In de spirituele literatuur wordt het niet-weten regelmatig in verband gebracht met wijsheid, openheid, liefde, mededogen, zachtmoedigheid, bescheidenheid, gemoedsrust en dergelijke. Diezelfde woorden vind je in de holle verkooppraatjes van uitgevers, boekhandelaars, leraren, coaches en andere handigerds die proberen een slaatje te slaan uit de geestelijke nood van de medemens. Maar helemaal uit de lucht gegrepen zijn die woorden nu ook weer niet.
Ben je werkelijk weteloos, zoals ik, dan heb je weinig reden om jezelf nog bloedserieus te nemen, koste wat het kost je zin door te drijven, je gedachten of die van anderen blindelings te volgen, een radicaal standpunt in te nemen, eenzijdige oordelen uit te spreken, onomkeerbare keuzes te maken, partij te kiezen ten koste van alle andere partijen of te vuur en te zwaard je gelijk te halen. Op het eerste gezicht heeft dat inderdaad iets weg van wat mensen wijsheid noemen. In werkelijkheid is het een natuurlijk gevolg van een diep doorleefd onvermogen; er komt geen greintje wijsheid aan te pas.
Van spirituele of morele superioriteit kan in een radicaal niet-weten geen sprake zijn. Agnose leidt niet tot bescheidenheid, het ís bescheidenheid, de kleinheid van een denken dat zich kapot gedacht heeft, dat zich kapot geschrokken is van zijn redeloze hoogmoed en daar nooit meer van herstelt – mijn denken in ieder geval niet, tot nog toe tenminste niet.
Door zo klein te worden als je bent, ontstaat er ruimte voor wat het ook is dat er toch al is, wat je er ook van denkt. Dus ook voor de bekrompenheid waarin die ruimte er nu eenmaal niet is – eventjes niet of nooit niet, in anderen niet of in jezelf niet.
Niet-weten is plaats hebben, ook voor plaatsgebrek.

