
Sukhino vā khemino hontu, sabbe sattā bhavantu sukhitattā
Moge alle levende wezens vrij zijn van het lijden en al diens oorzaken.
Tan-tejasā bhavatu te jaya-maṅgal’aggaṁ
Moge de Boeddha de hoogste overwinningszege hebben.
Namu daishi henjō kongō
Bied ik eerbied aan Kobo Daishi.
‘Toen ik de vraag kreeg van een goede vriend van mij om met hem mee te gaan naar Zweden in december 2021, zei ik direct: ja. Het was net aan het einde van de Covid-pandemie en ik had net mijn relatie met mijn partner beëindigd en ook de relaties met familie verbroken. Dit waren grote besluiten, maar het was niet houdbaar meer. Ik klampte mij vast aan het idee dat ik ze iets verschuldigd was, dat ik mij aan hen moest bewijzen. De relatie met mijn partner was niet gezond; het was een farce van afhankelijkheid, escapisme en mijn behoefte om hem te ‘verzorgen’. Ik zocht iemand die de relaties met mijn omgeving kon vervangen, waarin ik mijzelf telkens in een slachtofferrol kon drukken wanneer het tegenzat, maar ook het zorgzame type kon zijn, de held. Bazig in de zin dat mijn visie de norm moest zijn, normatief. De projectie van mijn eigen ideeën en emoties op de ander: het moest gewoon gaan zoals ik wilde. Dat dacht ik tenminste. De realiteit ligt anders.
Dit idee was niet van mij. Ik ben zo geworden. De pandemiedagen begonnen als een ontlading en verzuchting van de stressvolle dagen van het student zijn in coronatijd. Eindelijk was daar een moment om even niks te ‘moeten’. De zomer van 2020 bracht mij veel goeds. Dagen bracht ik door op het strand, met of zonder vrienden. Ik liep door het Haagse Bos, luisterend naar Qawwali-muziek, naar podcasts over Advaita Vedanta of hardlopend op technomuziek. Ik zag dezelfde bomen, struiken en grasgronden elke week. Steeds anders, de ene keer meer groen dan geel. Andere keren, net andersom. In de herfst wilde ik meer aandacht besteden aan mijn familie. Zij woonden in een andere stad in het midden van het land. Ik kon niet zomaar naar hen toe vanuit Den Haag tijdens een pandemie. De afstand deed het gevoel van het worden van een ‘familieman’ nog sterker groeien. Niet zozeer de beëindiging van de relatie tussen mijn ouders in maart dat jaar. Nee, het was nu aan onszelf om te bepalen wat voor familie wij werden.
Het zit namelijk zo: ik kom uit een gebroken familie waarin mijn beide ouders rond 2004 in een vechtscheiding verzeild zijn geraakt. Huiselijk geweld was de norm. De gedwongen zwangerschap van mijn moeder was de norm. Eerwraak door mijn biologische vader was de norm. Als kind van zes jaar oud wist ik niet wat er op dat moment precies gebeurde, maar mijn broertje, zusje en ik wisten wel dat het niet goed was. Toen mijn moeder die specifieke avond werd opgewacht door voor mij onbekende mannen en mijn biologische vader, wist ik dat ik er voor mijn moeder moest zijn. Ik hoorde haar schreeuwen en kermen van pijn. Ik wilde mij losrukken uit de armen van deze onbekende mannen die ons vasthielden. Zij lachten ons uit en zeiden glimlachend dat er niks bijzonders gebeurde met mijn moeder. Zij wisten namelijk van het plan om mijn moeder te verkrachten en haar tong er af te snijden, zodat zij niet kon spreken over de verkrachtingen en mishandelingen. Ik was razend, huilde terwijl ik tandenknarsend moest accepteren dat ik machteloos was. Diezelfde avond zijn mijn broertje en zusje en ik door hen meegenomen naar Rotterdam vanuit Zoetermeer en zagen we onze moeder niet meer. Gelukkig kwam de politie niet veel later om ons op te halen uit een gebouw genaamd de Peperklip. Zij arresteerden mijn biologische vader en later in de nacht zagen wij onze moeder op het politiebureau huilend, afgetakeld maar veilig.
