Shamatha-vipashyana schept een open ruimte van onbevangenheid. In die open ruimte zijn we ons helder bewust van wat we zien en horen, horen we helder wat we horen en zo geldt het ook voor de andere zintuigen. Daarin zien we ook helder onze gedachtestroom. Dit heldere zien is een onderscheidingsvermogen, een vorm van supercognitie of supersensibiliteit, waarvoor in het Sanskriet de term prajña wordt gebruikt en in het Pali pañña. Onze gedachten, met al hun emotionele kracht, waarin we geneigd zijn ons steeds te verliezen, beginnen we steeds helderder te zien. Onbevangenheid in de boeddhistische betekenis van het woord betekent dus niet dat we datgene waarin we bevangen zijn, moeten kwijtraken, zoals nog weleens wordt gedacht. Dan zou het kind met het badwater weggegooid zijn. We willen dat kind juist leren kennen, maar zonder erdoor beheerst en bevangen te zijn. Onbevangenheid houdt juist in dat het aanwezig is, maar dat we er niet door worden gepakt. In die onbevangenheid kan onze prajña haar verhelderende werk doen (bladzijde 62).
Supercognitie
Han de Wit, bekend meditatieleraar in de traditie van Chögyam Trungpa, auteur van talrijke boeken en psycholoog, ontdekte in zijn archief een aantal losse teksten en fragmenten die, zoals hij schrijft, misschien toch wel de moeite waard waren om te publiceren. Als je het resultaat ervan leest, krijg je echter niet de indruk te maken te hebben met een bijeengeraapte serie fragmenten. Het is een mooi afgerond geheel geworden met een duidelijke opbouw.
We moeten de titel van het boek echter niet begrijpen als een soort garantie, alsof het hele boek vanuit een soort supercognitie op supersensibiliteit is geschreven. De schrijver blijft als gewoon mens dicht bij de lezer staan. Dit maakt het boek ook zo leesbaar. Het heldere denken en het heldere zien moeten meer opvatten als een ideaal waar we ons best voor zouden moeten doen. De schrijver probeert met dit boek ons hierbij zo goed mogelijk te helpen.
Het pad
Na een algemene inleiding en een korte beschrijving van de boeddhistische spiritualiteit zet De Wit naar boeddhistische traditie de oorzaken van het lijden uiteen en vervolgt met een uitleg van het verschil tussen schijn en werkelijkheid. Een belangrijk onderdeel van deze schijn is de indruk dat er een ijzeren gordijn bestaat tussen binnen en buiten, of tussen materie en geest. De Wit laat zien dat dit een vergissing is.
Vervolgens komt hij bij de kern van het boeddhisme: het thema van de vergankelijkheid. Wie het feit van de vergankelijkheid goed begrijpt, ziet daarmee ook het nut van het pad van de Boeddha, dat wil zeggen: het achtvoudig pad. Vervolgens zet De Wit uiteen hoe we het beste meditatie kunnen beoefenen, althans volgens zijn traditie. Dit mondt uit in het laatste hoofdstuk over een onderwerp dat specifiek is voor de Shambala-traditie, namelijk onze zogenaamd fundamentele goedheid, oftewel de boeddhanatuur.
Het resultaat is zeker geen sektarisch boek geworden, zelfs geen boek alleen voor boeddhisten. Het kan heel goed dienen als een consistente en stapsgewijze inleiding tot het boeddhisme. De Wit vermijdt daarbij in het algemeen overvloedig gebruik te maken van specifiek boeddhistische terminologie en gebruikt voorbeelden uit het dagelijkse leven. Hier en daar wordt de tekst onderbroken door een ingekaderde uitleg of omschrijving.
Nog steeds een heet hangijzer
Zo zet de schrijver bijvoorbeeld het karmabegrip verrassend helder uiteen. Hij onderscheidt daarbij een teleologisch karmabegrip en een causaal. Het eerste probeert van karma een levensdoel of een verklaring van de betekenis van het leven te maken. Het karma binnen het boeddhisme is daarentegen volgens hem niets anders dan een verklaring voor het lijden. Hij noemt dat een causale karmatheorie, dat wil zeggen dat karma een verklaring is voor het ontstaan van de illusie van het ego. Dat het hier nog niet lekker loopt, komt doordat De Wit over het begrip oorzakelijkheid nogal vaag blijft.
Daarbij stuit hij bovendien toch wel op een moeilijk punt. Hij beweert op bladzijde 53: ‘Het is een subtiel maar belangrijk punt dat in de boeddhistische visie karma niet ons karma is, maar eerder het karma van onze geest. Ons ‘ik’ is hier immers juist de schepping van onze geest en wel een schepping die negatief karma voedt door het handelen vanuit de illusie van ego. Niet ons ik, niet wij verzamelen karma, maar onze geest. In de dialoog met het hindoeïsme zeggen de boeddhistische tradities dan ook dat het een misvatting is om te denken dat degene die een handeling doet ook degene is die de vruchten daarvan plukt. Die formulering veronderstelt immers het bestaan van ego. In de boeddhistische optiek is analoog daaraan ook het christelijke ‘wie zaait zal oogsten’ een te simpele voorstelling van karma.’ Dit is echter een beetje verwarrend, omdat De Wit hier wat slordig met de begrippen omspringt. Vanuit het transcendente standpunt bestaat er geen ego, maar ook geen karma. Vanuit het relatieve standpunt laat het vluchtige ego echter een spoor van karma achter dat zijn, toekomstige ego’s beïnvloedt. Dit zou natuurlijk onmogelijk zijn als beide onafhankelijk van elkaar zouden bestaan. Bewustzijn is geen factor in dit proces, behalve als het dit proces opmerkt en daardoor doet ophouden.
Eenvoud
Soms maakt De Wit de dingen een beetje te eenvoudig. Op bladzijde 65 beschrijft hij bijvoorbeeld hoe de wereld van de verschijnselen zich in haar ware aard toont als ons egocentrische perspectief wegvalt. Hij suggereert dat we dan vervolgens als een egoloos mens door het leven gaan en dus niet meer een potje zouden kunnen voetballen of het spel mens erger je niet zouden kunnen spelen. In zo’n spel moet je namelijk juist je eigenbelang dienen anders is er niets meer aan. Het is ook niet zo dat we dan zomaar onze identiteit verliezen: ons burgerservicenummer blijft gewoon geldig en we zien de wereld nog steeds door onze eigen beide ogen. Ik denk wel dat je op zo’n moment de eenzijdige fixatie op je eigenbelang loslaat en beter begrijpt dat je maar een onderdeeltje bent van een groter geheel, van een gemeenschap. In zo’n situatie begrijp je je eigenbelang nog wel maar je kunt het relativeren en je bent zelfs geneigd om het helemaal los te laten.
Het is verfrissend dat De Wit en heel duidelijk onderscheid aanbrengt tussen psychotherapie en boeddhisme. Psychotherapie is er om trauma’s en geestelijke aandoeningen te genezen zodat je weer de oude wordt. Het boeddhistische pad is om niet de oude te worden, maar om je leven naar een hoger en meer gelukkig niveau te tillen. Ik zou nog willen aanvullen dat in gevallen dat meditatie wordt gebruikt in een genezingsproces we dit kunnen vergelijken met fysiotherapie die de genezing ondersteunt en versnelt.
Humanisme
De Wit Beschrijft een het laatste hoofdstuk hoe Chögyam Trungpa de term ‘fundamentele goedheid’ introduceerde als vertaling van de gevoelskwaliteit van onze boeddhanatuur. Het is opmerkelijk dat dit begrip in sommige stromingen van het boeddhisme zo grote vlucht heeft genomen. In het Indiase boeddhisme speelde het niet zo’n rol grote rol. Het werd daar geïntroduceerd om uit te drukken dat ieder mens in principe het vermogen heeft om een boeddha te worden. Het ligt als het ware ingebed in de structuur van onze geest. In het Chinese en Japanse boeddhisme werd het een aspect van de werkelijkheid en in Tibet werd het vaak opgevat als de basis van onze menselijkheid. Deze verschillen hoeven ons er niet van te weerhouden om ons te laten inspireren door instructies uit de verschillende tradities. Ik vind de ondertitel ‘Boeddhisme voor deze tijd’ veel te pretentieus. Ik blijf volhouden dat er niet een bepaalde stroming is die ‘voor deze tijd’ is. Boeddhisme is tijdloos want de boeddhanatuur is tijdloos en ook de leegte. Er zullen altijd verschillen in benadering en uitleg blijven bestaan, want als mensen zijn we nu eenmaal gebonden aan ons eigen persoonlijke en ons culturele perspectief.
Wat dit boek betreft: het legt meer de nadruk op de overeenkomsten en verzwijgt mogelijke verschillen in benadering. Het is afgerond, zonder hoeken. De schrijver gaat daarbij uit van een universeel humanisme (bladzijde 115). Dit is zijn perspectief. De opgelegde eenvoud maakt dat het boek soms wat belerend overkomt, maar het is dan ook geschreven door een leraar. Die wil ongetwijfeld dat de lezer dit boek niet slechts opvat als een eindstation maar als een begin en aansporing om verder mee aan de gang te gaan en het boeddhisme te gaan bestuderen en praktiseren. Er staat een korte literatuurlijst achterin en een trefwoordenregister dus de lezer kan aan de slag.


Geef een reactie