Waarom ik niet zonder mijn beperkingen kan leven maar wel met.
‘Heb jij overal ruimte voor, Hans?’
‘Ook voor bekrompenheid.’
‘Ik bedoel, sta jij echt overal voor open?’
‘Ook voor geslotenheid.’
‘Aanvaard jij werkelijk alles?’
‘Ook afwijzing.’
‘Heb je het nu over anderen of over jezelf?’
‘Niemand uitgezonderd.’
‘Begrijp ik het goed dat jij zelf niet vrij bent van bekrompenheid, geslotenheid en afwijzing?’
‘Dat begrijp je goed.’
‘Is dat een kwestie van keuze of van overmacht?’
‘Ik heb overal ruimte voor.’
‘Bedoel je daarmee dat het je niet uitmaakt, of dat je het niet weet?’
‘Ik heb overal ruimte voor.’
‘Wat is niet weten?’
‘Hoeveel weegt een ons?’
‘Niet-weten is overal ruimte voor hebben, dacht ik altijd.’
‘Dan ook voor wel-weten.’
‘Jij bent toch van NietWeten.nl?’
‘Ik ben nergens van.’
‘NietWeten.nl is toch van jou?’
‘Niets is van mij.’
‘Hè?’
‘Alles dan?’
‘Weten is toch juist…’
‘Ik heb overal ruimte voor.’
‘Jij hebt echt overal ruimte voor!’
‘Ook voor bekrompenheid.’

