We leven in een wereld die antwoorden wil. Antwoorden zijn oplossingen voor onze problemen. We voelen ons omringd door informatie en kennis. Deze vullen onze boekenkasten, onderzoekspapers, naslagwerken, bibliotheken en de online wereld. De beste antwoorden sturen ons weer naar nieuwe vragen. Ze zorgen ervoor dat we nieuwe onderzoekspaden inslaan en helpen ons elkaar iets beter te begrijpen. Een wereld die geen antwoorden zou zoeken en die antwoorden niet goed zou benutten, zou armoedig zijn. Op zichzelf is er niets mis met antwoorden. Maar het is ook een wereld waarin vaak naar antwoorden wordt gezocht zonder voldoende aandacht voor de vragen. We haasten ons naar oplossingen en conclusies en vergeten dat het de vragen zijn die de koers uitzetten. Ze sturen onze energie en bepalen de agenda. Zo zien we een belangrijke bron over het hoofd die ons leven kracht en richting kan geven. Vragen zijn een alledaagse vorm van macht die we in principe allemaal kunnen leren gebruiken. Maar in een overwegend antwoordgerichte wereld wordt die macht niet genoeg gewaardeerd en niet voldoende ontwikkeld (bladzijde 251).
De vraagvraag
Lani Watson is verbonden aan de Universiteit van Oxford en is gespecialiseerd in vragen. Jarenlang heeft ze onderzoek gedaan naar het effect van vragen en de vragende levenshouding en ze is overtuigd van de heilzame werking. Dit heeft geresulteerd in een stevig boekwerk, dat onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen bij Uitgeverij ten Have. Ze wil de lezer graag overhalen om zich deze vragende levenshouding eigen te maken, maar hoopt natuurlijk wel dat hij of zij ermee wacht totdat hij of zij het boek uit heeft. Of dit is gelukt is natuurlijk nog maar de vraag.
In negen hoofdstukken behandelt Watson alles wat zij over vragen heeft geleerd. Als filosoof begint ze natuurlijk met de vraag naar wat een vraag eigenlijk is, zij noemt dit de vraagvraag. Op bladzijde 34 noemt zij een paar enquêtes in het Engelse taalgebied over deze vraag, waaruit blijkt dat daarover in Engeland grote verwarring bestaat. Sommige mensen rekenen namelijk het uitkijken voor het oversteken ook tot de vragen. Dit is merkwaardig omdat dit uitkijken een handeling is die alleen de persoon zelf betreft en waar bovendien geen taal aan te pas komt. De meeste mensen weten niet eens dat ze het doen omdat het een gewoonte is geworden. Als we hiervan uitgaan, dan hebben we ongemerkt altijd een vragende houding, want we kijken voortdurend om ons heen. Watson houdt niettemin de vraag open en constateert alleen dat er geen duidelijk antwoord op de vraagvraag bestaat.
Er is een figuur in de geschiedenis van de westerse filosofie die bij uitstek een meester was in het vragen. Dit is natuurlijk Socrates, die leefde in het antieke Athene van 470 tot 399 v.j. Watson merkt op dat hij de onbeantwoorde vraag het belangrijkste vond. Dat komt volgens haar omdat we bij het horen van een vraag een soort plezier ondervinden, doordat we al vooruitlopen op het antwoord. De toestand van het hebben van een vraag zonder antwoord, maar dat antwoord wel te verwachten, ligt aan de basis van de vragende houding. Het is alsof je een cadeautje hebt gekregen dat je nog moet uitpakken.
Merkwaardig genoeg vindt ze dat vraagtekens overbodig zijn en ze wil ze zelfs afschaffen. Ze maakt echter niet duidelijk waarom dit ons zou kunnen helpen bij het ontwikkelen van onze vragende levenshouding. Er zijn wel meer overbodige leestekens en regels. Je zou bijvoorbeeld ook de hoofdletters kunnen afschaffen. In veel talen bestaan ze dan ook niet. Sommige mensen gebruiken emoticons omdat ze hebben gemerkt dat dit misverstanden helpt voorkomen, maar ze zijn strikt genomen ook overbodig. Er is bovendien natuurlijk een verschil tussen de vraag en de formulering ervan. Uiteindelijk komt er op bladzijde 51 toch een voorlopig antwoord op de vraagvraag: een vraag is, concludeert Watson, een handeling die gericht is op het verkrijgen van informatie. Wat daarbij geldt als informatie, houdt ze voor vanzelfsprekend.