Zij heeft ons gepoogd op te voeden hoe zij dat het beste kon, als alleenstaande moeder in een portiekflat. Met torenhoge schulden, trauma’s uit haar eigen jeugd en uit haar gedwongen huwelijk en het verlies van een toekomst als zelfstandige vrouw. Zij was er voor haar kinderen, op haar manier. Helaas was dit niet zo voor ons. Zij was het tweede kwaad, waarin wij wekelijks werden afgetakeld wanneer zij boos was. Zij heeft nooit geleerd hoe om te gaan met emoties. Zij communiceerde niet wat wij moesten doen. Er werd vooral afgedwongen. Wij werden onzeker gemaakt en konden daardoor nauwelijks zelf besluiten nemen of normaal praten. Alles moest gaan zoals mijn moeder dat wilde; als een bazin nam ze het lichaam van mijn moeder over en dwong ze zekerheid en controle af. Vooral van de kinderen die ze ‘nooit had gewild’ van haar verkrachtende echtgenoot. En wie haar tegensprak, koos de kant van haar verkrachter, mijn biologische vader. Tot ik volwassen werd, was mijn alledaagse leven zo. Het stond in de volledige schaduw van de onverwerkte trauma’s van mijn moeder. Maar ook die van mij. Ook wanneer zij toch een nieuwe liefde vond, die ik gewoonweg papa noemde, bewapende zij haar trauma’s om ons ‘op te voeden’. Ze was blind gevangen in een eindeloze spiraal van boosaardigheid, dwaasheid en hebzucht en nam zo haar eigen kinderen mee. Generatie op generatie gebeurde dit al. Met kolonialisme, slavernij, armoede, politieke onderdrukking, hongersnood, of dit in Brits-India was, Suriname of Nederland.
Ze voedde ons op zoals haar familie haar opvoedde: met religieuze normen en waarden. Wij waren namelijk hindoeïsten en als zodanig werden bepaalde dingen van ons verwacht door de gemeenschap, de pandit en familieleden. Mijn moeder kon moeilijk tegen de conventies en familiedruk ingaan omdat zij simpelweg een vrouw was. Eerwraak was het recht van de man wanneer zijn waardigheid was aangetast. Bhagwan hoort je smeekbedes, zolang je maar kostbare offers brengt. De connectie is snel gemaakt door wie kwaad wil doen en een religieuze rechtvaardiging zoekt. Zeker als je gelooft dat je ziel en eer verbonden zijn met god.
Het hindoeleven bepaalde ook mijn leven. Ik ging er wel anders mee om. Vragen die niet door mijn moeder en haar nieuwe vriend beantwoord konden worden, zocht ik in de boeken in de bieb of in de heilige geschriften. Als getraumatiseerd kind zonder de liefde van mijn ouders, voelde de godin van educatie en muziek aan als een echte moeder. Sarawati bracht mij de zorg en kennis, terwijl Ganesha, een vaderfiguur, stond voor verandering in deze alledaagse hel. Als puber kwam ik namelijk uit de kast als biseksueel. Omdat mijn moeder slachtoffer was van genderbased geweld, verwachtte ik een reactie van herkenning en support. Ook stelden de Veda’s hier geen gekke regels voor op. Het was een koude douche en een afwijzing. Gelukkig boeide het de godin met vier armen en de god met een olifantenhoofd dit niet. Maar ik was boos en verdrietig en moest dealen met de worsteling tussen de verwachting van moedersliefde en de afwijzing voor wie ik eenmaal ben.
Tijdens de pandemie, 5 jaar later, woonde ik zelfstandig in Den Haag. Niets moest; ik kon vrij over het strand lopen zonder de haat van mijn moeder. In het bos werd ik omarmd door de natuur en toegezongen door de vogels; in de stad werd ik verwelkomd door de ratten bij het spui. Ik liep, luisterend naar de zang van Nusrat Fateh Ali Khan in mijn oortjes over het vinden van Allah in de liefde. Ik zocht, denk ik, naar God. Ik luisterde naar de podcast over Advaita Vedanta die me vooral vertelde wat atman niet was. (en daarmee ook Brahman) Ik luisterde naar de antwoorden, maar ik had inmiddels wel die niet te vinden. Ik hoorde vooral: ‘Kom bij ons; wij zijn er voor je zolang je doet wat wij zeggen dat je moet doen.’ Normatief, ongezond en het bewapenen van trauma’s dus. Zo werkt religie met god als antwoord. Geweld, verkrachting, eenzaamheid, afwijzing etc. Allemaal blijkbaar niet gods, maar ze zijn er toch, ook door hen.
Groen en geel, de kleuren van de bladeren, Haagse kleuren geel en groen. Er was meer ellende dan god. Meer goden dan niet-goden. Het klopte gewoon niet. Alles voelde zo plakkerig aan als het zweet in mijn sportkleding. ‘Het’ wilde van me dingen die ik niet kon leveren. Mijn moeder was zo. Mijn partner was zo. De maatschappij was zo. Klef en hebberig voelde de wereld aan. Ik wilde gewoon rust. Met ogen dicht haalde ik diep in, en ademde rustig weer uit. Rust. De vogels hoorde ik weer zingen; de groene bladeren zag ik weer dansen. Het warme zonlicht in mijn gezicht. Niets was het antwoord. Sunyata, de leegte van dingen. Als metamorfose vooral een proces is van ontleren en accepteren, dan begon dat voor mij met het afstand nemen van mijn drugsverslaafde partner en mijn narcistische moeder en het vinden van mijn eigen onderdrukte stem. Het Shingonboeddhisme heeft me daarbij geholpen.’
Was getekend A. P. Ariyagupta. Wilt u ook uw ervaringen met het boeddhisme delen, mail ze dan naar redactieboeddhistischdagblad@upcmail.nl

