Robert Morris Sapolsky (1957) is professor aan de Amerikaanse Stanford Universiteit. Hij doceert er biologie en neurologie. Hij gaat regelmatig naar Afrika om bavianen te observeren en let daarbij speciaal op het ontstaan van stress. Hij is openlijk atheïst en ervan overtuigd dat er niet zoiets bestaat als een vrije wil. Omdat er geen vrije wil bestaat, kunnen we volgens hem niet verantwoordelijk worden gehouden voor onze daden en moeten we misdadigers niet straffen maar genezen. Hij constateert dat veel mensen aan de onderkant van de samenleving nooit een kans krijgen om iets van hun leven te maken en zelfs misdadigers worden zonder dat ze er zelf veel aan kunnen doen. Ze worden niettemin geminacht en moeten zware straffen ondergaan. Dit vindt hij onrechtvaardig en om dit uit te leggen heeft hij een dik boek geschreven.
Boeddhisme en marxisme: een nieuwe toekomst?
Er valt wat voor te zeggen dat het boeddhisme in de wereld moet worden aangevuld of begeleid door een politiek waarin niet het verlangen, maar de innerlijke vrede wordt gestimuleerd. Ambitie zou weer plaats moeten maken voor dienstbaarheid en welwillendheid. Alleen zo kan er een bloeiende wijsheidscultuur ontstaan en dat zou misschien wel het beste zijn wat de mensheid zou kunnen overkomen. Het is echter niet gemakkelijk om dit voor elkaar te krijgen en Priest geeft geen duidelijke analyse van het probleem. We zullen dit moeten overlaten aan de nieuwe generatie politici en misschien zullen sommigen daardoor worden geïnspireerd door het boek van Priest.
Het kapitaal
Karl Marx (1818–1883) heeft tijdens zijn leven weinig gepubliceerd. De meeste publicaties van hem werden pas na zijn dood verzorgd door zijn vriend Friedrich Engels (1820-1895). Hij is het meest bekend geworden door het pamflet dat hij samen met Engels in 1848 opstelde voor de Bond der Communisten. Het is natuurlijk terecht dat deze tekst bekend is geworden, want deze heeft een enorme politieke invloed gehad, maar de meest interessante nalatenschap van Marx is zijn driedelige studie getiteld “Het Kapitaal”.
Een nieuwe vertaling van de invoering tot de bodhisattvacarrière
Śāntideva was een Indiase boeddhistische monnik en geleerde, die leefde in India, in de 8e eeuw. Waarschijnlijk werd hij geboren in Gujarat. Hij was volgens legendes docent aan de bekende boeddhistische universiteit van Nalanda en wordt ook genoemd in het rijtje van de 84 mahāsiddha’s. Er zijn korte biografieën, die allemaal veel te mooi zijn om waar te zijn, maar uit de tekst blijkt dat hij zijn kennis van het boeddhisme goed op orde had en er veel waarde aan hechtte om deze door te geven.
Over vrijheid
Er zijn twee opvattingen van vrijheid: een negatieve en een positieve. Negatieve vrijheid betekent de afwezigheid van belemmeringen. Iedere burger is vrij om minister president te worden. Er zijn geen wetten die dit verbieden. Positieve vrijheid heb je als je niet alleen niet belemmerd wordt iets te doen, maar bovendien daartoe in staat wordt gesteld, dus als je de opleiding kunt krijgen en jezelf verkiesbaar kunt stellen. Het onderscheid tussen beide opvattingen heeft ingrijpende politieke consequenties. Rechtse partijen leggen de nadruk op negatieve vrijheid, want ze willen dat de overheid zich zo min mogelijk met het leven van de burgers bemoeit. Het gevolg is dat niet alle burgers gelijke toegang hebben tot onderwijs. Als je het niet kunt betalen, heb je gewoon pech, of je moet maar veel bijbaantjes nemen. Linkse partijen voelen zich verantwoordelijk voor het scheppen van gelijke kansen voor elke burger. Zij willen graag dat de overheid zich hiervoor inzet.
Waarom oorlog?
Waarom voeren mensen oorlog? Er is geen lol aan, het geeft een hoop rommel en het is erg ongezond. In een recent verschenen boek – Waarom we vrede willen maar oorlog voeren – proberen een archeoloog, een historicus en een evolutiebioloog een antwoord te vinden op deze zeer actuele vraag. Er zijn in het verleden trouwens wel eens eerder suggesties gedaan voor een antwoord. Zo zou oorlog in de menselijke genen zitten of een manier zijn van de evolutie om de zwakkeren geen nakomelingen te laten krijgen, of een soort straf van God. Al deze suggesties zijn echter niet gebaseerd op feiten en dus vonden de schrijvers het hoog tijd voor een wetenschappelijk onderzoek.