De geschiedenis van de vraag
Watson denkt dat onze verre voorouders zich al vragen begonnen te stellen “lang voordat ze vuur gingen maken, stenen bijlen gingen vervaardigen en grotten gingen beschilderen, lang voordat zich in alle uithoeken van de wereld talen begonnen te vormen waarin die vragen konden worden uitgedrukt” (bladzijde 59). Dit lijkt wat ver gezocht, want hoe weet je dat iemand een vraag heeft als hij of zij deze niet uitdrukt? Sommige filosofen, zouden er bijvoorbeeld op wijzen dat de mens een zoôn logicon is, een levend wezen met taal.
Watson bespreekt in hoofdstuk drie de geschiedenis van de ontwikkeling van de vraag. Zij onderscheidt vier stadia. Eerst was er de protovraag. Vervolgens kwam er het interne vragen stellen. Daarna het sociaal vragen stellen en uiteindelijk het verbaal vragen stellen. Het begint dus met protovragen, het verkennend, informatiezoekend gedrag. Dit vind je al bij de oudste organismen die ongeveer 540 miljoen jaren geleden ontstonden. Het is nog niet echt vragen, omdat er geen bedoeling of aandacht achter zit. Die bedoeling vinden we volgens Watson wel bij sommige dieren die ervoor kiezen om bepaalde stukjes van hun omgeving te gaan verkennen. Dit noemt zij het intern vragen stellen. Mensen zijn dan volgens haar de enige wezens die in staat zijn tot het stellen van sociale vragen. Dat wil zeggen: verzoeken om informatie aan andere mensen (bladzijde 86). Op een zeker moment hebben de mensen daar zelfs woorden voor gevonden en ontstond het verbale vragen.
Het volgende hoofdstuk gaat over de vraag waarom we steeds minder zijn gaan vragen. Watson noemt tien vragen, waarvan er negen kennisvragen zijn en één een inzichtsvraag. Ze wil tonen dat je je meestal ontevreden voelt als je het antwoord op een vraag niet weet. Mensen hebben met andere woorden behoefte aan een cognitieve afsluiting. Hoe meer gespannen iemand is, hoe sterker het verlangen naar deze cognitieve afsluiting.
Een andere oorzaak voor het vergeten van de vraag is dat we op school leren om op vragen een antwoord te vinden. Als we dat antwoord niet weten krijgen we een slecht cijfer. Het hele onderwijs draait op het vinden van antwoorden. Dit is ook het geval met heel veel populaire televisieprogramma’s, zoals bijvoorbeeld “De slimste mens”. Ons hele leven wordt ons geleerd dat we op alle vragen een antwoord moeten weten en dat het verkeerd is om toe te geven dat je iets niet weet. De uitspraak van Socrates, dat hij de enige was die wist dat hij niets wist, is een raadselachtige uitspraak waarvan niemand de betekenis echt begrijpt.
Watson noemt als bewijs voor haar stelling een aantal onderzoeken, die vooral op Engelse scholen werden uitgevoerd. Daarnaast beschrijft ze op bladzijde 128 haar eigen ervaring, waaruit blijkt dat het de jeugd en de studenten in Engeland afgeleerd is om vragen te stellen. Docenten daarentegen bleken in het algemeen juist veel vragen te stellen in hun wanhopige pogingen om hun leerlingen wakker te houden. Iedere docent weet immers dat je daardoor de leerlingen motiveert en bij de les houdt.
Deze vragen door de docent blijken echter geen goede manier om te zorgen dat de student meer vragen gaat stellen. Als de docent meer vragen stelt, gaan de studenten er juist minder stellen. Als de docent een vraag stelt en de student antwoordt, stelt de docent meestal vervolgens een nieuwe vraag en moet de student opnieuw een antwoord verzinnen. De neiging van de student om zelf vragen te gaan stellen, wordt daarbij dus onderdrukt. Daarnaast is het ook nog zo dat over de hele wereld alle examens schriftelijk zijn en dat deze toetsen op het geven van het juiste antwoord. Watson vindt dit een groot probleem, omdat het bij de studenten een antwoordgerichte houding in plaats van een vraaggerichte houding stimuleert.
De vraagstand
Hoe komen we in de vraagstand? Volgens Watson is er maar één goede manier, de question formulation methode, oftewel de vraagformuleringsmethode. Deze is 25 jaar geleden ontwikkeld door het Right Question Institute in Boston. De methode bestaat uit zeven stappen. Het begint met vier basisregels:
– zoveel mogelijk vragen stellen,
– ze opschrijven,
– ze niet beoordelen en
– van gewone uitspraken vragen maken.
Als je dit een paar minuten doet, kun je vervolgens de vragen gaan verbeteren. Hiermee stimuleer je de nieuwsgierigheid van de studenten. Veel schrijvers passen deze methode ook toe. – Het is trouwens ook de reden dat ik veel boekbesprekingen begin met een passage die bedoeld is om de nieuwsgierigheid op te wekken.
Vragen uit de ziel
Volgens Watson komen onze vragen uit ons innerlijk en zeggen ze dus veel over wat of wie we zijn. Ze citeert op bladzijde 150 een uitspraak van Voltaire van die strekking en meent dat dit een herformulering is van een uitspraak van Pierre-Marc-Gaston de Lévis. Deze was toen Voltaire stierf in 1778 echter nog maar 14 jaar oud, dus dit is een vergissing. Vervolgens wordt Socrates weer van stal gehaald, maar haar beschrijving van het leven en sterven van deze filosoof is helaas achterhaald.
Watson geeft op bladzijde 161 echter wel impliciet een antwoord op de vraag waarom er tijdens de corona-epidemie zoveel mensen geloofden in allerhande roddels en absurde complotten. In tijden van onzekerheid gaan veel mensen zich namelijk identificeren met een groep die een uitgesproken overtuiging heeft en er ontstaat behoefte aan autocratisch leiderschap. Blijkbaar gaan de antwoorden het dan winnen van de vragen. Dit lijkt niet logisch. Als mensen uit onzekerheid vragen vermijden en steeds opnieuw zo snel mogelijk antwoorden willen, zou je toch eerst iets aan dat gevoel van onzekerheid moeten doen. Het is dan nog maar de vraag of we dan zitten te wachten op een vragende levenshouding die we moeten ontwikkelen door onszelf nog meer vragen te stellen. We moeten dit bovendien net zo lang blijven oefenen tot het een ingeslepen gewoonte wordt.
Watson houdt echter vol dat we moeten proberen om op het juiste moment de juiste vraag te stellen en noemt dit in navolging van Aristoteles “voortreffelijkheid”, arète. Haar voorbeeld van een voortreffelijke vraag is echter merkwaardig: “Verkopen jullie ook dit of dat boek?” Dit is een gesloten vraag naar een stand van zaken en geen denkvraag! Het antwoord kan alleen maar “ja” of “nee” zijn. Bij een goede vraag zou Aristoteles ongetwijfeld hebben gesproken over verwondering, thaumazein.
Betrokkenheid
Volgens Watson zijn vragen ook aanleiding tot intimiteit en positieve gevoelens jegens de vragensteller (bladzijde 189). Ze vindt dat we bewust aandacht zouden moeten besteden aan de barrières rondom het stellen van vragen. Zo kunnen we een positieve verandering voor elkaar te krijgen, voor onszelf en de samenleving. Ze is echter niet blind voor het misbruik van vragen in een juridische, politieke of sociale context. Daar worden vragen vaak gebruikt om mensen te intimideren of te manipuleren.
De techniek is een groot obstakel op de weg naar een vraaggerichte toekomst, want babbelautomaten stellen wel vragen, maar ze zijn nergens benieuwd naar. De suggestie van betrokkenheid bij het vragen is trouwens wel een goede verklaring voor hun succes. Helaas ziet Watson dit over het hoofd. Ze noemt de invloedrijke Amerikaanse pedagoog Neil Postman, die begin jaren ’90 al kritisch stond tegenover een al te groot vertrouwen in technologische oplossingen. Hij stelde ooit een reeks van zes vragen voor die we bij elke nieuwe technologie zouden moeten stellen. De eerste twee zijn: “Voor welk probleem biedt deze technologie een oplossing?” en: “Wiens probleem is dit eigenlijk?” Ze vatten goed samen waarom het nodig is om eerst de relevante menselijke vragen te formuleren voordat we met technologische antwoorden komen. Helaas snoert de “ontucht van de markt” elke vragensteller de mond.
De andere vier vragen op het lijstje van Postman zijn volgens Watson ook een goede manier om onze technologische antwoordgerichtheid in toom te houden:
- Welke mensen en welke instituties zouden schade ondervinden van een technologische oplossing?
- Welke nieuwe problemen zouden er kunnen ontstaan, omdat we dat eerste probleem hebben opgelost?
- Welke mensen en instituties krijgen meer economische en politieke macht door de technologische verandering?
