‘Ik mag er zijn! Jij mag er zijn! Alles mag er zijn! Iedereen mag er zijn!’
Hans: ‘Hè? Van wie?’
‘Iedereen krijgt bij zijn geboorte een vrijkaart voor het leven.’
‘Behalve de misgeboortes zeker.’
‘Leven is een onvervreemdbaar recht zodra en zolang je leeft.’
‘Voor sommigen blijkt het een vervreemdbaar recht.’
‘Dat doet aan het recht niet af.’
‘Wie of wat verleent dat recht?’
‘Er is een instantie groter dan jij en ik…’
‘Ken jij die instantie?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Omdat hij groter is dan jij en ik.’
‘Hij of zij?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoeveel groter?’
‘Weet ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik zijn of haar grenzen niet ken.’
‘Ken je zijn of haar inhoud?’
‘Ook niet.’
‘Ben je absoluut zeker van zijn of haar bestaan?’
‘Eerlijk gezegd niet.’
‘Wat weet je eigenlijk wel van die instantie?’
‘Eigenlijk niets.’
‘Volgens mij zeg je maar wat.’
‘Dat is te zeggen…’
‘Nou?’
‘Eigenlijk wel.’
‘Ach, wie niet.’
‘Ik doe alleen maar alsof.’
‘Alsof wat?’
‘Alsof ik het allemaal wel doorheb.’
‘Maakt niet uit.’
‘Ik schaam me dood.’
‘Mag dat er soms niet zijn?’
‘Daar zeg je wat.’
‘Nee hè.’
‘Ook dat mag er zijn…’
‘Daar gaan we weer.’
‘Ik mag er zijn! Jij mag er zijn! Alles mag er zijn! Iedereen mag er zijn!’

