Het Boeddhistisch Dagblad publiceerde onlangs een (nog voorlopige) tekst van de Dharma Adviesraad van de Boeddhistische Unie van Nederland. Er staan zeker mooie dingen in, maar hij blijft voor mij heel dubbel.

De tekst is bedoeld als advies voor mensen die een leraar zoeken of al bestaande studenten die behoefte hebben aan zo’n advies, maar hij leest eerder als normatief dan als adviserend. Hij benadrukt dat er verschillende tradities zijn en verschillende soorten leraren maar sommige zinnen zijn heel stellig en klinken als algemeen geldend.

Eén zo een zin is: ‘Leraren geven leiding vanuit een hoger niveau van realisatie dan dat van hun leerling.’ Als ik dat lees krimpt mijn maag lichtjes ineen en moet ik moeite doen om de tekst niet meteen terzijde te schuiven.

Mijn grootste probleem met het westers boeddhisme is dat sommigen er een religie naar westers model van willen maken. Dat is het in Azië (per definitie) nooit geweest en het is uitgerekend datgene waar wij ons hier van aan het emanciperen zijn. Het is dan wel een religie zonder god maar het gevolg daarvan is dat alle projecties op de persoon van de leraar terechtkomen. Dat lijkt mij het laatste wat we nodig hebben.

Als er iets voor mijzelf steeds helderder wordt, is het dat er niets te bereiken valt. Er zijn geen hogere niveaus. Niemand kan hier een ander ‘leiden’. (En aangezien ik zelf dus niets hogers bereikt heb, heeft ook deze visie geen enkele autoriteit).

De bereidheid om te kijken is genoeg, hebben we in de vorige toespraken steeds weer herhaald. Die bereidheid is een stap die je zet, of niet zet. Het is een basale ommekeer omdat kijken of niet kijken niet langer gebaseerd is op het onderscheid ‘staat mij aan’/‘staat mij niet aan’. (In boeddhistisch jargon heet dat begeerte en afkeer.) Dan is er openheid en mededogen. De afwezigheid van mededogen vindt zijn basis in wegkijken. Al deze elementen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Als het zo simpel is, waarom is het dan zo moeilijk? Het antwoord is: angst. We zijn als de dood om begeerte en afkeer als basis los te laten en te kijken.

Thich Nhat Hanh zegt dat er drie soorten giften zijn: materiële giften, de gift van de dharma en de gift van geen angst. Deze laatste is het grootste geschenk dat je kunt geven. De Boeddha zie je vaak afgebeeld met opgeheven hand met de handpalm naar buiten. Het is de handhouding van geen angst (abhaya mudra).

Waarom zijn we zo bang? Jaren geleden was de wereld in de ban van SARS, een dodelijke virale aandoening die dreigde een globale epidemie te worden. Een boeddhistisch tijdschrift vroeg me om iets te schrijven over angst. Het was duidelijk dat de vraagsteller ervan uitging dat onze angst irrationeel en overdreven was.

In de middeleeuwen zijn er wereldwijd tussen de 75 en 100 miljoen doden gevallen door de pest. Er is niets irrationeel aan onze angst. Gelukkig hebben we een Wereldgezondheidsorganisatie die ervoor kon zorgen dat ziekten als SARS en Ebola relatief snel konden uitdoven zonder de helft van de mensheid uit te roeien.

Angst is nodig voor onze overleving. Zonder het onderscheid ‘staat mij aan’/‘staat mij niet aan’, zonder begeerte en afkeer kunnen we niet overleven, zo eenvoudig is dat. Vanuit overlevingsstandpunt is de gift van geen angst ronduit suïcidaal.

Toch is er dat diepe verlangen naar openheid, het verlangen om niet alleen door overleven gedetermineerd te worden en niet in die kramp van begeerte en afkeer gevangen te zitten. De bereidheid om te kijken ontstaat niet uit een morele eis maar uit een verlangen.

We staan midden in een wereld die gevaarlijk is, waarin we te overleven hebben, en waarin we hoe je het ook draait of keert, vroeg of laat ten onder zullen gaan. Hoe kunnen we daarin dat verlangen, die openheid cultiveren?

De gift van geen angst is niet minder concreet dan een materiële gift of de gift van de dharma. Het is geen misplaatste romantiek. Allereerst betekent het veiligheid creëren.

Het is moeilijk om te mediteren naast een hongerige leeuw. Daarom maken we veilige plekken. Overal ter wereld en in alle tijden zien we dat mensen zulke plekken gecreëerd hebben, letterlijk of symbolisch afgebakend en onderscheiden van de omgeving. De vorm ervan past bij de cultuur waarbinnen ze zich bevinden. Dat kan zijn met dikke muren zoals een romaans kerkje, of door een drempel die aangeeft dat je een bijzondere plek binnentreedt, of simpelweg door de meditatiematten in een cirkel of een vierkant te leggen. De ruimte kan plaats bieden aan een groep of het kan een boeddhabeeldje en een meditatiekussen in een hoek van je slaapkamer zijn.

