Op het denken van Ken Wilber valt heel wat terechte kritiek te leveren. Voorbeelden daarvan zijn te vinden op de website http://www.integralworld.net/ gehost door zijn vroegere vertaler en aanhanger Frank Visser. Toch blijft zijn visie op spiritualiteit voor mij richtinggevend. De laatste jaren werden zijn werken niet meer naar het Nederlands vertaald maar uitgeverij Samsara heeft met de twee prachtig vormgegeven uitgaven ‘Integrale meditatie. Mindfulness als pad naar Opgroeien, Ontwaken en Openstaan’ (2019) en ‘Integrale wijsheid en de toekomst van de spiritualiteit’ (2018) de draad weer opgenomen. Aan de hand van Integrale meditatie schets ik eerst de ‘Integrale Theorie’ van Wilber. Daarna bekijk ik hoe hij in ‘Integrale wijsheid’ deze theorie toepast op het boeddhisme.

‘De Integrale Theorie’

Wilber beschrijft twee vormen van menselijke groei en ontwikkeling: Opgroeien en ontwaken. Beiden zijn cruciaal maar er is in de loop van de geschiedenis nog geen spiritueel pad ontwikkeld dat hen combineert. Er zijn individuen die wel een verlichtingservaring hebben – individuen die zich “letterlijk één met de gehele werkelijkheid, één met het gehele universum , en één met alles wat leeft” hebben ervaren – maar zich op het gebied van menselijke vermogens (morele ontwikkeling, emotionele intelligentie e.d.) vrij laag ontwikkeld hebben.

Of anders geformuleerd, ze zijn wel ontwaakt maar niet opgegroeid. De gevolgen daarvan blijken uit heel wat gevallen van seksueel en ander misbruik die binnen het boeddhisme recent naar boven gekomen zijn. Vanuit zijn Integrale Theorie probeert Wilber deze twee vormen van ontwikkeling te combineren.

Opgroeien

Opgroeien gebeurt langsheen een reeks van stadia of niveaus die pas met de opkomst van de ontwikkelingspsychologie in kaart zijn gebracht. Deze stadia zijn als archeologische lagen na elkaar ontwikkeld in de menselijke geschiedenis en elk individu moet ze tijdens zijn bestaan één voor één doorlopen. Elk nieuw stadium omvat het vorige maar voegt iets nieuws aan toe.

Of in meer gespecialiseerde taal, elk voorgaand stadium wordt in het nieuwe getranscendeerd en geïntegreerd. Omdat elk stadium zo rijk is aan kenmerken doet geen enkele benaming haar recht aan en worden vaak kleuren gebruikt om hen aan te duiden. Jammer genoeg zijn er verschillende kleurenschema’s in omloop dus gebruik ik toch de meest courant gebruikte benamingen.

Niveau 1 – ‘Archaïsch’

Direct na de geboorte ervaart een baby zich nog niet als een afgescheiden zelf maar als één met de moeder en de omgeving. In de beroemde behoeftepiramide van Abraham Maslow is dit het stadium van de fysiologische behoeften (voedsel, drinken, warmte en bescherming).

Er zijn weinig volwassenen die in dit stadium blijven hangen (tenzij door hersenbeschadiging of iets dergelijks) maar wel kunnen bepaalde aspecten van het bewustzijn er in gefixeerd blijven. Dan ontstaat er bijvoorbeeld een voedselverslaving. Of omgekeerd kan er een afkeer van voedsel ontstaan (anorexia, boulimie) wanneer we het archaïsche niveau niet goed geïntegreerd hebben

Niveau 2 – ‘Magisch-tribaal’

Rond de achttiende levensmaand vindt de ‘psychologische geboorte van het kind’ plaats: het afgescheiden zelf. Het zelf is volledig gericht op het nu en wordt aanvankelijk gedreven door impulsen en directe behoeftebevrediging. (Dit stadium wordt dan ook soms omschreven als ‘impulsief”.) Om tweede redenen wordt het ‘magisch’ genoemd. Het denken wortelt in de fantasie waarbij alle wensen op magische wijze lijken te worden vervuld. Bovendien is de grens tussen het pas ontwikkelende zelf en de omgeving nog niet duidelijk. Daardoor aanziet het zelf sommige onderdelen van de omgeving als een deel van zichzelf en worden ook soms menselijke eigenschappen aan de omgeving toegekend. Dit laatste vormt de basis van het animisme.

Historisch ontstond dit bewustzijnsniveau zo een 200.000 jaar geleden met het ontstaan van de ‘volledig menselijke vorm’ van leven. Aspecten van dit bewustzijnsniveau bij volwassenen herkennen we in het geloof in voodoo en het New Age-denken. Omgekeerd leidt een mislukte integratie tot ‘een allergie voor het magische’. Elke magische gedachte die in ons opkomt wordt onderdrukt en geprojecteerd op anderen die ons dan irriteren.

Niveau 3 – ‘Magisch-mythisch’

Dit niveau vormt een overgangsstadium tussen het magische en het volgende mythische niveau. De magische kracht wordt niet meer bij het zelf gelegd maar bij andere, sterkere wezens (de moeder bijvoorbeeld). Naarmate het zelf zich steeds meer gaat onderscheiden van zijn omgeving wordt het bewuster van zijn kwetsbaarheid. Het probeert zichzelf te beschermen door het ontwikkelen van machtsdriften.

Het wordt ook het stadium van de ‘PowerGods’ (de machtsgoden) genoemd. De mens beschikt niet over magische krachten maar bovennatuurlijke mythische wezens wel. Het komt er dus op aan hen met de juiste handelingen (rituelen, gebeden) in ons voordeel gunstig te stemmen.

Historisch ontwikkelden zich met dit stadium de eerste militaire rijken waarvan de leiders letterlijk als goden (denk aan de farao’s) werden beschouwd.

Niveau 4 – ‘Mythisch-traditioneel’

In de eerste drie stadia wordt het zelf gekenmerkt door een sterk ik-perspectief en daarom worden ze ‘egocentrisch ‘ en narcistisch’ genoemd. Op dit vierde niveau ontstaat een ‘etnocentrische’ identiteit: het zelf identificeert zich met allerlei groepen zoals de familie, de clan, de stam en de natie.

Een andere aanduiding is het ‘conformistische stadium’ omdat het gepaard gaat met een groot belang hechten aan het navolgen van regels. De term mythisch verwijst naar het letterlijk voor waar nemen van mythische verhalen en het ‘absolutistisch’ denken (onwrikbaar vast houden aan overtuigingen). Het typevoorbeeld van volwassenen op dit niveau zijn religieuze en politieke fundamentalisten.

Historisch was het dominant van 100 v.Chr. tot aan de periode van de Verlichting. Heden is het ook het kenmerkende bewustzijnsniveau van kinderen in de leeftijdscategorie van zeven tot twaalf jaar.

Niveau 5 – ‘Rationeel-modern’

Terwijl de eerste drie niveaus gekenmerkt worden door het ‘ik’-perspectief en het vierde door het ‘wij’-perspectief, kan het zelf op het volgende niveau de zaken vanuit het ‘het’-perspectief – dit wil zeggen vanuit een objectief, wetenschappelijk en universeel perspectief – bekijken.

Niet alleen de concrete, materiële wereld maar ook het denken zelf kan onderwerp worden van het denken. De lokale, etnocentrische identiteit wordt verruimd tot een mondiale ‘wereld-centrische’ identiteit, van ‘wij’ tot ‘wij allemaal’. Tegelijk maakt de mogelijkheid tot zelfreflectie het ontstaan van een werkelijke individualiteit mogelijk, van de etnocentrische conformisten in het vorige stadium tot wereld-centrische individuen. Vanuit de behoeftepiramide van Maslow bekeken gaat de ontwikkeling als volgt: van fysiologische behoeften (niveaus 1 en 2), de behoefte aan bescherming en veiligheid (niveau 3), de behoefte er bij te horen (niveau 4) naar de behoefte aan zelfrespect.

Historisch kwam dit niveau tot volle ontwikkeling tijdens de Verlichting, de periode van de rede en revolutie. Op wereldvlak zien we vandaag een verwoede strijd tussen de ‘traditionele’ waarden van niveau 4 en de moderne waarden op niveau 5. Vandaag beleven mensen hun periode van rede en revolutie en hun verlangen om zich te onderscheiden van de anderen meestal in de tienerjaren.

Niveau 6 – ‘Pluralistisch-postmodern’

Sinds de jaren ’60 is het zesde niveau dat wordt aangeduid met termen als pluralistisch, postmodern, relativistisch, sensitief en multicultureel maatschappelijk doorgebroken . Het gaat samen met het perspectief van ‘de vierde persoon’ dit wil zeggen het vermogen te kunnen reflecteren op en kritisch te kijken naar het ‘het’-perspectief.

Het is ontstaan als reactie op de negatieve kanten van het vijfde niveau maar heeft ook zijn eigen innerlijke tegenstrijdigheden die Wilber uitvoerig bespreekt. Het presenteert zich als het nieuwe paradigma dat in overeenstemming is met de ‘nieuwe’ fysica (kwantumfysica) en de systeemtheorie, als eco-centrisch, holistisch, feministisch, gestoeld op partnerschap, liefdevolle vriendelijkheid en zorg en als ‘glocal’ (globaal én lokaal) en Gaia-georiënteerd.

Niveau 7 – ‘Integraal’

Dit bewustzijnsniveau is vrij recent en zou 5% van de wereldbevolking omvatten. Op de behoeftepiramide van Maslow is het gerelateerd met zelfverwerkelijking. Het is het meest omvattende, bewuste en complexe bewustzijnsniveau tot op heden. Denken (typisch voor niveau 5) en voelen (niveau 6) worden geïntegreerd. Het verschilt fundamenteel van de vorige stadia. Alle voorgaande niveaus zien zichzelf als het enige ware en verwerpen de andere niveaus als verkeerd en kinderlijk.

Vanuit het integraal bewustzijnsniveau wordt in elk voorgaande niveau een kern gezien die de moeite waard is en als een noodzakelijke stap in de menselijke groei beschouwd. Geen enkel stadium kan worden overgeslagen. Men kan enkel het tempo van de groei versnellen door meditatie. Overigens eindigt de evolutie hier niet. De eerste tekenen van een volgend bewustzijnsstadium – voorlopig aangeduid als super-integraal – zijn aanwezig maar wat het precies allemaal inhoudt valt nog af te wachten.

‘Mindfulness’ is volgens Wilber de uitgelezen manier om zich bewust te worden op welk bewustzijnsniveau we ons bevinden en onze overgang naar het volgende te versnellen. In het lang en het breed (naar mijn smaak soms te lang en te breed) legt Wilber uit hoe dat concreet in zijn werk gaat, ook voor wie nog nooit gemediteerd heeft. Ik vrees echter dat natuurtalenten uitgezonderd mensen zonder meditatie-ervaring snel zullen verdwalen in hun eigen gedachten. Meditatie leer je sowieso best onder begeleiding van een ervaren deskundige en een ‘mindfulness’-cursus bij een gekwalificeerd leraar lijkt me dan ook aangewezen in dat geval.

Ontwaken

Daarnaast bestaan er de stadia van het ontwaken. Dit zijn bewustzijnstoestanden die geheel los staan van de bewustzijnsstadia die door de ontwikkelingspsychologie zijn ontdekt. Ze zijn ontdekt door de spirituele en mystieke tradities binnen de godsdiensten (de joodse, christelijke en islamitische mystiek) en de oosterse meditatieve tradities. Deze bewustzijnstoestanden komen minder frequent voor en het vergt ook een toegewijde inzet om ze te bereiken.

Een vergelijking tussen de verschillende mystieke en meditatieve tradities laat een sequentie van vijf stadia zien van het grof, zintuiglijke bewustzijn tot en met de zuivere non-duale eenheidstoestand. Een van de redenen voor hun universele karakter is dat ze geworteld zijn in biologische hersengolf patronen. Ik ga er hier niet dieper op in want hun inhoud is niet eenvoudig samen te vatten.

Wilber heeft overigens ook heel wat pagina’s nodig om ze te omschrijven. Belangrijk in dit verhaal is dat deze bewustzijnstoestanden op elk niveau kunnen worden gerealiseerd. Of iemand zich nu op een magisch, mythisch, rationeel of pluralistisch bewustzijnsniveau bevindt, alle bewustzijnstoestanden zijn bereikbaar. Het na te streven ideaal is natuurlijk een non-duale eenheidstoestand op een integraal bewustzijnsniveau.

Verder legt Wilber de overige onderdelen van de integrale theorie zoals de ontwikkelingslijnen (waaronder de cognitieve, morele, emotionele en spirituele ontwikkelingslijnen), de vier kwadranten of dimensies van de werkelijkheid, de psychologische typologieën en het schaduwwerk uit. Op dit laatste kom ik nog terug maar voor de ontwikkelingslijnen, kwadranten en typologieën verwijs ik naar het werk van Wilber.

Binnen één en dezelfde religie bevinden de aanhangers zich in de regel op een verschillende bewustzijnsniveau. Op deze wijze kan religie als een ‘transformatieband’ fungeren die mensen helpt groeien naar hogere bewustzijnsniveaus en -toestanden. Wat dat laatste betreft beschikken de meeste religies over contemplatieve, meditatieve en mystieke methoden die ze beschikbaar kunnen stellen aan hun aanhangers.

Op dit vlak bevindt de westerse wereld zich in een precaire situatie. De kerken hebben zich traditioneel terughoudend tegenover mystiek opgesteld. Het was iets dat werd voorbehouden aan de geestelijken en ook zij werden goed in de gaten gehouden opdat ze binnen de grenzen van de kerkelijke dogma’s bleven. Daarnaast is de religie in het Westen op het traditionele-mythische niveau van de spirituele ontwikkeling blijven steken. Geen wonder dat velen hun heil in niet-westerse religie en spiritualiteit zijn gaan zoeken. Niettemin zijn er zoals opgemerkt in alle religieuze tradities mensen op alle niveaus terug te vinden.

Integraal Boeddhisme

In ‘Integrale wijsheid en de toekomst van de spiritualiteit’ past Wilber de integrale visie toe op het boeddhisme (de originele titel luidt ‘Integral Buddhism and the Future of Spirituality’). Voor boeddhisten maakt het dit boek als introductie tot het denken van Wilber daarom interessanter. (Het is ook beknopter.) Alle grote religieuzes tradities zijn volgens Wilber aan een update toe die er in bestaat dat de kerngedachten bewaard blijven maar verrijkt worden met de integrale visie. Meer dan andere grote tradities staat het boeddhisme open voor een verruiming en voortdurende ontwikkeling zoals blijkt uit de opeenvolgende ‘draaien van het wiel van de dharma’ (dharma kan zowel begrepen kan worden als de boeddhistische leer en de onderliggende wetmatigheid van de werkelijkheid).

De drie draaien van het wiel van de dharma

De eerste draai

De eerste draai begon met de Boeddha zelf en is bewaard gebleven in het heravadaboeddhisme (Cambodja, Myanmar, Sri Lanka, Thailand). De kenmerkende gedachten zijn o.m. het onderscheid tussen samsara (de kringloop van dood en wedergeboorte) en nirvana (de bevrijding uit deze kringloop) en de Vier Edele Waarheden te weten (1) het leven is onbevredigend (lijden), (2) de oorzaak van lijden is onze krampachtige hunkering naar aangename ervaringen, (3) de bevrijding van lijden is mogelijk door (4) het volgen van het achtvoudige pad.

De tweede draai

De tweede Draai werd rond 200 in gang gezet door Nagarjuna, de grondlegger van de Madhyamika-school (de weg van het midden). Ondanks de kritiek dat sommige beelden uit het vroege boeddhisme ontoereikend of te beperkt zijn, neemt deze school een groot deel van de oorspronkelijke leer over en bouwt er op verder.

Nagarjuna verwierp het dualisme tussen samsara en nirvana. Ze zijn voor hem twee kanten van dezelfde werkelijkheid. Wanneer je naar de werkelijkheid kijkt door de bril van concepten en categorieën zie je samsara; als je naar die zelfde werkelijkheid kijkt zonder concepten en categorieën dan wordt ze nirvana. Vanuit het perspectief van de concepten (de relatieve of conventionele waarheid) bestaat de werkelijkheid uit op zichzelf staande dingen en gebeurtenissen. Het hunkeren naar en gehechtheid aan deze dingen en gebeurtenissen veroorzaakt dukkha of lijden. Vanuit het perspectief van prajna (door Wilber vertaald als conceptloos bewustzijn) zijn samsara en nirvana met elkaar verbonden in één enkele non-duale Werkelijkheid.

Een andere manier om de relatieve en absolute werkelijkheid te omschrijven zijn (de) leegte en vorm. De term leegte duidt onder meer aan dat de ultieme werkelijkheid onbeschrijflijk is. Vorm omvat de vele fenomenen of verschijningsvormen die we dagelijks waarnemen maar die op een absoluut niveau leeg zijn van een blijvende essentie of substantie. De Madhyamika-filosofie vormt een van de pijlers van het mahayanaboeddhisme waartoe het zenboeddhisme (Korea, Japan) behoort.

De derde draai

De derde draai ontstond met de Yogacara-school die tot bloei kwam in de achtste tot de elfde eeuw. Het werd een belangrijke pijler van de tantra- en vajrayana-tradities waarvan het Tibetaanse boeddhisme de bekendste verschijningsvorm is.

Volgens deze school is ultieme werkelijkheid of leegte identiek aan het zuiver bewustzijn (of Geest). De opvatting over leegte en non-dualiteit verschilt volgens de Yogacara aanhangers niet van die van de Madhyamika maar wordt positiever geformuleerd. Voor de Madhyamika betekent non-dualiteit de werkelijkheid zien in haar ‘Zo-heid’, dus zonder namen, concepten of categorieën.

Voor de Yogacara is non-dualiteit de afwezigheid van de dualiteit tussen waarnemend subject en waargenomen object. Lijden wordt niet veroorzaakt omdat de waargenomen fenomenen denkbeeldig zijn maar ontstaat door het waarnemen van deze fenomenen als objecten of afzonderlijk bestaande entiteiten buiten ons bewustzijn.

De vierde draai

Er pleiten meerdere boeddhistische leraren (al noemt Wilber geen namen) voor een nieuwe draai die het oude behoudt maar er ook nieuwe zaken aan toevoegt. De omstandigheden zijn intussen veranderd sinds de laatste draai en heel wat inzichten uit de evolutionaire biologie en ontwikkelingspsychologie hebben voor Wilber een spirituele relevantie.

De evolutie van vorm

De vierde draai voorgesteld door Wilber houdt vast aan de non-dualiteit of niet-twee zijn van samasara en nirvana, van subject en object en van vorm en leegte. Omdat leegte zonder eigenschappen is (inclusief de eigenschap geen eigenschappen te hebben) is leegte nog steeds hetzelfde als in de tijd van de Boeddha en daarvoor. Het ervaren en herkennen van leegte is de bevrijding van het conflict tussen object en subject waarin we verstrikt zijn. En zoals de ervaring van leegte de ervaring van vrijheid is, zo is de ervaring van vorm de ervaring van volheid.

Leegte is onveranderd sinds het begin van de tijd, maar vorm heeft een evolutieproces doorgemaakt naar steeds meer complexiteit, “van eenvoudige snaren tot quarks tot atomen tot moleculen tot cellen tot meercellige organismen, waarna die organismen evolueerden tot steeds complexere vormen, van eencellige organismen tot planten met fotosynthese en tot dieren met neuronale netwerken en vervolgens het reptielenbrein (wat nu onze hersenstam is), het limbische systeem en ten slotte het drievoudig brein, waarin meer synaptische verbindingen bestaan dan er sterren zijn in het hele universum.”

Ook onze binnenwereld vertoont een toenemende complexiteit zoals blijkt uit de ontwikkelingspsychologie die de ontwikkelingsstadia in ons bewustzijn heeft blootgelegde. Deze stadia zijn niet door introspectie of meditatie alleen bloot te leggen. Vandaar dat ze niet terug te vinden zijn in de grote religieuze en wijsheid-tradities.

Het schaduwwerk

De vierde draai die Wilber bepleit behelst dus de toevoeging van de integrale theorie aan de Dharma, zoals de bewustzijnsstadia en het schaduwwerk. Dat laatste lijkt me het voornaamste. Wanneer we bepaalde aspecten van onze psyche niet goed in onze bewuste persoonlijkheid geïntegreerd hebben ontstaat schaduwvorming. De schaduw omvat dus persoonlijke onderdrukte elementen – gevoelens, emoties, verlangens, gedachten – in de mens.

Dergelijke schaduwen kunnen zowel ons pad van opgroeien als ons pad naar ontwaken blokkeren. Wanneer we ons overdreven of premature dissociëren van bepaalde gevoelens of gedachten kan dit zelfs tot psychopathologische problemen leiden. Om deze aan te pakken bieden de spirituele tradities niet echt instrumenten. Uit bittere ervaring hebben we sinds de introductie van meditatie in het Westen geleerd dat mediteren de schaduwproblematiek niet oplost. Het advies van een meditatieleraar zonder inzicht in deze problematiek om (nog meer) te mediteren kan het probleem verergeren.

Schaduwgevoelens kan men pas op een gezonde manier loslaten als ze eerst geïntegreerd zijn in de psyche. In dit boek legt Wilber een methode uit die kan helpen bij het schaduwwerk. Ook de analytische psychologie in de lijn van Carl Jung besteedt heel wat aandacht aan het schaduwwerk. Volgens boeddhistisch leraar en psychiater Roger Walsh zijn overigens 80´% van de vragen die hij krijgt tijdens meditatieretraites beter te aan te pakken met therapie dan met meditatie.

 De bewustzijnsstadia en het boeddhisme

Het boeddhisme kent vele scholen en verschijningsvormen. Wilber verbindt er enkele met de diverse stadia uit de bewustzijnsontwikkeling (magisch, mythisch, rationeel en pluralistisch).

‘Magisch’ en ‘mythisch’ boeddhisme

De Amerikaanse antropoloog Melford Spiro onderscheidt in zijn boek ‘Buddhism and Society’ binnen het Birmaanse theravadaboeddhisme drie groepen die gelijklopen met de magische, mythische en rationele bewustzijnsstadia. Het ‘apotropaëtisch’ boeddhisme is vooral gericht op het afweren van boze geesten met behulp van magische voorwerpen en spreuken. Ook het ‘Reine Land-boeddhisme’ is volgens Wilbers student Dustin DiPerna een ander vorm van ‘magisch boeddhisme’. Aanhangers van deze traditie herhalen voortdurend de naam van de Amida Boeddha. Dit zou leiden tot een wedergeboorte in het hemelse Reine Land waar men de verlichting kan realiseren.

De tweede groep volgens Spiro is het ‘kammatisch boeddhisme’ dat gericht is op het verwerven van verdiensten voor een gunstige wedergeboorte. Dit is aldus Wilber typisch voor een mythisch wereldbeeld met magische elementen. Een ander voorbeeld dat Wilber ontleent aan DiPerna zijn de etnocentrische boeddhisten op Sri Lanka. Hun wereldbeeld is duidelijk mythisch-fundamentalistisch met een sterk besef van religieuze identiteit, scherpe sociale grenzen en mythologie. Sri Lanka is voor hen het thuisland van het ware boeddhisme waar geen plaats is voor de hindoeïstische Tamils. Ze zien zichzelf als de eigenaren van de boeddhistische leer waarvan ze de zuiverheid en correctheid beschermen.

‘Rationeel’ boeddhisme

De derde groep volgens Spiro is het ‘nibbanisch boeddhisme’ en staat het dichtst bij het originele onderricht van de Boeddha. Het boeddhisme is ontstaan op het rationele bewustzijnsniveau, wat het overigens op een uitzonderlijke positie plaatst tegenover de meeste andere wereldreligies. Maar ‘rationeel’ wordt hier in een brede betekenis gebruikt, met name als “het perspectief van de derde persoon, wat introspectie mogelijk maakt, en een reflectie op het eigen bewustzijn en de eigen ervaring, evenals het innemen van een kritische en zelfkritische positie, het kunnen begrijpen van ‘wat als’- en ‘alsof’-werelden en het afstand nemen van het zelf en dit bezien met een objectieve, onbevooroordeelde blik.”

De term ‘reflexief zelfbewustzijn’ lijkt me dan meer toepasselijk dan de term ‘rationeel bewustzijn’. Maar het boeddhisme heeft niettemin een rationele component die haar aantrekkingskracht op een (intellectueel geschoold) westers publiek verklaart. De nadruk binnen de meeste scholen ligt wel op de bewustzijnstoestanden ( van zintuiglijk tot non-dualistisch bewustzijn) maar die worden geïnterpreteerd op basis van een rationele, objectieve en ‘evidence-based’ aanpak. We worden echter niet op dit bewustzijnsniveau geboren en er hebben zich binnen het boeddhisme zoals we net zagen wereldbeelden gevormd die mensen op de voorgaande magische en mythische bewustzijnsniveaus aanspreken.

Een van de nog niet aangehaalde kenmerken is het ethisch universalistische wereldbeeld van het ‘rationele’ boeddhisme: alle mensen worden gelijkwaardig geacht, ongeacht hun huidskleur, geslacht, religieuze overtuiging of sociale status. Typerend is bijvoorbeeld de openheid van het vroege boeddhisme tegenover de kastelozen.

‘Postmodern-pluralistisch’ boeddhisme

Het boeddhisme in het Westen sluit voornamelijk aan bij ‘het postmodern-pluralistische’ wereldbeeld. Dit wordt gekenmerkt door sociale betrokkenheid, het streven naar sociale gerechtigheid, egalitair en anti-hiërarchisch denken en ecologische, feministische en pacifistische idealen. Het type voorbeeld is het sociaal geëngageerde boeddhisme van bekende leraren en activisten als Thich Nhat Hanh en Sulak Sivarksa.

De meeste Oosterse leraren die in het Westen arriveerden in de jaren zestig en zeventig kwamen uit mythische culturen en hadden een etnocentrische achtergrond. Ze waren dan ook in de regel autoritair, patriarchaal, seksistisch, xenofoob en homofoob. Het klimaat van seksuele vrijheid en openheid was hen onbekend maar door hun westerse leerlingen werd wel een radicale zuiverheid van hen verwacht (waaraan ze niet konden voldoen, zo is gebleken). Maar terwijl deze leraren op het vlak van bewustzijnsstadium op hun leerlingen achterliepen, stonden ze dan weer verder op vlak van bewustzijnstoestanden (veel van hen hadden volgens Wilber de non-duale eenheidstoestand bereikt).

Dit zorgde voor heel wat verwarring: “Hoe is het mogelijk dat hij zo veel weet van hogere toestanden en toch zo homofoob is? Hoe kan hij ontwaakt zijn in een egaliserende non-dualiteit en toch zo autoritair ? Hoe kan hij bevrijd zijn en toch zo onbeschaamd zijn vrouwelijke leerling misbruiken?”

Maar is iemand die onbeschaamd leerlingen misbruikt werkelijk bevrijd? Vanuit boeddhistisch oogpunt lijkt me dat zeker niet. En wat is behalve het persoonlijke genoegen de waarde van mystieke bewustzijnstoestanden als men zich verder als een hufter blijft gedragen? Of moeten we, zoals mijn andere filosofische leermeester wijlen Ulrich Libbrecht deed, een onderscheid maken tussen authentieke mystiek (die leidt tot het overstijgen van de ik-gerichtheid) en in-authentieke mystiek (die het ego alleen maar opblaast). Maar ook in dat geval blijft het pleidooi van Wilber overeind. Schaduwwerk en de aanpak van onze neurosen hebben zeker hun plaats op het spirituele pad. Het zou alvast voor een meer evenwichtig spiritueel leven kunnen zorgen.

Ken Wilber: ‘Integrale wijsheid en de toekomst van de spiritualiteit’, Samsara, 2018.
Ken Wilber: ‘Integrale meditatie. Mindfulness als pad naar Opgroeien, Ontwaken en Openstaan’, Samasara, 2019.

Dit artikel verscheen eerder in De Groene Belg, een onafhankelijke uitgave van vzw Mediadoc.

 

Categorieën: Boekbespreking, Mahayana, Boeddhisme, Theravada, Zen, Pakhuis van Verlangen
Tags: , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu