Veel is geschreven over de vier Brahmavihara’s.
In het Pali worden ze respectievelijk metta, karuna, mudita en upekkha genoemd, in het Nederlands meestal liefdevolle vriendelijkheid, compassie, medevreugde en gelijkmoedigheid.

De Brahmavihara’s zijn de vier verheven toestanden van de geest. Tegelijkertijd zijn dit de methoden in de verdere beoefening van het boeddhistische pad. Op mijn blog besprak ik twee boeken over de eerste twee, met name over metta.

Over mudita, ofwel medevreugde

MuditaDit is een onbegrijpelijk weinig genoemde en beoefende Brahmavihara, hoewel u dat na het lezen van deze tekst misschien wel wat beter begrijpt: het is moeilijker dan ik dacht. Het meest bijzondere van mudita is dat het de gemoedstoestand ‘vreugde’ betreft. Het boeddhisme, en zeker de Theravada waar de Brahmavihara’s in beoefend worden, staat niet als frivool bekend, eerder als ernstig, als het lijden benadrukkend. Toch gaat het nadrukkelijk wel om ‘vreugde’; in het Pali zijn daar minstens twee woorden voor:

  • Sukha:een aangenaam gevoel: plezierig, vreugdevol (inderdaad, het pendant van dukkha);
  • Piti: niet een gevoel of gewaarwording , maar kan beschreven worden als ‘vreugdevolle interesse’ (zie Sleutel tot inzicht) Piti is ook één van de zeven factoren van Ontwaken (evenals trouwens upekkha, de vierde Brahmavihara).

Overigens wordt in veel Engelstalige literatuur de termen happy of happiness in dit verband gebruikt, ‘geluk’ dus in het Nederlands. Die term wil ik liever vermijden omdat het makkelijk iets permanents suggereert, zoals ik heb benadrukt in een eerdere blog.

‘Medevreugde’ wordt algemeen als adequate vertaling van mudita beschouwt. In het Engels is het kennelijk iets lastiger. Leigh Brasington geeft de voorkeur aan appreciative joy, dus ‘waarderende vreugde’ boven de meestal gebruikte vertalingen van het Pali-woord als sympathetic joy, empathetic joy of  joy at the good fortune of others. Zijn toelichting hierop:

The later commentaries indicate that one always feels mudita for others – but the suttas indicate that one does all 4 Brahma Vihara practices for oneself as well as others. Thus ‘appreciative joy’ more closely captures this emotion.

Voor de achtergrond van deze opmerking (waar ook Salzberg aan refereert): zie het citaat uit de Visuddhimagga aan het eind van deze blog.

‘Vreugde’ dus. Het merkwaardige en mijns inziens jammere is alleen dat in een aantal van de teksten over mudita helemaal niet zoveel vreugde te merken is. Laat ik beginnen met een van de weinige in het Nederlands vertaalde boeken die er over gaan.

In Liefdevolle vriendelijkheid – Een ander perspectief op geluk door Sharon Salzberg gaat hoofdstuk 8 over medevreugde. Bij dit boek vallen mij nog een paar andere zaken op:

  • Salzberg zegt op pagina 30 dat de andere drie verheven verblijfplaatsen (mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid) voort komen uit metta, dat deze gemoedstoestanden ondersteunt en uitbreidt. Dit lijkt mij onjuist; er is in de Pali Canon ook geen aanwijzing voor deze stelling. Er is zeker enige overeenkomst en verband tussen de vier, maar het gaat om afzonderlijk te beoefenen Brahamavihara’s, in de volgorde waarin ze steeds genoemd worden. Overigens: op pagina 145 relativeert ze zelf wel deze eenzijdige kijk;
  • Als het gaat om formele meditatie dan komt de vreugde van de ander (en ook die van mezelf) helemaal niet aan de orde. In feite zijn de teksten die men tijdens de meditatie voortdurend uit kan spreken kleine variaties op die van de veel meer beoefende metta-meditatie: “moge …gelukkig zijn” etc.

