Eerste deel van een drieluik over dementie en niet-weten. Tweede deel. Derde deel.

 

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: ‘Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?’
En mijn even oude vader: ‘Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.’
Ik zei: ‘Ik begrijp precies wat je bedoelt.’

 

Ton, Hans en Miep

 

Afgelopen donderdag, 26 april 2012, is mijn vader gecremeerd.
Antonius Jozef van Dam, roepnaam Ton.
Geboren op 6 september 1929, gestorven op 21 april 2012 om twee uur ’s nachts.
Graag wil ik je iets vertellen over zijn laatste jaren, waarin hij alles kwijtraakte: zijn verstand, zijn zelfbeschikkingsrecht, zijn vrouw, zijn geheugen en daarmee zijn vrienden, zijn familie, zijn kennissen en van lieverlee zijn hele verleden, zijn huis, zijn spulletjes, zijn zelfredzaamheid, zijn gezondheid, zijn eetlust, en ten slotte zijn leven.

Zijn vrouw raakte hij niet eenmaal kwijt maar vele malen.
Eerst aan hun dementie à deux, toen ze van de ene op de andere dag ophielden echtgenoten te zijn.
Mijn moeder werd zijn ‘nieuwe vriendin’, die hij ‘ongeveer drie weken geleden had ontmoet’ – ‘ja, waar eigenlijk, Miep, weet jij het nog?’ – en die nu bij hem ‘ingetrokken was’.
Waar mijn moeder daarvoor had gewoond wist ze niet meer: ‘Gek hè?’
Ik: ‘Schalkwijk?’
Miep: ‘Daar heb ik weleens van gehoord, ja.’
Ton: ‘Hoe weet jij dat nou? Dat wist ik nog niet eens.’
Het klikte wonderwel tussen de tortelduifjes, ‘alsof we elkaar al jaren kennen.’
Ze zaten voor het eerst sinds lange tijd weer naast elkaar op de bank, dicht tegen elkaar aan, Ton iets dichter bij Miep dan zij bij hem.
Content waren ze ook met hun ‘vakantiewoning’, het hoekhuis waar ze volgens mij al sinds 1965 woonden.
Hoe ze wisten dat het een vakantiewoning was?
Doordat de zolder, de schuur, de garage en een paar kasten afgesloten waren.
‘Daar bewaart de eigenaar natuurlijk zijn eigen spulletjes’.
Sleutels waren er nog genoeg, aan haakjes, in zakken, zakjes, potjes en blikjes, maar het verband met de sloten was verbroken.
De wijk waarin hun vakantiewoning stond, beviel best: ‘Lekker weinig Duitsers’.

Ook dit feest mocht niet duren.
Ton en Miep deden nog steeds samen boodschappen, maar hun voorraad boterhamzakjes, groene thee, aspirientjes en pepermuntjes werd wel heel groot.
Regelmatig bleek de supermarkt gesloten, ‘zonder enige reden’, ‘schandalig’, want zon- en feestdagen bestonden voor hen niet meer.
Waar ik vroeger nog weleens een bankbiljet toegestopt kreeg, trakteerde mijn vader mij nu op muntjes, handenvol, gloeiend van trots.
Metaal was nog altijd geld voor de man die een halve eeuw munten had verzameld.
Betalen deden ze alleen nog maar met hun hele portemonnee.
Zo’n koffiepad, waar moest die nou ook alweer in, en waarom is onze koffie nooit meer warm?
Telefoneren was ook niet meer wat het geweest was, vonden ze.
Je moest maar afwachten wie je aan de lijn kreeg tegenwoordig.
Aan welke kant van de hoorn moest je ook alweer spreken?
Toen ik de volgende week weer op visite ging, was de telefoondraad doorgeknipt.
‘O, is dat een telefoondraad?’
Even later: ‘Wie zou dat nou gedaan hebben?’
Opgewekt: ‘Maar de telefoon doet het nog gewoon, hoor.’
De huisarts was ineens verhuisd, meenden ze, het tuindorp waar hij praktijk hield was onherkenbaar veranderd, maar het was een mooie wandeling geweest en alles ging gelukkig naar wens.
Of ze nog genoeg medicijnen hadden, vroeg ik.
‘Waarvoor?’
‘Hoge bloeddruk.’
‘Wie?’
‘Hoge oogboldruk, diabetes, botontkalking.’
‘Wat?’
‘Bloedverdunners vanwege je TIA’s.’
‘Nee hoor, daar hebben wij allemaal geen last van.’
‘Niet?’
‘Stel je voor!’
Zelfs hun gebreken raakten ze kwijt.

