Er is een lopende controverse in het boeddhisme tussen de voorstanders van het plotselinge ontwaken en die van het geleidelijke pad. Aangezien het leven kort is en de weg naar het ontwaken lang, is het voor elke boeddhist belangrijk om geen tijd te verspillen. Wat is dan de beste en snelste methode? Deze vraag is moeilijk te beantwoorden, zowel voor een beginner als ook voor een gevorderde. De tegenstellingen tussen de verschillende opvattingen worden over het algemeen verklaard met behulp van een grote hoeveelheid technische termen in een taal die de meeste westerlingen niet machtig zijn en die bovendien stammen uit lang vervlogen tijden. Bovendien worden als ‘bewijs’ meestal verhalen verteld over boeddhistische meesters die regelrecht uit de Disney-studio’s lijken te zijn gekomen. Wat moet je hiermee vandaag de dag?

De legende van Lhasa

De controverse tussen de geleidelijke opbouw en de plotselinge doorbraak op de weg naar het boeddhaschap wordt in de geschiedenis van het Tibetaanse boeddhisme breed uitgemeten in de beschrijving van het zogenaamde Debat in Lhasa. Volgens de Tibetaanse geschiedschrijving vond dit op last van koning Trisong Detsen plaats in de jaren 792 – 794. Tegenover elkaar stonden de Chinese abt Moheyan (Huasan Mahāyāna) en de Indiase scholasticus Kamalaśīla. De eerste onderwees de plotselinge en de tweede de geleidelijke weg. Naar verluidt zou het er heftig aan toe zijn gegaan en Kamalaśīla zou met vlag en wimpel hebben gewonnen, terwijl Moheyan zou zijn verbannen. Vanaf die tijd zouden Tibetanen braaf de lange weg van de pāramitā’s en de tantrische visualisaties hebben gevolgd. Nu hebben Tibetologen ontdekt dat deze berichten over het debat volledig verzonnen zijn. Misschien hebben er discussies plaatsgevonden in het in 775 opgerichte klooster in Samye en er is ongetwijfeld een briefwisseling geweest tussen aanhangers van het Chinese en van het Indiase boeddhisme. Zeker is dat er tot in de tiende eeuw wel degelijk sympathie voor het Zenboeddhisme in Tibet was en zelfs een Tibetaanse vorm van Zen bestond.

Een belangrijke oorzaak voor deze geschiedvervalsing zou kunnen zijn dat Tibet in de achtste eeuw een belangrijk deel van Centraal Azië had bezet, onder andere de regio rondom het rotsklooster Dunhuang in het huidige China waar het boeddhisme bloeide. Daar is 100 jaar geleden een grote schat aan documenten ontdekt. Deze worden nu langzamerhand allemaal vertaald en bestudeerd. Tot in de tiende eeuw werd daar Tibetaans gesproken en geschreven en het was een plaats van waaruit Chinees-boeddhistische invloeden Tibet binnendrongen. Toen deze gebieden moesten worden opgegeven, oriënteerde Tibet zich steeds meer op India, vooral toen in de 11e eeuw nieuwe Indiase boeddhistische teksten in Tibet werden geïntroduceerd en vertaald, onder andere door Marpa de Vertaler (1012–1097). Dit bracht een heropleving teweeg van het boeddhisme in Tibet, waardoor drie nieuwe kloosterordes ontstonden die veel politieke macht kregen.

Dzogchen

Behalve tussen plotseling en opbouwend werd er in Tibet ook veel gekibbeld tussen de verschillende aanhangers van plotselinge richtingen. In een onderricht in 1984, uitgegeven en vertaald door Kenneth Lipman, legt de Dzogchenleraar Namkhai Norbu Rinpoche uit wat het verschil is tussen Zen en Dzogchen. Beide zijn methoden om te komen tot het plotselinge ontwaken, maar ze behoren elk tot een verschillend soort. De methodes van de soetra’s maken volgens Norbu gebruik van het principe van vermijding, die van de tantra’s van het principe van transformatie en die van Dzogchen van het principe van zelfbevrijding. Als je bijvoorbeeld kwaad bent, dan kun je door vermijding, dat wil zeggen door het vermijden van de situatie die je woede opwekte, proberen je woede te verminderen. Je kunt bovendien op mededogen mediteren en zo een soort geneesmiddel toepassen. De tantrische methode is dat je de woede transformeert door jezelf voor te stellen als een woedende godheid, bijvoorbeeld Bhairava of Mahākāla. Daardoor ervaar je je woede als leeg en de oorzaak van je woede verdwijnt helemaal uit beeld. De methode van zelfbevrijding is dat je je woede loslaat en zo nauwkeurig mogelijk observeert, zo wordt het een verschijnsel in je bewustzijn dat je gadeslaat. De woede verdwijnt dan uit zichzelf en maakt plaats voor leegte of openheid (die gewoonlijk direct wordt opgevuld door een volgende gedachte). Je zou dit kunnen vergelijken met de situatie die zich voordoet als je op je mobieltje naar een filmpje kijkt en je plotseling merkt dat het scherm niet goed werkt, je kijkt dan naar de kleuren om te controleren of ze niet aangetast zijn, je let op of er geen beeldpuntjes zijn bevroren, enzovoort. Dit is een verschuiving van aandacht die wel moeilijk is vol te houden, omdat je aandacht steeds naar het filmpje wordt getrokken. De staat van de Dzogchen (men spreekt daar liever niet van meditatie maar van het op natuurlijke wijze laten rusten van de aandacht in zichzelf) is te vergelijken met het op je mobieltje waarnemen van de dynamiek van de kleuren en horen van de geluiden, begeleid door het besef van de illusie en leegte daarvan.

De herkomst van Dzogchen

Norbu voegt aan zijn beschrijving nog twee opmerkingen toe. Ten eerste is volgens hem dit principe van zelfbevrijding niet gebonden aan een traditie. Je kunt dit principe volgens hem ook in meerdere of mindere mate vinden in andere tradities, dus ook in Zen. Ten tweede is volgens hem Dzogchen niet specifiek boeddhistisch. Voordat Dzogchen in het boeddhisme opkwam, bestond dit volgens hem al als een mondeling doorgegeven leer in de Bön-traditie, die vanuit het Westelijke koninkrijk Zhangzung in Tibet werd geïntroduceerd. Volgens hem is Bön een belangrijk element van de Tibetaanse culturele identiteit.

Hiermee zit Norbu in een vreemde spagaat, die veroorzaakt wordt door een koppig tribalisme aan de ene kant en het verlangen naar universele geldigheid aan de andere kant. Veel boeddhistische verlossingswegen zijn gebaseerd op een traditie van doorgifte van meester naar leerling, de parampara. Dit leidt tot een hoop besloten clubjes die elkaar wederzijds verketteren. Het is natuurlijk heel goed dat boeddhisme wordt doorgegeven via persoonlijke instructie. Veel vaardigheden, zoals bijvoorbeeld figuurzagen of zwemmen, kun je nu eenmaal het beste leren van iemand die weet hoe het moet, maar dat rechtvaardigt nog niet de vele inwijdingen en rituelen die allemaal exclusiviteit claimen en bovendien uit het hindoeïsme stammen.

Dat er een voor-boeddhistische Dzogchen zou zijn geweest wordt door Tibetologen sterk betwijfeld en ook dat de Bön-traditie in Tibet voor de tiende eeuw iets meer was dan lokaal sjamanisme (zie Wikipedia). De herkomst van Dzogchen wordt gevonden in de Indiase mahāyoga tantra’s van de achtste eeuw, waar Dzogchen of de Grote Volmaaktheid wordt genoemd als het hoogste stadium van de verlossingsweg.

Bollywood-boeddhisme

Norbu vergelijkt terecht het optreden van de Boeddha in de Mahāyāna- en tantrateksten met dat van een Bollywood-acteur. In elke tantra en mahāyāna-sutra treedt de Boeddha in een andere goddelijke setting op, de ene nog fantastischer en absurder dan de andere. Het boeddhisme is door de op hol geslagen fantasieën van de Indiërs een echt Bollywood-boeddhisme geworden. Dat geldt zowel voor de tantra’s als de Mahāyāna-soetra’s. De Indiërs vinden dat prachtig en boeddhisten van andere culturen denken dat ze geen goed boeddhist zijn als ze die onzin niet serieus nemen.

De eerste keer dat Dzogchen of Mahā Ati werd genoemd was zoals gezegd in teksten van de mahāyoga tantra’s. Het woord ‘tantra’ betekent letterlijk weefsel, het is verwant aan het woord ‘textiel’. Het betekent in India zoiets als een wetenschappelijke verhandeling, er bestaan in India tantra’s over wiskunde en astronomie. Binnen het kader van een verlossingsweg, zoals in het boeddhisme of hindoeïsme, is een tantra een boek over rituelen en van daaruit een ritueel systeem.

Als je het woord op internet opzoekt in plaats van in een degelijk Sanskriet woordenboek, krijg je de indruk dat het iets met esoterische seks te maken heeft. Dat komt door de commercie en de woordendiarree van een beroemde en verwarde man: Śri Rajneesh of Osho of Bhagavan. De indruk van esoterische seks wordt nog versterkt door de vele plaatjes en beelden van mannelijke en vrouwelijke goden in omhelzing. Deze zijn echter allemaal symbolische bedoeld, tantra is een soort literaire en rituele Indiase religieuze traditie.

Er zijn heel veel tantra’s geschreven en op verschillende manieren in verschillende klassen ondergebracht. Die indelingen zijn ook weer ritueel van aard. In de Nyingmapa orde onderscheidt men uiterlijke en innerlijke tantra’s. De innerlijke tantra bestaat weer uit mahāyoga, aṇuyoga en ātiyoga of Dzogchen. Mahāyoga bestaat uit het pad van opbouw (van de visualisatie) en het pad van afbouw (het oplossen van de visualisatie in leegte). Aṇuyoga is de visualisatie van innerlijke kanalen en punten. Het laatste stadium is het pad van de Grote volmaaktheid, Mahā Ati. Het lijkt er erg op dat het laatste stadium zich als aparte vorm van meditatie heeft losgeweekt uit deze tantrische omgeving.

Zazen

Dzogchen werkt dus volgens het principe van zelfbevrijding, maar hoe zit het dan met Zen (of Chan)? Volgens Norbu kun je vermijding op een geleidelijke manier en op een plotseling manier beoefenen. Zen is dus de plotselinge manier van vermijding. De bedoeling van zenmeditatie is je op een plotselinge manier vrij te maken van gedachten, door je gedachten als het ware te vergeten, waardoor ze verdwijnen. In de staat van bewuste gedachteloosheid (shikantaza, puur zitten) is alle dualiteit verdwenen, er is geen object en geen subject. In het bovenstaande voorbeeld van het beeldscherm zou dat volgens Norbu neerkomen op het wachten tot het mobieltje op zichzelf in de pauzestand gaat. Zazen is volgens Norbu het besef van de natuur van de geest als deze blank is, maar in Dzogchen besef je deze natuur ook en vooral als er gedachten en waarnemingen zijn.

Een op Dzogchen lijkende vorm van meditatie wordt trouwens ook beschreven in de liederen van de yogi Saraha (achtste eeuw), één van de belangrijkste grondleggers van de Mahāmudrā-traditie. Mahāmudrā en Mahā Ati (Dzogchen) hebben beide hetzelfde doel en een vergelijkbare werkwijze. Mahā Ati is alleen ontstaan in het Westen van India en Kashmir en wordt beoefend door aanhangers van de Nyingmapa-orde. Mahāmudrā komt daarentegen uit het Oosten van India, uit de traditie van voornamelijk Bengaalse yogis (mahāsiddhas), en wordt beoefend door aanhangers van de andere drie kloosterordes: Kargyüdpa, Sakyapa en Gelugpa.

Het merkwaardige nu is dat aanhangers van de Mahāmudrā-traditie Dzogchen of Mahā Ati er juist van verdenken een voortzetting te zijn van Zen. Uit de teksten die zijn gevonden in Dunhuang blijkt zelfs dat daar weinig onderscheid werd gemaakt tussen Dzogchen en Zen. Als een reactie hierop beweerden de aanhangers van Dzogchen later in Tibet dat hun meditatie (of non-meditatie) juist principieel verschillend was van die van Zen en natuurlijk superieur. Er zijn echter onomstotelijke bewijzen dat de eerste Dzogchen-leraren zich ook hebben laten onderwijzen door Zenleraren.

Hoe zit het dan met de beschuldiging dat Zen alleen besef heeft van de natuur van de geest als hij blank is? Norbu bekritiseert het beeld van Zen dat in de latere Dzogchen traditie is gevormd, dat is wat eenzijdig. Om een verdere omzwerving door Zenteksten te vermijden, noem ik hier de instructie van de Zenleraar die ik in 1976 kreeg op het dak van het Japanse klooster in Bodhgaya: zazen is als het vangen van een waterval, dat kun je niet in een kommetje, maar wel in een vergiet. Probeer je gedachten niet vast te houden, maar neem ze waar.

Conclusie

Is er nu echt zo’n groot verschil tussen Zen aan de ene kant en Mahā Ati en Mahāmudrā aan de andere kant? In elk geval baseren de tradities zich alle drie min of meer op dezelfde teksten en op de yogācāra-filosofie. Dat wil zeggen in dit geval dat ze het model en de termen ervan gebruiken. De yogācāra-filosofie is op zich allesbehalve probleemloos en heeft een metafysica die vergelijkbaar is met die van de filosofie van Immanuel Kant. Ze heeft echter als voordeel dat je ermee een aantal meditaties en ervaringen in een begrijpelijke structuur kunt onderbrengen. Verder verwijzen de tradities alle drie naar de leer van de boeddhanatuur, zij het dan dat de Mahāmudrā niet de Chinese interpretatie ervan deelt.

Ondanks de pretentie dat het ontwaken opeens gebeurt, is het niet zo dat je na een halfuurtje oefenen klaar bent en je weer aan je echte hobby’s kunt wijden. Het plotselinge karakter is bij geen van de drie absoluut, overal vind je voorbereidende oefeningen en is er min of meer een opbouw aan te wijzen. Ten slotte houden de drie tradities veel van dezelfde teksten in ere, bijvoorbeeld de Lankāvatārasūtra, de Tathāgatagarbhasūtra en de Vimalakīrtinirdeśasūtra. Er is dus veel minder verschil tussen de verschillende boeddhistische verlossingswegen dan de soms nogal sektarische literatuur suggereert. Het is trouwens best mogelijk dat de ene tekst de beoefening op een betere manier beschrijft dan de andere. Uiteindelijk bestaan echter alle boeddhistische verlossingswegen in wezen uit verzonkenheidsmeditatie (śamatha) en inzichtsmeditatie (vipaśana). In feite deed de Boeddha al dzogchen toen hij als jongen naar zijn vader keek die aan het ploegen was. Het ontwaken hangt niet af van het handigste trucje, maar van de intentie van de beoefenaar.

Bronnen
Higgins, David (2008): On the development of the non-mentation (amanasikāra) doctrine in Indo–Tibetan Buddhism. Journal of the International Association of Buddhist Studies Volume 29 Number 2 2006 (2008) blz. 255
Liljenberg, Karen (2012): A critical study of the thirteen later translations of the Dzogchen
mind series. PhD Thesis. SOAS, University of London
Norbu, Chogyal Namkhai (1984): Dzog Chen and Zen. Blue Dolphin Press, Inc. Grass Valley, California

Categorieën: Dzogchen, Boeddhisme, Tibetaans boeddhisme, Zen, Pakhuis van Verlangen
Tags: , , , , , , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

3 reacties op Zen en Dzog Chen

  1. Piet Nusteleijn schreef:

    Nog dagelijks geniet ik van ‘de verwarring’ van Bhagwan Shree Rajneesh. Later werd deze inmiddels ‘beroemd’ geworden Baghwan, Osho genoemd.
    Momenteel lees ik van Osho; Het Boek van Niets. Over de soetra’s van zen-meester Sosan.
    Nog een boekje van Osho: Dauwdruppels op de Lotus.
    Jan Foudraine heeft in dit boekje een introductie geschreven:

    “De woorden in dit boek hebben geen introductie nodig. Ze spreken tot ons allemaal: juweeltjes van wijsheid over de liefde, over het leven, over de wereld waarin we leven – over jou en over mij. Bij een blik op een willekeurige bladzij worden we een nieuwe wereld binnengeleid, de wereld van Osho, de meest briljante mysticus van deze tijd”.

    Over smaak valt niet te twisten. Mag ik aanraden de woorden van Bhagwan Shree Rajneesh/ Osho, onbevooroordeeld zélf te onderzoeken en te proeven?

  2. Piet Nusteleijn schreef:

    Henk, natuurlijk, een terechte opmerking.
    Heb jij die ene regel gelezen over de beroemde en verwarde man?
    Het artikel is zeker interessant. Daarom zo opmerkelijk dat aan Osho mijns inziens bevooroordeelde opvattingen werden gehangen en ik wilde daar een beetje weerwerk opleveren.

Menu