Iets vergelijkbaars valt te zeggen over Het hart van de revolutie door Noah Levine waarvan het 11e hoofdstuk over medevreugde gaat. Hij differentieert de uit te spreken meditatie-zinnen meer dan Salzberg doet. Hoewel m’n eigen ervaring met mudita-meditatie zeer beperkt is, vind ik de voorgestelde zinnen in deze teksten zeer waardevol en bruikbaar. Over achtereenvolgens iemand waarmee ik een goede relatie heb (een vriend of, in de klassieke terminologie, een weldoener), een neutraal persoon, een vijand en alle levende wezens in alle richtingen van de wereld, wordt bij herhaling de wens geformuleerd:

Moge deze vreugde die je hebt, doorgaan en groeien.
Moge je succesvol zijn en gewaardeerd worden.

Guy Armstrong (zie onder) gebruikt de woorden: “May your happiness and good fortune continue and increase“. Gil Fronsdal benadrukt dat het gaat om delen (sharing, zegt hij) van vreugde. Je bent vrij woorden en vreugdevolle situaties te kiezen: wat maar werkt, gebruik je imagination. Begin je meditatie om in te zoomen op het verschijnsel ‘vreugde’, ga niet gelijk (‘formeel’) mediteren. Kies daarna frasen in vorm van intentie en wens, kies welke in je op komt bij deze persoon, zoals “may your joy continue” of “may your success continue“. Ajahn Viradhammo benadrukt niet te sterk aan allerlei eigenschappen van een concrete persoon te denken maar aan je gevoel bij (de vreugde van) die persoon. En dan een frase als “may your joy continue” en probeer je positieve empathie voor die persoon voor te stellen.

Opvallend vind ik de mededeling van Salzberg (die ik ook elders heb gelezen): “Traditioneel wordt medevreugde beoefend door het meeleven met anderen en niet ten opzichte van onzelf”. Gelukkig vervolgt ze met: “Wat essentieel is om ten opzichte van onszelf te ontwikkelen, is het vermogen om zich te verheugen en dankbaar te zijn.” (pagina 14)

Goed gezegd, vind ik.
Levine laat de meditatie wel met de meditator zelf beginnen:

Moge ik de vreugde gaan waarderen die ik ervaar, zonder er aan te hechten.
Moge de vreugde die ik ervaar, continueren en groeien.
Moge ik vervuld zijn van dankbaarheid.

Gezien de diverse (Engelstalige) teksten die ik over mudita gelezen heb, zijn dit min of meer de standaard-teksten uit de Theravada-traditie, maar het merkwaardige is dat steeds de ‘dubbele vreugde’ (van de persoon waaraan ik denk èn van mezelf) in de zinnetjes ontbreekt.
Verder moet ik zeggen dat ik daar iets vrijblijvends in vind zitten. Medevreugde beoefenen is voor mij pas echt van waarde, zeker als het gaat om de zo makkelijk optredende steken van jaloezie onder ogen te zien, als ik me echt de vreugde van een ander probeer voor te stellen; het succes, de welvarendheid, de vele (internet)volgers, het geslaagde gezin, de gepubliceerde boeken etc. In abstracte zin hopen dat alle levende wezens hun geluk en voorspoed mogen continueren is vergeleken daarmee tamelijk makkelijk.

Daarentegen lees ik in diverse bronnen: “Ze werken wel, deze muditatie-meditatie maakt wel dat echte medevreugde ontstaat.” Omdat bovendien voor de meditatie wel concentratie vereist is (minstens wat meestal ‘toegangsconcentratie’ wordt genoemd), en denken en meditatieve concentratie maar beperkt samengaan, is volgens mij een meervoudige beoefening gewenst:

  1. Medevreugde beoefenen in het dagelijks leven is steeds mogelijk. De moeilijkheid (voor mij) is dat het zo makkelijk door oordelen
    wordt vertroebeld over over het geringe spirituele karakter van de vreugde waarvoor dan medevreugde gevraagd wordt.
  2. Beoefening in de vorm van formele meditatie, waarvoor dan gestandaardiseerde teksten als die van Salzberg, Levine en anderen (zie verdere bronnen hieronder) gehanteerd kunnen worden.
  3. Contemplatie op de medevreugde, waarbij het woord ‘contemplatie’ – los van de katholieke context – omschreven kan worden als
    ‘diep denken’ over een samenhangende betrekkelijk korte tekst. Een mooie contemplatie vind ik die van de monnik Nyanaponika.

Wat betreft het in de eerste vorm genoemde probleem van het oordelen: natuurlijk zijn er allerlei vormen van uiten van vreugde of redenen tot vreugde die niet mijn morele toets doorstaan, bijvoorbeeld als het om materiële of andere niet-spirituele vreugde gaat of er ordinair uiting aan wordt gegeven. Als extreme vorm wordt wel genoemd: sadistische vreugde. Daar kan je toch geen mudita bij hebben, daar past eerder karuna (compassie)? Deze combinatie en balans tussen mudita en karuna lijkt me een goed onderwerp voor contemplatie, maar de twijfel of de vreugde wel spiritueel genoeg is moet me niet weerhouden medevreugde te beoefenen. Zie hiervoor ook het citaat uit Nyanaponika hieronder.

De huidige mudita-meditatie wordt nog sterk beïnvloed door de opvattingen van de vormgever van het Theravada-boeddhisme, Buddhaghosa. Wat ik vooral problematisch vind is zijn opvatting over de ‘nabije vijand’ van medevreugde (dat is een soort schijnbare vriend in deze orthodoxie):

Wanneer we uitbundig blij zijn om de materiële welvaart van een ander, dan is dat de naaste vijand van medelevende vreugde. Bijvoorbeeld als een vriend een prijs in de lotto heeft gewonnen of hij heeft een nieuwe stereo-installatie gekocht, dan delen we vaak in die vreugde. Maar dit is geen medelevende vreugde, omdat we in feite delen in de bevrediging van hebzucht of gehechtheid. (Manjuvajra, pagina 15).

Letterlijk noemt Buddhaghosa ‘home life‘ als de ‘near enemy‘; zie het citaat uit zijn Visuddhimagga onderaan deze blog. Ik vind daarvan: ik weet ook wel dat dit soort aanleidingen van vreugde onheilzaam zijn, en natuurlijk is al het (niet-spiritueel) succes betekenisloos; maar concentreer je nu een keer op medevreugde als je eigen gemoedstoestand, en niet op ethische opvattingen ten aanzien van anderen. Dat komt wel weer aan de beurt.

Nog iets anders valt mij in het hoofdstuk 8 van Sharon Salzberg’s boek op: er komt zo weinig vreugde in voor! Bijna alle tussenkopjes zijn tobberig van aard: beoordeling, vergelijken, vooringenomenheid, kleineren, afgunst, hebzucht, verveling. Het psychologische proces van hoe vreugde bij de ander, bijvoorbeeld een glimlach, zien vreugde op kan roepen komt niet aan de orde.

Wat in geen van de teksten voorkomt is een verwijzing naar bevindingen in recente neurowetenschap over het bestaan en functioneren van spiegelneuronen (zie de Nederlandse en de meer uitgebreide Engelse wikipedia). Medevreugde kan deels ontstaan omdat ik wil dat het ontstaat, maar deels is het ook een proces van empathie, ontstaan door het nog niet goed begrepen functioneren van deze neuronen. Datzelfde geldt trouwens compassie, de tweede van de Brahmavihara’s: ik lijd omdat (en doordat) jij lijdt.

Vindplaatsen van de Brahmavihara in de oude teksten.

Hoewel ze ook in het Mahayana worden beoefend, is de bron van de beoefening te vinden in de Pali Canon. In diverse sutta’s worden de Brahmavihara’s genoemd, meestal als viertal, soms alleen de metta zoals in de bekende Metta Sutta. Wat betreft de verhouding Mahayana – Theravada: ik las onlangs de stelling van een boeddholoog dat in de Theravada vooral de metta (liefdevolle vriendelijkheid) wordt beoefend en in Mahayana vooral de karuna (compassie). Ik weet niet of dat echt zo is en hoe dat geïnterpreteerd moet worden (laten we dat ook maar niet proberen). Maar, al is het niet waar, het is mooi gevonden.

Het meest uitgebreid komen de vier Brahmavihara’s aan de orde in het Tevijja-Sutta, de 13e van de Digha-Nikaya (Nederlands: De verzameling van lange leerredes). Over mudita, in de vertaling van de Breet en Janssen:

Met een geest vervuld van medevreugde doordringt hij zo lang als mogelijk één winstreek, evenzo de tweede, de derde en de vierde. Aldus doordringt hij zo lang als mogelijk de hele wereld overal, alom, naar boven, naar beneden en horizontaal met een geest vervuld van medevreugde, wijds, groots, onmetelijk, vrij van haat en vrij van boosaardigheid.

Wat hier opvalt dat de medevreugde niet concreet gericht wordt op een persoon of personen. Wat ook opvalt als men de sutta’s vergelijkt waarin de Brahamavihara’s genoemd worden, dat het ultieme resultaat van (langdurig) in een verheven staat zoals ‘medevreugde’ verblijven, niet steeds dezelfde is. Soms is complete verlichting (‘ontwaken’ is een betere term) het resultaat en soms een van de grote stappen in dit pad. Duidelijk is wel dat het de bedoeling is dat ze alle vier beoefend worden en dat het bepaald om meer gaat dan alleen maar een goed gevoel krijgen: het gaat om transformaties.

Andere plaatsen in de Pali Canon waarin ze voorkomen (met dank aan m’n vrienden van de Leidse leesgroep boeddhistische teksten):

  • Majjhima-Nikaya (De verzameling van middellange leerredes): MN 7, MN 40, MN 62, MN 99.
  • Digha-Nikaya 19.
  • Anguttara-Nikaya 10 208 Brahmavihara Sutta: The Sublime Attitudes (geen Nederlandse vertaling)

Internet-bronnen:

Talks en guided meditations (alles Engelstalig)

In volgorde van veel naar weinig enthousiasme (vreugde) bij mij oproepend:

 

Teksten over mudita

Naast de betreffende hoofdstukken uit de boeken van Salzberg en Levine ken ik nog één andere Nederlandse tekst: De 4 Brahma Vihara’s, door Manjuvajra, uitgegeven door ‘De drie Juwelen’. Het boek is als PDF te downloaden.

Verder een paar Engelstalige teksten die ik het interessantst vind:

The Inter-relations of the Four Sublime States

How, then, do these four sublime states pervade and suffuse each other?
[…]
Compassion prevents love and sympathetic joy from forgetting that, while both are enjoying or giving temporary and limited happiness, there still exist at that time most dreadful states of suffering in the world. It reminds them that their happiness coexists with measureless misery, perhaps at the next doorstep. It is a reminder to love and sympathetic joy that there is more suffering in the world than they are able to mitigate; that, after the effect of such mitigation has vanished, sorrow and pain are sure to arise anew until suffering is uprooted entirely at the attainment of Nibbana. Compassion does not allow that love and sympathetic joy shut themselves up against the wide world by confining themselves to a narrow sector of it. Compassion prevents love and sympathetic joy from turning into states of self-satisfied complacency within a jealously-guarded petty happiness. Compassion stirs and urges love to widen its sphere; it stirs and urges sympathetic joy to search for fresh nourishment. Thus it helps both of them to grow into truly boundless states (appamanna).
Compassion guards equanimity from falling into a cold indifference, and keeps it from indolent or selfish isolation. Until equanimity has reached perfection, compassion urges it to enter again and again the battle of the world, in order to be able to stand the test, by hardening and strengthening itself.
Sympathetic joy holds compassion back from becoming overwhelmed by the sight of the world’s suffering, from being absorbed by it to the exclusion of everything else. Sympathetic joy relieves the tension of mind, soothes the painful burning of the compassionate heart. It keeps compassion away from melancholic brooding without purpose, from a futile sentimentality that merely weakens and consumes the strength of mind and heart. Sympathetic joy develops compassion into active sympathy.
Sympathetic joy gives to equanimity the mild serenity that softens its stern appearance. It is the divine smile on the face of the Enlightened One, a smile that persists in spite of his deep knowledge of the world’s suffering, a smile that gives solace and hope, fearlessness and confidence: “Wide open are the doors to deliverance,” thus it speaks.
Equanimity rooted in insight is the guiding and restraining power for the other three sublime states. It points out to them the direction they have to take, and sees to it that this direction is followed. Equanimity guards love and compassion from being dissipated in vain quests and from going astray in the labyrinths of uncontrolled emotion. Equanimity, being a vigilant self-control for the sake of the final goal, does not allow sympathetic joy to rest content with humble results, forgetting the real aims we have to strive for.