Nadat de zomertijd was ingegaan liepen alle klokken en horloges ongelijk.
Vooral de kleine wijzers.
Sommige toonden de tijd op de Azoren, andere die van Greenwich, Amsterdam, Israël of Moskou.
Op de kalender bevroor de tijd: nooit zou er meer een einde komen aan de maand maart.
Mijn moeder werd op de vreemdste plaatsen aangetroffen, in de poort achter het huis, op blote voeten, beha over haar trui, cups op haar rug, helemaal in paniek; of in winkelcentrum Overvecht waar ze wildvreemden trakteerde op verwarde verhalen, en als een soort Ausweis haar portemonnee aanbood.
Ze werd bang voor mijn vader, die ze niet meer herkende, ook niet als haar nieuwe vriend.
Ze schreeuwde tegen hem, sloeg naar hem, sloeg met de deuren, poepte op het tapijt en werd ten slotte opgenomen in een psychiatrische inrichting voor crisisopvang.
Haldol en oxazepam maakten haar weer dociel.
Een maand later werd ze overgeplaatst naar de gesloten afdeling van verzorgingstehuis Tamarinde in Utrecht.
Weer een maand later trok mijn vader bij haar in met zijn eigen BOPZ Artikel 60-indicatie (dwangverpleging) en hielden ze weer zielsveel van elkaar.

Korte tijd later raakte mijn vader zijn vrouw opnieuw kwijt.
Ditmaal aan Magere Hein.
Peilloos was zijn verdriet.
Maar niet voor lang.
Tot zijn onuitsprekelijke geluk vond hij zijn liefste Miepje terug in een ziekbed in de huiskamer van zijn eigen afdeling.
Hoe het kon, vroeg hij zich niet af, zijn liefde stroomde weer.
Inderdaad leek deze medepatiënte best wat op zijn vrouw, mijn moeder.
Ze had ook grijs haar.
Ze was ook helemaal geel.
Een slechtere keuze was nauwelijks denkbaar.
Binnen een week gaf ze de geest en verloor Tonneman zijn geliefde opnieuw.
Twee keer sterven kan best.
Huilen, huilen, huilen.

Intussen vrat meneer Alzheimer of mevrouw Diabetes of wie er ook aan zijn hersenen knaagde(n), vrolijk verder, en wist mijn vader steeds minder van welke Miep hij nou eigenlijk zo vol was.
Ze kwam en ging, kwam in een andere gedaante weer terug, en ging.
‘Miep, Miep… ja, dat is mijn zus, daar heb ik… een hele speciale band mee… geloof ik…’
Zo bleef hij haar maar kwijtraken.

De laatste maanden van zijn leven verloor Ton ook zijn eetlust.
De smulpaap van weleer had geen trek meer.
Brood werd pap.
Pap werd appelmoes.
Appelmoes werd water.
Water werd bloedpoep.
Langzaam teerde hij weg.
Een onvrijwillige hongerstaking.
Vroeger dacht je dan aan Auschwitz, tegenwoordig aan Aids, ALS of Anorexia.
Of aan Alzheimer.
Als het maar met een A begint.
Of was het toch darmkanker?

De laatste maand kon hij niet meer staan.
De laatste week kon hij niet meer zitten.
De laatste dagen kon hij niets meer zeggen.
De laatste uren kon hij zijn ogen niet meer open doen.
Hij kon zijn ogen niet meer dicht doen.
Hij kon alleen nog maar ademen.
Hij kón niet meer.

