De zenweg is een weg van paradoxen en valkuilen. Vorige maand eindigde ik met de paradox dat zen buiten alle teksten en woorden omgaat en er desondanks talloze teksten zijn om het onuitsprekelijke in woorden te vatten, die ons raken en inzicht verschaffen. De keerzijde is dat woorden gaan stollen en zich als dogma’s kunnen manifesteren, waaraan we ons vastklampen als aan een nieuwe waarheid, terwijl de ‘Dharma’ altijd stroomt. Dat is wat Ton altijd zei: ‘Zen beweegt, leeft, groeit en verandert en vindt steeds weer nieuwe uitdrukkingen. En ook die stollen weer onherroepelijk. En dat is niet erg, zolang we het maar zien, want dan kan ook weer smelten’ (2020: 183). De Dharma is ongrijpbaar en manifesteert zich in ieder moment als in een dans waarin alle elementen zich steeds weer in nieuwe vormen, nieuwe patronen en ritmes tot elkaar verhouden. Ook iedere leraar legt andere accenten en borduurt voort aan het kleed van de traditie waarin we staan, waar de vorige leraar is gestopt.
De klassieke zentraditie hecht grote waarde aan de rol van de leraar. Een zenmeester staat in de lijn van de voorouders, draagt de Dharma over door onderricht, gesprekken en een voorbeeldfunctie. Mijn eerste leraar in de Japanse traditie had een boekje met namen van leerlingen die shoken hadden gedaan. Het is een ceremonie waarin de leraar de leerling formeel als leerling aanneemt. Bij Maha Karuna Ch’an, dat in de Chinese Ch’antraditie staat, loopt dit proces eenvoudiger en minder formeel. De eerste leraar van Ton was Masao Abe, leerling van Hisamatsu. Binnen onze traditie is Hisamatsu van grote invloed op de ontwikkeling van het leraarschap geweest. In de beginjaren van Maha Karuna was er een blokjessysteem, dat blokje ging van mat naar mat om aan te geven wie er aan de beurt was voor een dokusan. Rond 2010 is dit systeem om uiteenlopende redenen overgegaan in een systeem waarin deelnemers zelf het initiatief nemen om een dokusan met de leraar af te spreken. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een mutual inquiry af te spreken met een andere deelnemer voor onderlinge uitwisseling over de beoefening.
Wat is de rol van een leraar? In de eerste plaats is de leraar er om te inspireren, door het delen van zijn/haar duiding van de Dharma. Een leraar kan een belangrijke gids zijn op je pad. Een leraar is present, luistert, gaat in op vragen die bij je leven, vraagt door. Een leraar moedigt aan geduld te hebben, vertrouwen te hebben, door te gaan en vol te houden. Hoe moeilijk het soms is, hoe we soms in een moeras terecht zijn gekomen, vertrouwen en doorgaan. De leraar houdt je een spiegel voor, confronteert je met wat hij of zij ziet, en dat is niet altijd makkelijk. Dat kan ook soms heel gevoelig liggen voor de leerling, maar ook voor de leraar. Voorwaarde is een vertrouwensrelatie, die zich steeds meer kan ontwikkelen in opeenvolgende ontmoetingen. De middelen die een leraar gebruikt en toepast, zijn gericht op de ontwikkeling van inzicht in de werking van de geest, opdat verwarring oplost en ontwaken tot het ware zelf steeds meer ruimte krijgt.
De positie van de leraar is in meerdere opzichten precair. Eigenlijk verwachten we van de leraar dat hij of zij zich gedraagt naar wat hij of zij uitdraagt, dat de leraar daarnaar leeft. Helaas worden we daarin best wel teleurgesteld, want het blijkt niet altijd zo te zijn. Leraren zijn ook gewone mensen die ook fouten maken. In de beginjaren van zen in het westen in de tweede helft van de vorige eeuw, kwamen veel leraren uit Japan en Tibet naar het Westen toe. In die tijd bestond een vrij kritiekloze bewondering voor de ‘verlichte’ zenmeesters en lama’s die naar het westen waren gekomen. Die bewondering heeft er mede toe geleid dat zich in een aantal situaties ongelijkwaardige verhoudingen konden ontwikkelen. Mensen leverden zich uit aan hun leraar, enerzijds omdat deze strikte toewijding verwachtte van hun leerlingen. Anderzijds werden leraren door hun leerlingen op een voetstuk gezet, die hun zielenheil volledig in handen van de leraar legden; ze leverden zich uit. Het was feitelijk een elkaar wederzijds versterkend mechanisme. Mensen hadden een groter vertrouwen in de, veelal uit een andere cultuur afkomstige ‘verlichte’ leraar, dan in de eigen potenties[i]. Dat heeft ertoe geleid dat er een patroon van macht en afhankelijkheid is ontstaan, dat in een aantal gevallen in een patroon van seksueel misbruik is uitgemond. Jarenlang is dit misbruik door de directe omgeving gedoogd en soms zelfs gelegitimeerd, bijvoorbeeld als vorm van ‘crazy wisdom’. Het tekende zich voor het eerst af kort na de jaren zestig met een andere seksuele moraal, het heeft niettemin jarenlang mensen beschadigd. Het speelt tot de dag van vandaag. Recent is een rapport uitgekomen in de serie Cahier van het Wetenschappelijk Onderzoek Datacentrum/ WODC over de gevolgen van machtsmisbruik binnen boeddhistische sangha’s[ii] in Nederland. Het is kort geleden verschenen.
Talloze leraren zijn sindsdien van hun voetstuk gevallen, zoals gebeurde met Rigpa, Shambala en met de leraar van Leonard Cohen, Sasaki Roshi, om slechts een paar van een veel langere reeks te noemen. Het heeft tot grote misère geleid voor alle betrokkenen. Een zuivere leraar-leerlingrelatie is gebaseerd op gelijkwaardigheid; niet gelijk, wel gelijkwaardig. En naarmate de relatie zich ontwikkelt, groeit die relatie toe naar een steeds grotere gelijkwaardigheid, tot in enkele gevallen de leraar transmissie verleent, van hart tot hart en ze spiritueel gezien gelijkwaardig aan elkaar zijn geworden! De leraar is met name verantwoordelijk voor een gezonde spirituele relatie, waarin dit tot bloei kan komen. In een spirituele ontmoeting hoort seksuele aantrekkingskracht simpelweg niet thuis. En als die gevoelens een rol dreigen te gaan spelen, dient de leraar dat bespreekbaar te maken, zodat de verhoudingen zuiver blijven met de betreffende leerling én met de sangha. Het ethiekdocument dat de BUN[iii] als gevolg van de misstanden sinds ongeveer tien jaar vraagt van haar leden, is hierin leidend. Het ligt bij iedere sesshin ter inzage op de leestafel.
Hisamatsu was al vroeg van mening dat de klassieke positie van zenleraren te veel gebaseerd was op scheve machtsverhoudingen. Ik denk dat hij het vooral in spirituele zin bedoelde, maar door Maha Karuna onder Ton hebben we dat breder getrokken. Hisamatsu pleitte voor een andere invulling van het leraarschap en hij stelde mutual inquiry voor: elkaar wederzijds bevragen over de Dharma. Zo’n gesprek kan met iedereen plaatsvinden, want niemand, daar doelt Hisamatsu vooral op, heeft een officiële bevestiging of autorisatie van een leraar nodig. ‘Je hebt geen stempel nodig van wie dan ook’, stelde hij. Je bent niet afhankelijk van een leraar buiten jezelf! Anderen kunnen wel als klankbord dienen, maar uiteindelijk ben je zelf je eigen leraar. Tegelijkertijd zei Hisamatsu ook: ‘Met een leraar kom je er niet, maar zonder leraar kom je er ook niet’ (2020: 184). Ook weer zo’n paradox, maar blijkbaar zijn leraren toch belangrijk. Maar zo complex is het allemaal. Hij bedoelde feitelijk dat geen enkele leraar het inzicht voor jou kan verwerven en ook niet overdragen. Dat kun je alleen maar zelf verwerven! Daarentegen kunnen leraren wel degelijk een gids voor je zijn, een spiegel voor je zijn, of een inspirator zijn, maar uiteindelijk ben je zelf verantwoordelijk voor de weg die je gaat. Die weg moet ieder mens zelf gaan en ontdekken. En soms raken we door al die verwarring of teleurstellingen die er zijn de weg kwijt. Maar dat is ook jouw weg. Soms leidt het tot verwarring en moet je je opnieuw herbronnen, als je maar doorgaat. En vertrouwen houdt. Hisamatsu sluit met zijn woorden natuurlijk aan bij die van de Boeddha tot Ananda: ‘Wees een licht voor jezelf.’ De Boeddha maakte gebruik van upaya, vaardige middelen, en als het goed is, gebruikt iedere leraar die. Je onderricht afstemmen op degene die je voor je hebt. Maar de ultieme leraar bevindt zich in onszelf, het is je Ware Zelf, je oorspronkelijke gelaat.
Zen gaat buiten woorden en teksten om en toch vormen ze vaak een valkuil waar we met open ogen inlopen. Ik hoor regelmatig hoe mensen worstelen met teksten of er zelfs ronduit in vastlopen. Soms kun je de plank zo enorm misslaan, dat je teksten gewoon niet kan duiden en dat je er maar wat mee doet en soms de verkeerde dingen. Een deelnemer vertelde me over de bekende woorden van Dogen: ‘Drop body and mind’. Het is een tekst die tot grote verwarring kan leiden. Toen Dogen die ‘verlichtingservaring’ had, ervaarde hij dat beoefening en realisatie één en ondeelbaar zijn, voorbij alle tegenstellingen. Dat kon hij pas later formuleren, toen hij terugkeek op die ervaring. In het moment zelf is er alleen maar ZIJN. We zien body en mind meestal als twee, als tegenstellingen. Als je die regel letterlijk neemt en de woorden in je hoofd blijven rondzoemen, kan dat verwarrend zijn, want het conventionele denken werkt hier niet. Wat Dogen hier wezenlijk wil zeggen is, dat in zazen lichaam en geest spontaan wegvallen. De act van het zitten zelf is realisatie, het is alles loslaten en één worden met de tienduizend dingen. Dogen zegt er het volgende over in de Bendowa of de Verhandeling over het volgen van de weg[iv]: “Hou dus op met zoeken naar zinnen en achter woorden aanjagen. Zet een stap achteruit en keer het licht naar binnen. Lichaam-geest vallen vanzelf weg en je oorspronkelijke gelaat zal verschijnen. Als je enkel dit wilt bereiken, beoefen dan enkel dit.” Vermoedelijk kende Dogen de tekst van de karakters die in alle Chinese ch’an-tempels aan de muren hangen: zhao gu, hua tou: het licht naar binnen laten schijnen, op je ware natuur (1988: 158).
Een ander voorbeeld waar mensen enorm mee kunnen worstelen is: het laten ‘smelten van het ego’ of ‘sterven’ op het kussen of steeds minder ik. Het komt regelmatig voor dat mensen hier angstig van worden. Ze zijn bang om uit elkaar te vallen of op te lossen, niet meer te bestaan. Het is dan goed om te onderzoeken wat er onder die angst verscholen ligt. Wie is het die angstig wordt, Wat maakt dat het me angstig maakt? Ga ermee zitten. Het kan een conditionering zijn om coûte que coûte de controle te willen houden en niet los te kunnen laten. ‘Opening the hand of thought’ zei de Japanse zenmeester Kosho Shibayama. Laat het los. Als het lukt om het ego los te laten, zal het tegenovergestelde gebeuren: want hoe minder ‘ik’, hoe meer ik ben. In de Dharani van de grote Mededogende zingen we ‘die de sprong waagt voorbij alle angst’. Het ego loslaten leidt tot bevrijding van het ware zelf, tot de bevrijding van conditioneringen waarin we vastzitten, van dat vastklampende en in controle willen zijnde ego, want het leidt tot realisatie. Het is de kern van bevrijding. Anders gezegd: stap van die honderd meter hoge paal af, maak die sprong voorbij alle angst. Een bekende tekst zegt het volgende:
Als je blijft zitten op een honderdmeterhoge paal,
ben je nog steeds gebonden aan de illusies van alle dingen.
Maar, als je van de top van een honderdmeterhoge paal maar één stap verder gaat,
vult je lichaam het hele universum.[v]
Het is samenvallen met wat is en de grondeloosheid van mijn bestaan ervaren en (h)erkennen. Wat er rest, is je ware natuur die dezelfde is als die van het hele universum. Je bent uitgebroken uit je kleine gevangenis, die je voor jezelf creëert. Als je alle zogenaamde zekerheden overboord durft te gooien, is er vrijheid, want dat is de enige zekerheid die we hebben, onze ware natuur, die er altijd is, die jouw anker kan zijn. Niet-weten is bevrijding! Het is de paradox van niet weten: door de controle los te laten, ontstaat iets dat groter is dan mij. We ervaren de werkelijkheid voorbij dualiteiten; het alledaagse is spiritueel; het spirituele is alledaags. Zoals Layman Pang zei: Hoe wonderbaarlijk en ontzagwekkend: ik hak hout en put water. Wij zouden kunnen zeggen: Hoe wonderbaarlijk en ontzagwekkend, De wekker gaat af, ik ga me wassen en loop naar de zendo.
Zelf worstelde ik met een regel waar ik uitentreuren mee heb gezeten. Het is een regel die ik nog steeds veel gebruik als er zich een hoop onrust in het leven voordoet: ‘Alles is er, niets ontbreekt.’ Ik vatte die regel concreet op als de basisvoorwaarden van Maslov[vi]. Maar daar ging het natuurlijk niet om, maar ik zag en voelde het niet. Het drong maar niet tot mij door dat de ware natuur al in mij is en dat daar de sleutel ligt voor onze beoefening en bevrijding. Ik had geleerd dat het twee uitersten waren, maar het sacrale is profaan en het profane is sacraal. Het Goddelijke is niet buiten mij, maar in mij. Zoals Levinas het formuleert: “Waar is God? God is in het gelaat, in de ogen van de ander. Maar in het christendom leerden we dat het goddelijke buiten ons ligt en daar ligt, denk ik, de oorsprong van onze verwarring. Het is allemaal al in ons aanwezig. Bijzonder detail hierin is dat dit inzicht plotseling en in volle omvang doorbrak bij het lezen van uitgerekend het boek: De kracht van nu van Eckhart Tolle uit 2001! Het boek raakte me omdat het me op het spoor van de concrete en onmiddellijke ervaring wees. Jaren later, toen ik als geestelijk verzorger in de gevangenis werkte, gaf ik het boek aan een van de deelnemers van de meditatiegroep; het leidde tot een fundamentele ommekeer. Maanden liep hij stralend als een Boeddha rond.
Een heel ander voorbeeld van hoe woorden tot verwarring kunnen leiden als ze niet op de juiste manier begrepen worden, hoorde ik een paar jaar geleden van Jotika Hermsen. Haar vader was overleden en ze was intens verdrietig. Ze kwam bij Mettavihari (1942-2007) haar leraar in de tempel in Amsterdam, en ze verwachtte meelevende woorden. Maar hij zei enkel: ‘Jotika, we zijn processen.’ We zijn slechts processen. Ontsteld dacht ze bij zichzelf: “Heb je niet wat beters te vertellen? Ik heb verdriet“. Pas vele jaren later drong het tot haar door, wat hij haar had willen meegeven met die woorden. Hij bedoelde te zeggen dat het allemaal veel groter is, dat mijn verdriet een universeel verdriet is en dat ieder mens eronder lijdt en dat het ons onderling verbindt en dat het troostvol is. Als je leeft vanuit het besef van de drie kernwaarden van het bestaan: er is lijden, dukkha, er is geen zelf met een vaste kern, anattā, en alles is onbestendig en vergankelijk, anicca, dan helpt dat én het is helend. Zelf zei ze hier later over, dat het een groot spiritueel geluk is als je dit inziet. We zijn processen en wij allen zullen sterven. Als je zo kunt denken, wordt het allemaal veel groter. Toch missen we in de reactie medemenselijkheid in een ontmoeting van hart tot hart. We missen de troostende woorden die binnen de Mahāyāna in de ontmoeting met de ander liggen. Alleen de leer is niet genoeg. Ook compassie hoort erbij.
Zen openbaart zich als een wonderschone weg, die bezaaid is met voetangels en klemmen, het is een weg van opperste vreugde en teleurstellingen net als het leven zelf, want het is allemaal mensenwerk. Ook zenmeesters zijn gewone mensen, hoeveel verlichtingservaringen ze ook hebben gehad. Het blijven gewone mensen. De zenweg loopt van innerlijk geploeter en opperste frustratie naar wijsheid en diepgaande ontmoetingen met leraren en medestudenten. Het pad van zen is een weg van ontwaken die vanaf de Boeddha van generatie op generatie wordt overgedragen, waarin de ‘Hidden Lamp’, de Lamp van het Licht, Wijsheid en Mededogen van hart tot hart in vreugdevolle ontmoetingen wordt overgedragen tot in deze tijd én ver na onze tijd, via jou en via mij, gedragen door onze voorouders, die ‘vanaf prehistorische tijden het licht hebben doorgegeven’, zoals in de Toewijding van de sesshin staat, die ter afsluiting van de soetra dienst wordt gereciteerd. Zazen is een religieuze weg, een levenslange beoefening: het is de reis van het hoofd naar het hart, van hart tot hart:
I shin den shin; de reis van eenwording met wat is. Moedig voorwaarts! Zoek het niet buiten je, maar draai het licht naar binnen en verlicht je ware natuur.


Geef een reactie