Antropologen bestuderen menselijke culturen en de ontwikkeling van de mens als onderdeel van een maatschappij. Deze serie artikelen in het Boeddhistisch Dagblad pretendeert niet volledig te zijn. Over vrijwel ieder thema valt ontegenzeggelijk veel meer te zeggen, en bepaalde zaken komen zelfs niet of nauwelijks aan bod. Voor wie door deze serie in antropologie geïnteresseerd raakt, is er meer dan genoeg boeiende, verdiepende literatuur te vinden.
De antropologie houdt zich bezig met de beleving van religie en de plaats van religie in de samenleving. Waarom? Omdat religie bij uitstek geschikt is om symbolen, rituelen, normen en waarden te onderzoeken en vervolgens te duiden. Het gaat daarbij om religieuze structuren in de samenleving en de beleving van religie door het individu. Wat in de ene cultuur op religieus gebied heel gewoon is of zelfs op prijs wordt gesteld, is in een andere cultuur ongewoon of zelfs taboe. Neem het afbeelden van goden, profeten, heiligen, engelen, demonen en andere figuren: de Islam verbiedt het afbeelden van de profeet Mohammed terwijl Christenen juist talrijke afbeeldingen (verbeeldingen) hebben van Jezus Christus. Hindoes hebben allerlei beeldhouwwerken van allerlei verschillende goden en halfgoden. En het boeddhisme kent beelden, schilderijen en tekeningen van diverse bodhisattva’s, deva’s en demonen. Het is allemaal symboliek. (Ook een verbod is uiteindelijk symbolisch.)
Religie staat doorgaans bol van de rituelen. Religies schrijven in meer of mindere mate voor hoe vaak en waar je moet bidden; welke houding je moet aannemen en hoe je je handen moet vouwen…Dat soort zaken verschilt per religie. Religies verschillen ook in voorschriften over onder meer wat je wel of niet mag eten, wanneer, waarmee, met wie, hoe bereidt en ga zo maar door. Waarden en normen spelen een belangrijke rol. Iedere religie verwoordt dat op de eigen manier: soms in een puntenlijstje (zoals “de tien geboden”) en soms in soetra’s, soera’s, aforismen, metaforen, gedichten, liederen en wat al niet meer.
Al met al is het bestuderen van religies voor antropologen interessant. Er kan op twee manieren kennis over religies worden verzameld: van buitenaf en van binnenuit. Van buitenaf krijg je vooral inzicht in een geloofssysteem, van binnenuit krijg je vooral inzicht in geloofsbeleving. Belangrijk daarbij is de vraag of er überhaupt onderscheidt is te maken tussen het heilige en geestelijke (het sacrale) en het alledaagse, wereldse (het profane) en tussen het natuurlijke en bovennatuurlijke. En ALS je onderscheid kunt maken, wat merk je daar dan van in een samenleving? Daar hebben antropologen verschillende visies op.
Volgens de een bestaat het bovennatuurlijke in elke samenleving, maar geven ze daar op verschillende manieren uiting aan. Ieder mens heeft een zeker beeld van wat natuurlijk en wat bovennatuurlijk is (of onnatuurlijk), maar de manier waarop hij / zij dat in het eigen leven tot uiting brengt, verschilt van persoon tot persoon. Sommige antropologen betwijfelen echter of het onderscheid tussen natuurlijk en bovennatuurlijk wel in alle samenlevingen voorkomt. En weer anderen menen dat elk religieus geloof het etiket “bovennatuurlijk” verdient. En tenslotte zijn er antropologen die menen dat geloof in het bovennatuurlijke fluïde is dus kan komen en gaan. Hoe ook: voorop staat dat respect voor iedere religie en levensovertuiging noodzakelijk is om tot begrip te kunnen komen.
Ik neem aan de term “bovennatuurlijk” een etnocentrische visie behelst. Dat houdt in dat mensen de inhoud van de term “bovennatuurlijk” beschrijven vanuit de eigen cultuur. Westerlingen vullen het begrip ‘bovennatuurlijk’ daardoor vaak anders in dan leden van niet-westerse samenlevingen. Voor westerlingen betekent ‘natuurlijk’ doorgaans ‘logisch, wetenschappelijk en normaal’ en ‘‘bovennatuurlijk’ betekent dan ‘mythisch, niet rationeel, met geesten en goden, vreemd’. Westerlingen krijgen daardoor het idee dat een natuurlijke, rationele wereld de enige mogelijke wereld is. Alles wat daar niet aan voldoet, is gewoon niet echt! Dit idee is evenwel in veel niet-westerse samenlevingen niet terug te vinden als feitelijke waarheid. Het verborgene, innerlijke, lichte, onzichtbare en ongrijpbare is in allerlei culturen net zo ‘natuurlijk’ als het openbare, uiterlijke, materiele en meetbare. Wanneer je gelooft dat ieder lichaam een natuurlijke uiting is van het bovennatuurlijke, kun je dat ervaren als zijnde ‘een waarheid als een koe’, en dat kun je tot uiting laten komen in de dagelijkse praktijk. Onderscheid tussen ‘het natuurlijke’ en ‘het bovennatuurlijke’ is dus niet zo natuurlijk als het lijkt. Wanneer je daar toch onderscheid in maakt, is je dat wellicht (onbewust) ingegeven vanuit een dualistische – vaak westerse – blik. Menig levensovertuiging gaat er echter van uit dat ‘het natuurlijke of fysische’ en het ‘onnatuurlijke of metafysische’ onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ze vormen een eenheid.


Geef een reactie