Deze plekken situeren zich ook binnen het lokale betekenissysteem. Ze worden beschermd door de goden of de geesten van het land, of door een veiligheidsattest van de brandweer. Bewoordingen en rationales kunnen heel verschillend zijn.

Het is niet alleen de ruimte maar ook de tijd die afgebakend en beveiligd wordt. Dat kan winterzonnewende zijn of woensdagavond om halfacht. Het belangrijke is dat we tijd vrijmaken. Dat wil zeggen vrij van de dwang om alleen maar met overleven bezig te zijn.

De gift van geen angst betekent ook een praktijk aanbieden die veilig is. Ook daar zijn de mogelijkheden eindeloos, verschillend van cultuur tot cultuur. Onze praktijk is mediteren maar dat wil niet zeggen dat meditatie alleenzaligmakend is en dat andere praktijken inferieur zouden zijn.

Mediteren moet veilig zijn. Het begint met de meditatiehouding. Het is niet de bedoeling dat je er knieletsels aan overhoudt. Maar veiligheid slaat ook op onze geest. Als we bereid zijn om te kijken kan er best veel pijn zichtbaar worden. Die pijn kan ons overspoelen.

Vaak wordt er schamper gedaan over meditatie, over mededogen, over mildheid. In de kramp van te overleven kunnen we verharden. Spot verjaagt de pijn van het tekort aan mededogen. De bereidheid om te kijken is de bereidheid om ook die pijn onder ogen te zien. Dat vraagt veiligheid. (In de tekst ‘Is meditatie gevaarlijk?’, ben ik hier eerder uitgebreid op ingegaan).

De gift van geen angst betekent ook de mogelijkheid zichtbaar maken. Thich Nhat Hanh vertelt het verhaal van een boer in paniek op zoek naar zijn koeien. De Boeddha en zijn monniken hebben de koeien ook niet zien langskomen. De man rent verder, bang dat hij al zijn bezit kwijt is. De Boeddha zegt tegen zijn monniken: ‘Wat zijn wij gelukkige mensen dat wij geen koeien hebben’.

De Boeddha en zijn monniken leefden zonder bezit. Zij voorzagen al bedelend in hun levensonderhoud. Zo tonen ze de mogelijkheid om niet al te krampachtig aan bezit gehecht te zijn. Dat is hun gift. Tegelijkertijd kunnen ook zij niet overleven zonder boeren met koeien, die hen onderhouden.

De bereidheid om te kijken is een optie, geen morele eis. Die optie komt niet in de plaats van onze overleving. Ze is ook niet moreel superieur. Ze staat ernaast, maar ze bestaat en ze is bevrijdend. Leven is een evenwicht vinden tussen beide. Monniken kiezen een pad waar ze één optie meer benadrukken. Maar dit is alleen mogelijk omdat er leken zijn.

De gift van geen angst betekent zichtbaar maken dat de bereidheid om te kijken een mogelijke optie is. Dat het mogelijk is om je geest en je hart te openen zonder iets te forceren, ook als je terecht bang bent. Het is die optie aanbieden en belichamen.

‘Leraren geven leiding vanuit een hoger niveau van realisatie dan dat van hun leerling’, klinkt voor mij als een expressie van angst. Die angst is niet per definitie irrationeel. Ik kan mij voorstellen dat een dergelijke relatie in sommige culturen veiligheid creëert. In onze cultuur is het een bron van misbruik. Dit misbruik is des te erger omdat juist in deze kwetsbare context veiligheid zo kostbaar is.

Misschien is het een inherente paradox in iedere vorm van religie. De behoefte aan veiligheid kan het verlangen naar openheid tegenspreken in plaats van het te ondersteunen. Dan wordt religie dogma en onderwerping, waardoor we onze geest en ons hart weer afsluiten.

Deze paradox is ook het thema van Fjodor Dostojevski’s parabel van de grootinquisiteur. Christus wordt hier door de inquisitie veroordeeld tot de brandstapel omdat hij de mensen een vrijheid gegeven heeft die ze niet aankonden. De grootinquisiteur is de belichaming van angst en gebrek aan vertrouwen. Christus is de belichaming van vertrouwen. Hij zegt niets, stapt naar de grootinquisiteur toe en kust hem. Hij toont een andere optie.

Voor mij is de leraar degene met het meeste vertrouwen, met de minste angst. Dat wil zeggen dat leerling en leraar verwisselbare posities zijn. De praktijk van een veilige plek creëren om te openen en te kijken is een levenslang gebeuren. Vertrouwen is wel iets wat groeit maar daarom niet voor eens en voor altijd bereikt wordt.

Ter afsluiting de mooiste zin uit de tekst van de Dharma Adviesraad: ‘De Boeddha heeft eens gezegd, in antwoord op een uitroep van zijn neef Ananda dat spirituele vriendschap zeker de helft van het spirituele leven omvatte: “zeg dat niet, Ananda, spirituele vriendschap is het hele spirituele leven!”’. De gift van geen angst is een geschenk dat we aan elkaar geven in de stilte van het samen zitten. Laat dat onze praktijk zijn.

Het voorlopig advies van de Dharma Advies Raad is hier te lezen

Categorieën: teisho
Tags: , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu