Anke: Is de dood voor jou een realiteit of een concept?
Hans: Zelfstandig naamwoord, tweeslachtig, vier letters: d o o d – dat is een concept, kan niet missen. Realiteit is ook een concept. Jou is ook een concept. Concept is ook een concept.
Concepten zijn ook realiteit. Maar wat is realiteit? De realiteit is een illusie, zeggen ze. Of is dat ook een illusie? Of is illusie ook een concept?
Anke: Ik bedoel, zal jij naar jouw mening gewoon sterven? Denk jij dat je geboren bent? Ben jij alles, iets of niets? Iedereen, jezelf of niemand?
Hans: Dat ik geboren ben is een gedachte. Dat ik ongeboren ben is een gedachte. Dat ik zal sterven is een gedachte. Dat ik onsterfelijk ben is een gedachte. Dat ik iets of iemand ben is een gedachte. Dat ik alles of iedereen ben is een gedachte. Dat ik niets of niemand ben is een gedachte.
Dat het allemaal gedachten zijn is een gedachte. Dat het een gedachte is dat het allemaal gedachten zijn is een gedachte. Gedachten zijn (in dit geval) reeksen van woorden. Het verband met de werkelijkheid is vaak ver te zoeken. Ook al omdat werkelijkheid zelf een woord is, net als verband.
Anke: Naar mijn idee heb je een lichaam maar ben je het niet. Je lichaam is vergankelijk, wat het belichaamt niet.
Hans: Dat je je lichaam bent is een gedachte. Dat je je lichaam hebt is een gedachte. Dat je lichaam iets belichaamt is een gedachte. Dat je lichaam zal vergaan is een gedachte. Dat het belichaamde blijft bestaan is een gedachte.
Zowat iedere gedachte over de dood, en over wat dan ook, hoe onwaarschijnlijk ook, wordt wel door iemand aangehangen, die zich daarvoor beroept op naar zijn mening onweerlegbare waarnemingen, ervaringen, verklaringen, redeneringen, openbaringen, overleveringen of, als laatste redmiddel, zelfevidentie. Elk concept, hoe vergezocht ook, wordt wel door iemand voor object of subject aangezien. Persoonlijk heb ik geen idee welke gedachten over de dood waar zijn, als er ware bij zijn. Ik weet het niet, ik hoef het niet te weten.
Anke: Je kan ermee leven.
Hans: Vanzelf. Als je sterft aan je kennis is leven geen kunst.
Anke: Uiteindelijk ga je er wel aan dood.
Hans: Als je sterft aan je kennis is doodgaan geen kunst.
Anke: Jij hebt er vrede mee, hoe je ook gaat?
Hans: Vrede, of vrede met mijn onvrede, of vrede met mijn onvrede over mijn onvrede, dus dat zit wel goed.
Anke: Jij rust in vrede.
Hans: In vrede rust ik, in onvrede rust ik.
Anke: Altijd rust, niet altijd vrede.
Hans: Vrede heb ik met mijn rust, vrede heb ik met mijn onrust.
Anke: Altijd vrede, niet altijd rust.
Hans: En ik ben nog niet eens overleden.
Anke: Mazzelaar.
Hans: Zalig zijn de armen van geest.

