‘Geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kan, Hans.’
‘Hebberd.’
‘Laat ik het dan zo zeggen, geluk is de kunst een bloem te plukken waar je bij kan.’
‘Niet voor de bloem.’
‘Oké, geluk is een bloem, punt.’
‘Bloemen verwelken, schepen vergaan.’
‘Wat is geluk voor jou?’
‘Niet weten.’
‘Wat niet weten?’
‘Wat geluk is, bijvoorbeeld.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een bloem waar je niet bij kan.’
‘Hoe pluk je een bloem waar je niet bij kan?’
‘Door hem te laten staan.’