Een handleiding tot wereldburgerschap
Marc Van den Bossche (1960), hoogleraar cultuurfilosofie aan de Vrije Universiteit Brussel, bezocht enkele jaren geleden een filosofisch congres in het Zuid-Afrikaanse Bloemfontein. Daar hoorde hij namen van auteurs waar hij nog nooit eerder van had gehoord. Met een schrik realiseerde hij zich dat hij de afgelopen 45 jaar, waarvan hij 35 jaar aan de universiteit werkte, geen enkel boek van deze auteurs was tegengekomen. Hij had het gevoel dat hij in een soort koker had geleefd en zich dus geen wereldburger kon noemen.
Zenmummies
Iedereen die met zenmeditatie begint krijgt, onverbiddelijk de vele verhalen te horen die over de grote zenmeesters worden verteld. Een van de bekendste verhalen is dat van het koksmaatje Huineng of kortweg Neng, zoals Kuiken hem noemt. Er bestaan verschillende versies van het verhaal. Het vertelt hoe Neng, die leefde van 638 tot 713, als jongen op een keer iemand de Diamantsutra (Vajraccedikasūtra) hoorde opzeggen. Hij kreeg op slag het verlossende inzicht en reisde vervolgens naar het Oostelijk Meditatieklooster in Huangmei waar de abt de beroemde Hongren [弘忍 ] was. Daar vroeg hij om als monnik toegelaten te worden. Hongren was een beetje verbaasd en was niet erg geneigd om aan dit verzoek te voldoen. Uiteindelijk was Neng een Klao, een barbaar uit het zuiden en hij had totaal geen opleiding gehad. Hij kon niet eens lezen
Herenleed
De uitgeverij Otheo Books heeft het plan opgevat om een serie boeken op de markt te brengen met dialogen van bekende mensen. In een recent boek komen de Belgische theoloog Peter Schmidt en de filosoof Jean Paul van Bendegem aan het woord. Ze spreken met elkaar over wat zij beschouwen als de belangrijkste levensvragen. Het feit dat een gesprek over deze vragen in een boek wordt uitgegeven, bewijst dat ze ook verwachten dat veel mensen in het Nederlands taalgebied deze levensvragen interessant vinden.
De beenderen van de Boeddha
Aan het eind van de Mahāparinibbānasutta wordt de crematie van de Boeddha beschreven en ook wat er met de overblijfselen van het lichaam van de Boeddha is gebeurd. Er waren verschillende partijen die deze opeisten. De brahmaan Droņa deelde de as op in 8 delen en gaf elk van de eisende partijen een deel. Elk van deze 8 delen zou worden ondergebracht in een stoepa die daarvoor gebouwd zou worden en waar pelgrims de Boeddha zouden kunnen vereren. Droņa bouwde zelf een stoepa en een 10e partij bouwde een stoepa in Papphalivana voor de resten van de lijkkist.
Het wezen van het christendom
Het grootste struikelblok is ook bij Feuerbach de theodicee, de vraag hoe een goede almachtige God de mens aan zo’n aards tranendal kan onderwerpen. Deze vraag verdwijnt zodra je inziet dat God niets anders is dan een projectie van de mens. De theologie wordt zo een antropologie. De eigenschappen van God kunnen dan worden verklaard uit de voorkeuren en neigingen van de mens. Zo kun je ook de obsessie met wonderen in het christendom begrijpen.
Spel als reis door de kosmopolis
Het boek vraagt ook wel degelijk een zekere instemming van de lezer. Het is geschreven vanuit zekere veronderstellingen over de wereld, veronderstellingen die we aantreffen in de antroposofie, in de verschillende vormen van creatieve therapie en in de psychologie van Carl Gustav Jung. Hoewel de boodschap universeel pretendeert te zijn, zal een boeddhist of een moslim bijvoorbeeld zich niet in alle delen van de tekst kunnen vinden. De eenheid, die noodzakelijkerwijs wordt beschreven vanuit een helikoptervisie, vraagt bovendien een zekere afstandelijkheid en beïnvloedt de interpretatie van de verschillende filosofen en religies.












