Het was grijs en regenachtig toen ik deze week op de begraafplaats in Beekbergen liep om het graf van mijn moeder te inspecteren. Ik was er zeker al een jaar niet geweest en wilde weten hoe haar graf er bij lag. Er verblijven bosdieren die er een zootje van kunnen maken, zogeheten grafzooi. Al vaker werden er putten en holen gegraven in de graven, zo zag ik in het verleden.
De begraafplaats ligt in de bossen en die natuur zet zich voort op die begraafplaats. Het lijkt wel of het schort aan onderhoud, de naast de verharde paden gelegen groene paden zijn slecht onderhouden – je kunt er zo doodvallen – en als er een eikel valt groeit er enkele weken later een boompje op een graf, of meerdere. De natuur prevaleert tot er vermoedelijk één keer per jaar wat onderhoud wordt gepleegd. Vermoedelijk door bosarbeiders die je normaal gesproken nooit daar ziet. Het heeft wel wat, dat ongerepte in een zeer geordende maatschappij.
Het graf lag er mooi bij, begroeid met mos en enkele struikjes. Naast het graf van mijn moeder zijn – in een ander graf- mijn Friese overgrootouders begraven. Op mijn moeders graf ligt een steen, mijn overgrootouders liggen onder een klassieke ferme staande steen. De stenen moeten wel een keer onderhanden worden genomen, mos bedekt de teksten. Of dat erg is weet ik niet. Hoewel er altijd mensen zijn die langs graven lopen om namen en familie te ontdekken. Graftoerisme?
De begraafplaats in Beekbergen is ook mijn toekomstig onderkomen, met de nadruk op onder. Ik ben de beheerder van zes graven met eeuwigdurende grafrust. Eén ervan reserveerde ik voor mezelf. Dat geeft gemoedsrust, met nadruk op rust.
Na de controle at ik een hapje in een restaurant in Hoog Soeren. Zoals dat hoort na een (toekomstige) begrafenis – die nog naar ik hoop – een tijdje op zich laat wachten.
De Veluwe lag er ook prachtig bij. Paarse heidevelden en een schitterende natuur. Weinig verdorde bomen door de hitte van de afgelopen tijd. Mijn ziel raakte verkwikt. Wat een bezoek aan een graf al niet kan veroorzaken.


Geef een reactie