het lichaam van Christus pak je niet.” Hij spreekt de woorden uit met een tederheid die Menno niet kent. “Je krijgt het…, als je je hand en je hart openhoudt.”



