Al heel wat zomers ben ik vrijwilliger-gids in de Utrechtse Janskerk, gebouwd in de 11e eeuw. In de Middeleeuwen was het de kerk van een kapittel, een groep geestelijken in dienst van de bisschop van Utrecht. Vanaf 1580 is het een Protestantse kerk.
De kerk trekt elke zomer zo’n vijfduizend bezoekers. Een derde wordt gevormd door toeristen van over de hele wereld, een derde zijn Utrechters, en een derde komt uit de rest van Nederland. De Monumentendag, op de tweede zaterdag in september, sluit het seizoen af.
Deze zomer was de kerk gesloten vanwege een verbouwing. Begin september was die afgerond en zo konden we toch ook dit jaar op Monumentendag open. Ons gidsenteam verwelkomde die zaterdag ruim 1750 bezoekers.
Dat was flink meer dan in vorige jaren. Uit de gesprekken maakten we op dat aandacht in kranten voor de verbouwing van de kerk daar een belangrijke reden voor was. Men wilde zien hoe de kerk veranderd was.
Want wat was er gebeurd? De Protestantse Theologische Universiteit (PThU) concentreert haar activiteiten in Utrecht en gebruikt de Janskerk vanaf dit nieuwe academisch jaar als opleidingsruimte. Dus is in het schip een afgesloten collegezaal gebouwd met daar bovenop een open studiezaal. Verder zijn er drie kleine vergaderkamers gekomen en is een zijkapel ingericht als ruimte voor proefpreken. De dwarsbeuken en het koor zijn ongemoeid gelaten, net als de fraaie kapittelkamer met goudbehang.
In VZ gaat het doorgaans over zingeving en macht. Een kerkgebouw is een plek van zingeving waar tegelijk ook machtsprocessen spelen. Dat geldt ook voor de omgang met een monumentale kerk. Bestuurders, gebruikers en bezoekers hebben daar zo hun ideeën over. Door de hoge ruimtes van de kerk waart daardoor een onzichtbare wolk met een diversiteit aan betekenissen. Die wolk werd op Monumentendag zichtbaar door de commentaren van bezoekers. Ik hoorde drie soorten reacties.
De eerste was ronduit positief: ‘Goed dat zo’n kerk een passende functie krijgt. Beter dan een supermarkt.’ ‘Mooi gedaan. De architect heeft gezorgd voor een stijlvolle verbouwing.’ ‘Fijn dat de kerk voor een lange periode verhuurd is. Zo is het onderhoud van de kerk gegarandeerd.’ ‘Ach, in de 16e eeuw hebben ze het Romaanse koor Gotisch gemaakt en verlengd. Dat was een veel grotere ingreep.’
Iets terughoudender waren de tweede soort reacties: ‘Het had natuurlijk niet gemoeten, raar dat Monumentenzorg dit heeft toegestaan. Maar nu het toch gebeurd is, hebben ze het wel mooi gedaan gelukkig’. ‘Jammer dat het nodig was, financieel en zo, maar het valt me mee wat het geworden is’.
Blijft over de derde categorie, afwijzend: ‘Verschrikkelijk. Vroeger als je binnenkwam, zag je meteen de gezichtslijn van voor tot achter, en de combinatie van Romaans en Gotisch. Nu loop je tegen een trap aan naar die studiezaal. Foei!’. ‘Vloeken in de kerk’. ‘Arme studenten die in de winter in die studiezaal moeten werken. Hoe wordt die enorme ruimte warm? Lijkt me nogal kostbaar.’
Mensen zijn uitbundige betekenisgevers, dat blijkt. Ik ben er ook één. Ik beken me tot de derde soort reacties. Tegelijk vind ik het gidsen erg leuk om te doen. Ik bereid me er dus mentaal op voor dat ik volgend jaar niet alleen de highlights van de eeuwenoude kerk zal laten zien, maar heel loyaal ook de moderne ingreep in de ruimte, gepleegd door de PThU.
Ik kan dan uitleggen dat de kerk van het kapittel van Sint Jan weer ten dienste staat van de geestelijkheid, maar dan in Protestantse vorm.


Geef een reactie