- Welke taalveranderingen zullen optreden door de technologie en wat winnen en verliezen we daarmee?
Veel mensen zullen als antwoord wijzen op de toename van snelheid en gemak. De technologie wordt wel eens omschreven als het wegnemen van wrijving, wrijving uit ons leven en uit onze vragen. Het is echter volgens Watson juist de wrijving die de vonken geeft en een vuur doet ontbranden. Een wereld zonder wrijving zou dan misschien wel effectiever zijn, maar ook een stuk donkerder (bladzijde 261).
Zelfs AI begint pas te functioneren als je een vraag stelt, merkt ze op (bladzijde 263). Het internet heeft volgens haar wel een grote invloed op onze vragen. Niet alleen wordt elke vraag die we aan een zoekmachine stellen geregistreerd en aan ons profiel toegevoegd, maar bovendien worden de antwoorden die we krijgen niet langer door onszelf worden bepaald, maar door een hele hoop algoritmes en trucjes van programmeurs. Uit onderzoek blijkt dat onware berichten en suggesties veel sneller door het internet reizen en veel meer aandacht trekken dan ware berichten (bladzijde 273). Dit verklaart het succes van heel veel extreemrechtse bewegingen en complotdenkers. Het is dus erg belangrijk om zorgvuldig te zijn bij het kiezen van je zoekmachines en de platforms waarop je je vragen stelt.
Dit mag de lezer echter niet afschrikken. Ze hoopt met haar boek te bereiken ” Dat je de moed voelt die hoort bij het besef dat je over een oerkracht beschikt die je in je eigen leven kunt benutten. Het idee dat vragen een bijzondere vorm van macht zijn, is meer dan een abstracte bewering of een algemene waarheid. Het is iets tastbaars, iets werkelijks dat je overal om je heen kunt zien. Bovendien is het een idee dat je in de praktijk kunt brengen in je persoonlijke en werkende leven door een vragende houding te ontwikkelen en te verfijnen (bladzijde 280).
Gezellig
De vertaling van Suus van der Kar is helaas ondermaats. De zinnen lopen wel, maar de tekst barst van de Anglicismen. Voor woorden als tools, mindset, initiator, responsive, bias, smalltalk, enzovoort bestaan uitstekende en veelzeggende Nederlandse woorden en als je die niet kent moet je niet aan een vertaling beginnen.
Behalve dit is het een gezellig boek. Watson onderhoudt haar lezers met veel anekdotes en persoonlijke ervaringen. Het is alsof je met haar aan tafel zit, of op een terras. Bovendien vestigt ze de aandacht op een aantal belangrijke onderwerpen, waarover het laatste woord nog zeker niet is gezegd. Of ze daarbij altijd gelijk heeft kan de lezer zelf beoordelen, want ze doet vaak een beroep op de alledaagse ervaring. Haar voortdurende verwijzing naar neurologisch en psychologisch onderzoek overtuigt me minder, omdat ze daarbij wel erg de krentjes uit de pap vist. Als ze echt van Socrates had geleerd, dan had ze het voor en tegen juist tegen elkaar uitgespeeld en zo de lezer kunnen laten meedenken.
Haar kritiek op het onderwijs vind ik nogal kortzichtig. Ik heb vaak een vraag gesteld aan de klas en een stilte laten vallen en dan eventuele antwoorden teruggekaatst met waaromvragen. De helft van de klas zit dan gewoonlijk uit het raam te staren of zit stiekem een kladblaadje te maken voor de wiskunderepetitie van het volgende uur. Bovendien werkt het onderwijs vaak door voorbeelden te geven: als leerlingen de klas de klas inkomen doen ze elkaar of hun ouders na, als ze die weer uitgaan doen ze de docent na.
Eigenlijk zit Watson’s definitie van de vraag haar lelijk in de weg. Aan de ene kant is deze te ruim en lijkt het wel een natuurverschijnsel. Aan de andere kant behandelt ze de vraag als iets typisch menselijks. Ze laat na om onderscheid te maken tussen verschillende vragen, terwijl er toch een groot verschil is tussen bijvoorbeeld “hoe laat is het?” en “waar denk je aan?”
Met vragen geven we elkaar aandacht en dat is de kracht ervan. Babbelautomaten hebben zoveel invloed omdat ze een vragend mens imiteren. Mensen geven voor de camera hun diepste geheimen bloot omdat ze aandacht krijgen. Er schuilt in ons allemaal een klein narcisje.
Al met al vind ik het een leuk boek dat aan het denken zet.


Geef een reactie