 

Passages over ‘mudita’ in de Path of Purification (Visuddhimagga) door Ven. Buddhaghosa

Deze tekst uit de 5e of 6 eeuw is grondleggend voor het Theravada-boeddhismen en dus ook voor beoefeningen zoals de Brahmavihara-meditaties. Nog veel van deze klassieke tekst is terug te vinden in opvattingen van hedendaagse leraren. Niet ten onrechte, vind ik, maar wel moet bedacht worden dat het hier gaat om aanbevelingen aan celibataire, jonge monniken in een andere tijd en andere cultuur dan de onze.

(3) GLADNESS
84. One who begins the development of gladness (10) should not start with the dear person and the rest; for a dear person is not the proximate cause of gladness merely in virtue of dearness, how much less the neutral and the hostile person.
One of the opposite sex and one who is dead are also not the field for it.
85. However, the very dear companion can be the proximate cause for it—one who in the commentaries is called a “boon companion,” for he is constantly glad: he laughs first and speaks afterwards. So he should be the first to be pervaded with gladness. Or on seeing or hearing about a dear person being happy, cheerful and glad, gladness can be aroused thus: “This being is indeed glad. How good, how excellent!” For this is what is referred to in the Vibhaòga:
“And how does a bhikkhu dwell pervading one direction with his heart endued with gladness? Just as he would be glad on seeing a dear and beloved person, so he pervades all beings with gladness” (Vibh 274).
86. But if his boon companion or the dear person was happy in the past but is now unlucky and unfortunate, then gladness can still be aroused by remembering his past happiness and apprehending the glad aspect in this way: “In the past he had great wealth, a great following and he was always glad.” Or gladness can be aroused by apprehending the future glad aspect in him in this way: “In the future he will again enjoy similar success and will go about in gold palanquins, on the backs of elephants or on horseback, and so on.”
Having thus aroused gladness with respect to a dear person, he can then direct it successively towards a neutral one, and after that towards a hostile one.
87. But if resentment towards the hostile one arises in him in the way already described, he should make it subside in the same way as described under lovingkindness (§§14–39). .
He should break down the barriers by means of mental impartiality towards the four, that is, towards these three and himself. And by cultivating that sign, developing and repeatedly practicing it, he should increase the absorption to triple and quadruple jhána in the way already stated under loving-kindness.
Next, the versatility consisting in unspecified pervasion in five ways, specified pervasion in seven ways, and directional pervasion in ten ways, and also the advantages described as “He sleeps in comfort,” etc., should be understood in the same way as stated under loving-kindness.
This is the detailed explanation of the development of gladness.

Note 10. Muditá—”gladness” as one of the divine abidings is always in the sense of gladness at others’ success. Sometimes rendered as “altruistic joy” and “sympathetic gladness.”
…..

“100. Gladness has joy based on the home life as its near enemy, since both share in seeing success. Such joy has been described in the way beginning, “When a man either regards as gain the obtaining of visible objects cognizable by the eye that are sought … and associated with worldliness, or recalls those formerly obtained that are past, ceased, and changed, then joy arises in him. Such joy as this is called joy based on the home life” (M III 217). And aversion (boredom), which is dissimilar to the similar joy, is its far enemy. So gladness should be practiced free from fear of that; for it is not possible to practice gladness and be discontented with remote abodes and things connected with the higher profitableness simultaneously.”

Voor de echte diehards:
De hele Visuddhimagga in Engelse vertaling (ruim 800 pagina’s)

Op Joop Romeijn’s blog staat een bespreking van twee boeken over de eerste twee Brahmavira’s

Categorieën: Achtergronden, Boeddhisme
Tags: , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu