Nadat we onze Thailandplannen bekend hadden gemaakt kreeg ik vaak de vraag of ik het niet moeilijk vond om zo ver van mijn kinderen te gaan wonen. Ik antwoordde dan meestal dat we sowieso al te ver van elkaar woonden om dagelijks of wekelijks bij elkaar over de vloer te komen, dat er voor skype en whatsapp geen verschil is tussen de afstand Deventer-Maashees en Deventer-Lampang en dat ik wel kan besluiten om dan maar niet te gaan, om dan misschien na een jaar van mijn zoon te moeten horen dat hij naar Australië verhuist of iets dergelijks. Natuurlijk is het leuker als je spontaan kan besluiten even langs te gaan, maar vandaag de dag zijn er volop alternatieve contactmogelijkheden.

Afgelopen week was Coen bij ons in Lampang. Een tussenstop op weg naar, je raadt het al, Australië. Hij heeft zijn baan opgezegd, zijn huis verkocht en gaat daar voorlopig voor een jaar werken. Na dat jaar voldoet hij nog net aan de leeftijdseis om er nog een jaar aan vast kan knopen, maar wat hij dan precies gaat doen is nu nog helemaal open. Anderhalf jaar geleden was hij hier ook. Zes weken voor zijn vertrek indertijd had hij Lieneke ontmoet; nu was ze erbij. Anderhalf jaar wachten voor je de vriendin van je zoon ziet en die dan meteen een week op bezoek hebben, dat is een bijzondere manier van kennismaken. Het bleek een hele aangename manier te zijn.

We hebben de gelegenheid aangegrepen om zelf ook weer eens toeristisch te doen. Zo hebben Thailands oudste nog complete tempel bezocht, maar ook een van de nieuwste, die zelfs nog in aanbouw is. Wat Santi Nikhom Samakkhi Tham is al een langer bestaand tempelcomplex, waar momenteel gewerkt wordt aan een nieuw gebouw dat in 4 verdiepingen de hemel (ik noem het zo maar even), de hel en de lagen daartussen verbeeldt. Een enorme Boeddha zit voor het gebouw, waaraan nog volop gewerkt wordt. De hemel en de hel zijn klaar, maar de rest is nog een bouwplaats. In Thailand is dat geen bezwaar om de boel gewoon open te stellen voor bezoekers. Tussen de cementkuipen en muurschilders door kan je afdalen in de hel of klimmen naar de hemel.

De vormgeving van de hel zouden we in goed Nederlands het beste kunnen omschrijven als “over the top”. Er worden tongen uitgetrokken, mensen aan cactussen gespiest, groepjes gezellig in grote potten gekookt. Het gekerm schalt door de ruimte. De boodschap is duidelijk: wees een goed mens, anders staat je grote ellende te wachten. De broeders op de lagere school kwamen vroeger bij de beschrijving van de hel niet verder dan de plek waar je eeuwig zou branden. Dat was zo abstract dat het me niet in de kerk heeft kunnen houden. Had ik als kind deze hel gezien, dan was ik ongetwijfeld nog iedere zondag sidderend naar de mis gegaan.

In de hemel is alles prachtig mooi. Maar ook een beetje saai. Het valt natuurlijk ook niet mee om het eeuwige geluk te visualiseren.

Wat Phra That Luang Lampang wordt beschouwd als de oudste tempel in Thailand die nog helemaal compleet is. Het hoofdgebouw bestaat uit een gelaagd houten dak, dat oorspronkelijk op boomstammen steunde. Inmiddels wordt het door betonnen pilaren gedragen, maar het is nog altijd een open constructie.

Als in de naam van een tempel “Phra That” staat betekent dat dat er een beetje as van de Boeddha bewaard wordt. Wat deze tempel extra bijzonder maakt is dat er in plaats van as wat haar van de Boeddha bewaard wordt.

Op het complex staan ook een 45 meter hoge chedi en verschillende bijgebouwen. Met één daarvan is wat bijzonders aan de hand. Tijdens de bouw is er een gaatje in de deur ontstaan. Bouwers ontdekten dat als hun ogen aan het donker gewend waren, de chedi ondersteboven op een muur geprojecteerd werd. Dit verschijnsel, een camera obscura, werd beschouwd als een mirakel en het gebouwtje kreeg de bijbehorende status, hetgeen in die tijd onder meer betekende dat er alleen mannen naar binnen mochten.

Dat laatste is nog steeds zo. Hoewel zo’n oude camera obscura heel bijzonder is, wordt deze in informatiebronnen nauwelijks genoemd. Ik had al wel van het bestaan gelezen, maar bij eerdere bezoeken het gebouwtje niet kunnen vinden. Met mijn westerse blik vond ik eigenlijk ook dat ik niet naar binnen kon in gebouwen waar Mieke niet in mag alleen omdat ze vrouw is. De nieuwsgierigheid werd toch te groot, dus deze keer zocht ik wat gerichter en vond al snel het gebouwtje, waarvan ik altijd had aangenomen dat het afgesloten was; logisch, voor een camera obscura moet je de deur dicht houden. Zo stonden vader en zoon, beiden actief in fotografie uiteindelijk samen in wat je het prototype van een camera kunt noemen. Om het beeld wat mooier te krijgen was er een scherm opgehangen. Dat maakte het inderdaad duidelijker, maar wel minder authentiek. De detaillering vond ik verbazingwekkend. Hoe langer we binnen stonden, hoe meer details opdoemden. Je kon de mensen langs de chedi zien lopen. Af en toe kwamen er mensen binnen, die zonder uitzondering concludeerden dat het te donker was om iets te zien en weer vertrokken. Met een van de modernste opvolgers van de camera obscura konden we het beeld verrassend goed vastleggen zodat we Mieke en Lieneke toch nog konden laten zien wat ze niet live mochten zien.

Doordat we oppas voor huis en honden hadden gevonden konden we nog mee voor een paar dagen Chiang Mai en Pai, het oude hippiestadje in de bergen.

Op de terugweg naar huis hebben we Coen en Lieneke afgezet in Chiang Mai. Inmiddels zitten ze op het bounty-eiland Koh Lanta, van waar ze via Maleisië en Singapore door zullen reizen naar Perth. Misschien zoeken we ze wel een keer op het komende jaar. Een goede reden voor een Australië-reis.

Mieke Kupers en haar echtgenoot François la Poutré wonen sinds januari 2017 in Thailand. Ze schrijven over zaken die hen aan het hart gaan en of op hun pad komen. Het paar woont in een klein, zelf van bamboe, klei, leem en zand gebouwd huisje in Noord Thailand.

Categorieën: Boeddhisme, Columns, Theravada
Tags: , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu