De Amerikaanse religiewetenschapster April de Coninck laat zien hoe wij juist in onze tijd, waarin gevestigde religies onder druk staan en zingeving voor steeds meer mensen een opgave wordt, een gnostische renaissance doormaken. Er ontstaan steeds nieuwe religieuze bewegingen, met charismatische leiders, spirituele zoekers remixen allerlei elementen uit religieuze en levensbeschouwelijke tradities. Religie vermengt zich met therapie en wellness. Gnosis keert steeds weer opnieuw terug in populaire films en in verschillende vormen van New Age denken (bladzijde 162).
Oude oerwijsheid
André van der Braak, hoogleraar Comparatieve filosofie van de religie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, ziet overal de gnostiek de kop opsteken. Daar is hij blijkbaar erg enthousiast over, want hij heeft er heel een boek over geschreven. Kunnen we inderdaad spreken van een renaissance van het New Age-denken?
Om te beginnen, wat is gnosis eigenlijk? Het woord gnosis of gnostiek werd aanvankelijk gebruikt om een aantal, laten we zeggen, alternatieve christelijke stromingen uit de 2e eeuw aan te duiden. Zij hebben met elkaar gemeen dat ze ervan uitgaan dat wij door een speciaal soort kennis, gnosis, de verlichting of verlossing uit dit aardse tranendal kunnen verkrijgen. Daarmee is alles wel gezegd, want de verschillende gnostieke stromingen lopen wat betreft de uitwerking van deze visie nogal uiteen. De onderzoekers die zich met deze stromingen bezighouden verschillen bovendien nogal van opvatting over de vraag welke stromingen typisch gnostisch zijn en welke niet.
Het woord gnosis betekent op zich genomen gewoon kennis, maar binnen deze alternatieve christelijke stromingen verwijst dit naar een speciale soort verlossende oerwijsheid. Wie gnosis heeft, weet eindelijk hoe de wereld en het leven in elkaar zitten, de anderen zijn arme stumpers. Je weet dan dat de mens afkomstig is uit de goddelijke wereld en zijn goddelijke kern nog in zich heeft. Helaas is deze kern verstrikt geraakt in dit tranendal waar je als gnosticus dus niets te zoeken hebt. Deze wereld is namelijk een gevangenis van de ziel, gemaakt door een kwaadwillige god. De gnosticus keert zich daarom van de wereld af en probeert zijn goddelijke kern te herontdekken. De manieren waarop dit moet gebeuren verschillen binnen deze scholen nogal.
De oorspronkelijke teksten van deze bewegingen zijn bijna allemaal verloren gegaan. Ze zijn ontstaan in het noorden van Egypte en geschreven in het Grieks gedurende de tweede en derde eeuw. De eerste stichters moeten hebben behoord tot een soort New Age-achtige kringen uit die tijd. Ze nemen de filosofie van Plato als uitgangspunt en combineren deze met het in opkomst zijnde christendom. Plato schrijft al dat het lichaam een gevangenis is van de ziel en de gnostici gaan dus nog een stap verder. Onze goddelijke ziel is een vreemdeling in deze wereld.
Plotinos is een van de belangrijkste neoPlatoonse schrijvers uit de derde eeuw en hij schreef een opstel getiteld Tegen de gnostici (Enneaden 2.9). Daarin verduidelijkt hij het verschil met het reguliere christendom en het reguliere Platonisme aan de hand van het voorbeeld van twee mensen die in hetzelfde huis worden geboren. De een loopt alsmaar te klagen over de gebreken van het huis en voelt zich ongelukkig. De ander ziet vooral de schoonheid en begrijpt dat de gebreken niet te wijten zijn aan onkunde van de architect, maar aan de gebrekkige eigenschappen van de bouwmaterialen. De kritiek op de gnostiek van Plotinos is overgenomen door Augustinus en daarmee zo’n beetje standaard geworden in het christendom.
Denkstijlen
Van der Braak verruimt het begrip gnosis echter zo ver dat het bijna niet meer te onderscheiden is van mystiek. Op bladzijde 13 lees ik: Wanneer een echt bevrijdend weten doorbreekt, heeft dit dan ook grote fysieke en emotionele consequenties. De mystici rapporteren dat ze door een grote vreugde en gelukzaligheid worden bevangen en overweldigende ervaringen van liefde en mededogen hebben. Even verderop: Een dergelijk ervaringsweten is in de loop van onze westerse cultuurgeschiedenis vaak aangeduid als gnosis. Over het begrip gnosis wordt de laatste jaren steeds meer gepubliceerd. Toch is het niet algemeen bekend. Gnosis is een bevrijdend weten en kennis van het hart, die tegelijkertijd als zelfkennis en kennis van het goddelijke kan worden begrepen. Hiermee heeft Van der Braak de weg vrijgemaakt om elke verlossingsweg die hij maar onder ogen krijgt, uit te leggen als een vorm van gnostiek.
Als de boodschap dan overal hetzelfde is, hoe komt het dan dat al die verschillende verlossingswegen zo verschillen? Van der Braak verwijst naar het boek Denkstijlen van de filosoof Hub Zwart, waarin deze voortborduurt op een indeling van Oswald Spengler (1880-1936). Hierin worden in de geschiedenis van de westerse cultuur drie periodes of denkstijlen onderscheiden: de apollinische denkstijl in de antieke tijd, de magische denkstijl tijdens de Middeleeuwen en de faustische denkstijl in de moderne tijd. De apollinische denkstijl staat in het teken van het individu, het verstand en de orde. De magische denkstijl wordt belichaamd in talrijke verlossingsbewegingen en sekten rondom charismatische leiders, waaruit het christendom uiteindelijk als winnaar tevoorschijn komt (bladzijde 27). De faustische denkstijl valt samen met de opkomst van de moderne experimentele natuurwetenschappen.
Ik ben niet er niet gerust op dat dit de boel duidelijker maakt, want het aantal uitzonderingen zijn niet te tellen. Bovendien kun je hier niets mee als je het over niet-westerse filosofie hebt en dat is wel de intentie van Van der Braak.
De antieke tijd
Om zijn indeling in de geschiedenis van het denken verder uit te werken begint Van der Braak met een uiteenzetting van de nauwe relatie die er volgens hem in het oude Griekenland bestond tussen de mythen of de religie en de filosofie. Dit leidt volgens hem tot het begrip ziel in de filosofie van Plato waarmee de gnosis voor het eerst de kop op steekt. Hij noemt ook nog de invloed van de Siberische en Mongoolse sjamanen. Zo ontstaat volgens hem de christelijke gnostiek en daarmee de magische denkstijl. Hij geeft in zoveel woorden toe dat de gnostiek in die tijd nogal veelzijdig was. Hij noemt namelijk op bladzijde 56 drie richtingen, maar schrijft er direct bij dat de indeling alleen maar een gebrekkig hulpmiddel is om ordening in de chaos aan te brengen.
Via Plotinus en Iamblichus komen we zo in het vroege christendom terecht. Van der Braak gaat nog even in op de kritiek die Plotinus had op de gnostiek brengt ons naar het vroege christendom en daarmee naar de magische denkstijl.
Jñāna en gnosis
Het woord gnosis is verwant aan het Sanskrietwoord jñāna . Dit komt doordat de stamvaders van de Indiase zowel als de Europese cultuur oorspronkelijk uit hetzelfde gebied kwamen en dezelfde taal spraken. Van der Braak benadrukt echter dat de culturen van India en Europa daarna hun eigen weg zijn gegaan. Volgens hem was in India het doel van het spirituele pad om kennis te krijgen van het onkenbare zelf of ātman (bladzijde 85).
Enkele bladzijden verder komen we bij het boeddhisme. Dit is volgens hem uiteindelijk opgegaan in het hindoeïsme (bladzijde 87). Volgens de schrijver wordt de boeddhistische meditatie, satipatthana, pas in de loop van de tijd ontwikkeld. Hij beweert bovendien dat in het vroege boeddhisme de Boeddha geen uitspraken deed over het bestaan van het zelf en dat pas in latere teksten werd gesuggereerd dat er geen ik is (bladzijde 88).
Vervolgens legt Van der Braak de leer van de twee waarheden uit en de leer van de leegte. Volgens hem is leegte zo veel als openheid. Daardoor komt hij er toe om te spreken van een boeddhistische gnosis. Immers het begrijpen van de hogere waarheid is een soort verlossend inzicht. De overeenkomsten die hij ziet, schrijft hij toe aan mogelijke contacten tussen de Griekse en de Indiase filosofen.
Een asielzoeker
De Chinese filosofie levert echter een hoop problemen op, omdat de denkstijl van de Chinezen nogal verschilt van de tot dusver behandelde filosofen. Van der Braak beschrijft het Chinese denken als een soort asielzoeker die nog steeds op zijn status in land van de gnostiek moet wachten. Hij behandelt wel een aantal basisbegrippen van het Chinese denken, maar helaas gaat hij niet in op de verbanden. Verder valt op dat hij het bekende boek, de Dàode Jing opvat als het standaard voorbeeld van het gehele Chinese denken, alsof er in de 20 eeuwen daarna niets meer is veranderd.
Daar tegenover staat dat het boeddhisme dan toch in China terecht is gekomen en dat daardoor het Van der Braak zo enthousiast beoefende zenboeddhisme is ontstaan. Op bladzijde 120 schrijft hij daarom: Wanneer we gnosis interpreteren als een bepaald type spiritualiteit, zoals we aan het eind van hoofdstuk 2 gedaan hebben, dan valt zen zeker als een vorm van gnosis op te vatten.
De moderne periode
De faustische denkstijl begint volgens van der Braak bij Immanuel Kant (1724-1804). Dat betekent dus dat deze denkstijl eigenlijk hetzelfde is als wat andere auteurs gewend zijn de verlichting te noemen. Van der Braak ziet in Spinoza (1632-1677) echter ook al een faustisch denker. Op bladzijde 125 lees ik: Hoewel Spinoza enerzijds zeer faustisch is qua benadering, ondermijnt hij één van de centrale begrippen van de faustische denkstijl: het autonome, soevereine subject dat heer en meester is in de eigen wereld.
In zijn interpretatie volgt de schrijver verder naadloos de Belgische filosoof Herman de Dijn (1943). Vervolgens komt Friedrich Nietzsche aan de beurt, volgens de schrijver een sceptisch denker. Nietzsche kan volgens hem gezien worden als een (post)religieus denker, een soteriologisch denker die de filosofie inzet als hulpmiddel (als upāya) om de lezer tot bevrijding te brengen (bladzijde 131). Volgens de schrijver lijkt de gnosis van Nietzsche het nog meest op de gnosis van zen. Als toelichting verwijst Van der Braak naar zijn boek Hoe men wordt wat men is. Hiermee eindigt het pleidooi voor een universele gnostiek. Als toegift krijgt de lezer nog een beschrijving van de ayahusca-cultus die natuurlijk ook een vorm van gnosis is.
Voor wie is dit boek geschreven?
Het boek is eigenlijk een kort eigenzinnig overzicht van de geschiedenis van de westerse en oosterse filosofie. De Spengler-Zwart interpretatie van de geschiedenis voegt eigenlijk weinig of niets toe, want ze verklaart eigenlijk niets en is veel te globaal. Daarbij komt nog dat er veel te veel uitzonderingen zijn om er enige geloofwaardigheid aan te hechten.
Dit nadeel kleeft ook aan de fundamentele opzet van het hele project, namelijk om een universeel soort gnostieke invloed of gnostieke kenmerken te bloot te leggen. Het begrip gnosis wordt hier noodzakelijkerwijs zo erg uitgerekt dat het helemaal niks meer betekent. Gnosis is verlossend inzicht, maar in de Griekse oudheid en de Griekse filosofie waren er zeer uiteenlopende meningen over wat nu precies verlossend inzicht zou moeten zijn. De Indische en Chinese filosofie staan er ook bol van. Als je dus alles wilt verklaren uit een soort verlossend inzicht, wat voor inzicht bedoel je dan? Er is blijkbaar in de geschiedenis van de filosofie geen overeenstemming over.
Van der Braak toont eigenlijk in het boek dat hij een nogal eigenzinnige opvatting heeft over een aantal filosofen. Ik denk bijvoorbeeld dat vele kenners de wenkbrauwen zullen fronsen bij het lezen van wat hij in dit boek zegt over het boeddhisme.
Misschien is het boek nog het meest geschikt als een kennismaking, als een uitnodiging tot verdere studie waarbij de lezer zijn opvattingen verder kan verdiepen. Het boek bevat een korte maar overzichtelijke literatuurlijst en achterin staan een honderdtal eindnoten, die helaas niet de meest controversiële opvattingen van de auteur rechtvaardigen.
Kortom, een eigenzinnig en prikkelend boek, dat uitnodigt tot verdere discussie en studie.


Geef een reactie