Ryokan was een boeddhistische zen monnik, maar hij verliet het klooster en leefde een groot deel van zijn leven als kluizenaar. Hij bedelde om eten en woonde in een kleine hut.
Japans boeddhisme
Boeddhistische doeners en denkers – de serie 41
Sonja Jodo Nijon: ‘Ik wend m’n blik af, voel gêne. Voel me een klein kind, de slechtste leerling uit de klas.’
Taigu – Het eerdere en het latere
Hisamatsu was een vriendelijke, maar messcherpe man met een karakteristieke witte baard en een leraarsstok. Behalve filosoof verbonden aan een universiteit was hij een natuurtalent in zen. Na een kloostertraining stond hij op en vestigde zich op eigen gezag als zenleraar. Zijn missie na de Tweede Wereldoorlog was het vermolmde Japanse zen ingrijpend te vernieuwen en het toegankelijker te maken voor leken.
Bodai (slot) – ‘langzaam wordt alles scherp en helder’
Langzaam wordt alles scherp en helder, de inktzwarte duisternis omarmt Bodai met een warm en veilig gevoel. Hij ontdekt zijn ademhaling die diep de grond in daalt en weer opstijgt tot in zijn buik, zijn buik die als water in een kom zijn adem draagt. Bij elke ademhaling strekt ruimte zich verder uit tot de verste uithoeken van het universum. Dan stopt het, als de zee die zich bij eb terugtrekt- zo verdwijnt de ruimte. Bodai blijft onwrikbaar zitten en alles stroomt over hem uit, duisternis, ruimte, tijd, als een weefsel wordt hij er door omkleed. Dan buldert zijn adem weer de grond in- zijn inktzwarte omgeving dijt uit en hij stijgt op; de lege ruimte is gevuld met niets.
Bodai – Het boze herderinnetje
Langzaam verschijnen er sterren in het wateroppervlak, waar in het midden een kom sneeuwwitte rijstepap drijft- als een zilveren zwaan van schuim en schitterring. De storm in zijn lijf is gaan liggen, er is niets afwezig- de rivier, de boom, het bamboebosje, de gieren in de lucht, buiten is er niets afwezig, binnen is een stille schittering.
Bodai – Ondervoeding en nergens realiteit
Acwajit zegt: ‘Bodai hoe kun je jezelf zo verraden, je tegoed doen aan de illusie van eten, wat is je gelofte nog waard, alles, alles is verloren.’
Bodai – ‘ Is dat niet egoïstisch, alleen jezelf redden?’
Bodai heeft de nacht doorgebracht in het bos en wordt wakker door het getjilp van een eenzame vogel. Hij ziet verder niets, het bos waaruit het geluid komt is nog aardedonker. In het midden van het kamp gloeit het vuur van de vorige avond nog na. Aan de overkant klinkt het gekraak van iemand die zich op zijn bamboebed omdraait. Dit is voor Bodai wel een rare toestand, hij is wel wat gewend maar dakloos zijn was altijd maar van tijdelijke aard. Nu heeft hij geen uitzicht op verandering van zijn situatie, zou het wat voor hem zijn, een ascetisch leven? Langzaam begint het lichter te worden, dan ziet hij dat alleen Kaun nog op zijn bed, ligt de anderen zijn verdwenen.
Bodai – ‘Ik ben geen bedelaar, maar een monnik’
De zwerver raakt op dreef: ‘Je hebt in zeven jaar nog niet veel geleerd, hè. Het enige wat je geleerd hebt is een vroom gezicht trekken, en die klap heeft ook niet veel geholpen. Je zou eigenlijk takken moeten gaan sjouwen om nog wat te leren. Rot op met je liedje het gaat om geven, alleen maar geven.’ Beteuterd kijkt Bodai naar de kom water in zijn handen, de dag begon al raar maar nu is het nog veel gekker. De bedelaar vraagt: ‘Wat ben je van plan?’ ‘Van plan, ik weet het niet, ik, ik…’Diepe zucht.
Bodai – ‘Ik ben niet in de wieg gelegd voor monnik’
De wereld schudt op z’n grondvesten een inktzwart gordijn schuift voor de zon, dan is het doodstil. Bodai staart in een inktzwarte omgeving. Er is geen wind, geen gevoel van de warmte van de zon, geen geur van de bomen, het gras, geen zwaartekracht,…er is alleen inktzwarte duisternis. Gelukkig voelt hij zijn stoel nog. Als hij zijn voeten op de grond wil zetten is er geen grond, onwillekeurig grijpt hij zijn stoel vast, bang er vanaf te vallen. Zijn ademhaling is gejaagd, niet zo rustig als normaal. Alles is doodstil en inktzwart, hij is bang om in een oneindige diepte te vallen.
Bodai – Gestaag stroomt de tijd voorbij
Drie dagen na zijn negentiende verjaardag vraagt hij aan de lama: ‘Ik ben nu zeven jaar in de tempel en ik heb nog steeds geen prajna-ervaring gehad. Ik denk niet dat ik echt voor lama in de wieg ben gelegd.’
Bodai – Het zitten begint te wennen
Je begrip over alles is incompleet, natuurlijk spring je niet in de rivier, je bent nog niet herboren, je slaapt nog, daarom ben je nog niet in staat het geheel, de eenheid te zien. Je hebt er van gehoord en het voelde goed- het was duidelijk en het klopte, maar dat is alles. En dan kom je naar mij om te vertellen dat je een stofje bent. Er zijn momenten dat het oké is om een nietig stofje te zijn.
Bodai – De bel
Na zijn buigingen vertelde Bodai in geuren en kleuren dat hij vannacht zichzelf zag slapen. Zoooooo, zei de lama, ‘als jij jezelf zag slapen,…. wie keek er dan?




