Hoe doodeenvoudig
verscheen vandaag de lente:
een zachtblauwe lucht.
Issa (1763-1827)
Het was op 3 mei dat ik deze haiku las. De dag vóór 4 en 5 mei.
Mei is een drukke maand: 1 mei Dag van de Arbeid, 4 en 5 mei dus Dodenherdenking en Bevrijdingsdag, 14 mei Hemelvaartsdag, 24 en 25 mei Pinksteren. En, o ja, Moederdag op zondag 10 mei. Daarnaast en tussendoor nog verjaardagen en schoolvakanties. Het overspoelde me een beetje.
Dat geldt niet alleen voor de dagen in mei. Het is altijd, elke dag opnieuw, druk. Er komen heel veel invloeden van buiten op ons af. Via de televisie en sociale media, en door contacten met allerlei mensen met hun verschillende meningen.
En vergeet niet dat we zelf ook over van alles een mening moeten hebben. Dus dat betekent het nieuws volgen, inlezen, met anderen praten over actuele onderwerpen. Dat zit allemaal in ons hoofd. Daar wordt een mens moe van.
Ik ook, tot ik deze haiku las van Issa, in de vertaling van J. van Tooren. Zo eenvoudig, zo rustig.
Want dat is waar het over gaat in haiku’s. Wat je ziet als je alle ruis weglaat. Als je opkijkt van je volle agenda, je boodschappenlijstjes en je planning voor de komende weken.
Dan is er opeens Kobayashi Issa. Met zijn scherpe observaties van mensen en gebeurtenissen. Beide benen weer op de grond. Een rustpunt in het dagelijkse leven.
Gewoon even goed kijken en zien dat de lucht zachtblauw is. Niet hardblauw, niet bewolkt, maar heel simpel zachtblauw. Het is lente. Wat er ook gebeurt in iemands hoofd of in de wereld, het wordt altijd weer lente. En de lucht wordt altijd weer blauw.


jim zegt
Dank je Renske, mooie titel!
Ryokan schreef anders ook gedichten die mij raken maar vaak niet aan de strenge versregels van een haiku voldoen, in de vertalingen van John Stevens in ieder geval, viel mij dat op. Herkenbaar?
Waarom zou je je ook laten inperken bij het schrijven van poëzie dacht ik? Japanners lijken wel extreem te hechten aan het beheersen van esthetiek, het in de vorm dwingen. Deden Chinezen dat niet ook met voeten? Daarom gruw ik ook zo van perfect ingeperkte zen tuinen. Ze zijn onnatuurlijk rigide.
Maar de gebalanceerde verhoudingen in de architectuur, de perfectie en het vernuft van houtverbindingen spreken zoiets dan weer tegen. Overal zie, of voel ik, de gulden snede, het streven naar balans gekoppeld aan perfectionisme en kunde. Contrast.
Is het dwaas om van dat lettergreep fundamentalisme -in de beperking herkent men de meester- af te wijken van wat het spreekwoord zegt? Het vasthouden aan een rigide (vers)vorm kan net zo goed tot verstarring lijden. Laat onverlet, Ik heb niets tegen dood hout en soms komt er echt iets tot leven. De boktor met zijn weergaloze verschijning is mijn getuige. Spontaniteit, voelsprieten, tekens, en telkens boren.. Bij een kalligrafie, associatief:
Dartel dwarrelen de letters van het papier
Vuurvliegen bij maanlicht
Inkt en water
voor altijd
later
Nog altijd hier
Speelt een rol
Een verzamelaar en Ryo kan weer eten
Niets anders dan lege magen vullen
Ook die van hongerige geesten met pretenties
Waar houdt het op
Stromen zijn bedrog
Dat dacht je maar dan nog
Alles heeft een onderkant
Een stilstand
De leegte lekt
Implosie
Opnieuw
Tranen lachen en sterven
Hoe lang nog
Kunstwerken te verwerven
Geen hoogstandje
Ook het bier is geduldig
Renske zegt
Dank je Jim, voor je verhelderende tekst en de poëzie.
Het leuke van de (strenge) 17-lettergrepen regel is dat die stamt uit de tijd van Bashō en daarvoor. Toen de haiku bekend werd in het Westen werd daar van afgeweken. En die stroming kwam weer terug naar Japan, waar jonge haiku-dichters ook gingen experimenteren met lossere vormen.
Een belangrijk argument voor het loslaten van de strenge regels in het Westen is natuurlijk ook dat wij altijd te maken hebben met vertalingen. Rigide vasthouden aan de Japanse regels kan tot gevolg hebben dat het taalgebruik geforceerd klinkt.