Op vrijdagavond 20 april hebben we nog een hele tijd bij en aan hem gezeten.
Op zijn onderbenen en onderarmen bloeiden lijkvlekken op.
Zijn neus werd spits en wit.
Zijn handen namen de omgevingstemperatuur aan.
Zijn vingertoppen werden blauw, roze en weer blauw.
Hij hijgde als een pakpaard.
Zijn schedel met het zachte donshaar van een baby voelde merkwaardig koud en droog aan.
Zijn armen bleven maar werken.
Deken omhoog, deken omlaag, het liefst tegelijk, in een laatste, onbewuste poging van het lichaam om zijn temperatuur weer op orde te krijgen?
Keer op keer sloeg hij, of het, met grootse gebaren zijn houten klauwen in zijn gezicht, in een vergeefse poging om in z’n uitdrogende ogen te wrijven.
Of was het de hartenkreet van een stervende?
Ik dacht van niet.
Ik wist het niet.

Afscheid nemen ging niet meer.
Paarsgewijs dropen we af.
In afwezigheid van zijn naasten, en misschien ook in afwezigheid van zichzelf, blies hij in het holst van de nacht zijn laatste adem uit.
Of hield hij zijn laatste adem in?

Zucht.

 

Hans en Miep

 

Dit drieluik is samengesteld uit brieven aan vrienden en familieleden rond de tijd van het overlijden in de lente van 2012.  Tweede deel. Derde deel.

Deze tekst maakt deel uit van Zondagskindjes, een serie teksten over niet-weten die geen deel uitmaken van een serie.

 

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Categorieën: Hans van Dam Tags: dementie, dood, niet weten, en zondagskindjes 

5 reacties op Dolende zielen

  1. sjoerd schreef:

    Beste Hans,
    Een indrukwekkend requiem. Het herinnert mij het afscheid van mijn moeder in oktober 2013.
    Ik heb het met diepe stilte tot mij genomen en leef mee met jou en de jouwen.
    Hartelijke groet, Sjoerd

  2. Nirvair Kaur Curtis de Ruiter schreef:

    Touching the heart deeply…. thank you ever so kindly for this sharing!

    Ergens in een verpleeg tehuis buiten Melbourne zit een man voorover gebogen in een rolstoel, hij kent niemand en weet ook niet meer wie hij is of was…. Eens een van de meest vooraanstaande Westerse Boeddhistische leraren die de Suttas vertaalde, en de Abbot was van een woud klooster in de Australische Bush. Eens ‘a Scholar with a bright mind’, auteur van vele boeken, nu een hoopje mens die in een andere realiteit leeft. The world of Alzheimer’s….

    Soms zitten vroegere leerlingen aan zijn zijde, chanting de versen die hij schreef of vertaalde… geen teken van herkenning….’just showing the face of Impermanence’

    Mind..oh mind, where did it travel to?

  3. Arjan Schrier schreef:

    Beste Hans,

    Wat een ontroerende vertelling. Gecondoleert (alsnog).

  4. Vanessa schreef:

    Wat een prachtig, ontroerend en confronterend verhaal over vergankelijkheid.

  5. G.J. Smeets schreef:

    Zeer geachte Hans van Dam,

    “…blies hij in het holst van de nacht zijn laatste adem uit.
    Of hield hij zijn laatste adem in?”

    Fascinerende vraag. Op het moment dat je geboren wordt is het een zoeken naar inademing want er valt nog niks uit te ademen. Maar bij het sterven kan de geest het begeven na het moment dat je voor het laatst hebt ingeademd of na het moment dat je voor het laatst hebt uitgeademd.

    Wat me treft is wat je als verweesde zoon eraan laat vooraf gaan:
    “In afwezigheid van zijn naasten…”
    Het treft doordat mijn moeder een tijdje vóór ze stierf tegen me zei: sterven doe je alleen, geboren worden doe je met z’n tweeën.

Menu