Regelmatig krijg ik vragen over de werking van de geest en het bewustzijn. Er bestaan metaforen voor de geest; in het oosten worden bamboescheuten gebruikt als metafoor voor een open en ontvankelijke geest. Wilgentakken zijn in het westen symbool van dezelfde buigzaamheid. Als jonge bamboescheuten buigen ook wilgentakken in alle stormen mee. Het doet denken aan een uitspraak van Confucius: “When the wind blows, the grass bows”. Als de wind waait, buigt het gras soepel mee. Bij windkracht 8 zie je in Zeeland het gras vaak plat tegen de grond liggen. Een soepele geest is een lege geest. Bij ons is dat zelden het geval, want we verliezen ons te vaak in meningen en overtuigingen. De Boeddha legt in de Dvedhavitakka-sutra uit hoe je je geest kan zuiveren van de drie vergiften van haat: boosheid of irritatie; begeerte: we klampen ons te vaak vast aan allerlei dingen die we willen. Onwetendheid: we laten ons te vaak bepalen door allerlei gedachten en conditioneringen, die de geest star en onbuigzaam maken.
In de Mahayana-traditie baseren we ons voornamelijk op de Prajna-paramitasutra’s, maar het is fascinerend om terug te gaan naar de oeroude teksten van de Pali-canon. Soetra’s uit de Pali-canon zijn teksten van de Boeddha zelf. Ananda, neef van de Boeddha die hem altijd op zijn tochten door het land vergezelde, bleek een fenomenaal geheugen te hebben. Hij reciteerde de teksten tijdens het congres[i] dat na het overgaan van de Boeddha werd gehouden. Ik lees een passage voor uit de Dvedhavitakka soetra die over heilzame- en onheilzame gedachten gaan om een beeld te geven van de manier waarop de Boeddha onderricht gaf, dat eigenlijk heel klinisch is: “Zo ontstond een gedachte van zintuiglijk verlangen in mij. En ik begreep: ‘Deze gedachte van zintuiglijk verlangen is in mij ontstaan. Het leidt tot mijn eigen nadeel, het nadeel van anderen en tot het nadeel van beiden; het blokkeert wijsheid, veroorzaakt moeilijkheden en leidt niet naar geluk. Toen ik dit overwoog: deze gedachte van zintuiglijk verlangen is in mij ontstaan. Het leidt tot mijn eigen nadeel, het nadeel van anderen en tot het nadeel van beiden; het blokkeert wijsheid, veroorzaakt moeilijkheden en het leidt niet naar geluk, nam het in mij af. Steeds als er een gedachte van zintuiglijk verlangen in mij opkwam, gaf ik die op en liet ik die los.” Minutieus beschrijft de Boeddha het proces van gedachten die opkomen, de gevoelens die hieruit ontstaan. Hij beschrijft de consequenties van die gedachten en gevoelens en uiteindelijk ook het loslaten van die gedachte, door de onheilzaamheid ervan op te merken.
Thich Nath Hanh zegt precies hetzelfde, maar in andere woorden en voegt er nog iets aan toe. Wees opmerkzaam op wat er in de geest gebeurt en merk het begin van een onheilzame gedachte direct op. Geef het geen kans uit te groeien tot verhalen en verzinsels of aannames, want ze wekken onheilzame gevoelens op. Merk ze op en geef ze geen water. Thây gaat een stap verder dan de Boeddha. Hij zegt: denk aan een beeld dat heilzaam en positief is.
Als je begint met deze beoefening, kan het heel kunstmatig op je overkomen. Regelmatig overvalt je het gevoel dat je jezelf voor de gek houdt, althans zo verging het mij. Dat kan toch niet, dacht ik bij mezelf? Het kan toch niet zo simpel zijn? En dan vroeg ik me regelmatig af, of ik mezelf wel serieus nam als ik geen aandacht schenk aan gedachten en ze loslaat? Maar dat is nu juist de essentie van onze beoefening om ons niet te identificeren met gedachten. We hebben niet door dat we het ik en ego juist voeden door gedachten en gevoelens serieus te nemen, het voedt de gedachte aan het bestaan van en het geloof in een vast zelf.
Maar we zijn onze gedachten niet. We zijn onze gevoelens niet. Er is geen zelf met een vaste kern. We bestaan uit namo-rupa, uit processen van stoffelijke- en onstoffelijke elementen, uit fysieke en mentale processen.
Ons bewustzijn werkt wat dat betreft heel verraderlijk. In het boeddhisme bestaat er geen zelf met een vaste kern. Het is een illusie die ons alleen maar in de problemen brengt. Ons bewustzijn creëert een ‘ik en ego’ dat zich vastklampt aan alles wat de zintuigen opdoen aan indrukken en waarnemingen, zoals verlangens en emoties, vreugde, pijn, woede, angst, enz.
Ons bewustzijn bestaat uit acht bewustzijnslagen[ii] en werkt als volgt:
Wij hebben zes zintuigen: het oog, oor, neus, tong, lichaam en het bewustzijn, dat het zintuig van de geest is. Ze vormen de eerste zes bewustzijnslagen: lichaam, voelen, denken, motivatie en gewaarzijn (de vijf skanda’s uit de Hartsoetra). De zesde laag is cruciaal, daar vormt het bewustzijn een ego en ‘ik’.
De zesde laag: is de laag waar het ik of ego (bewustzijn) zich vastklampt aan alles wat het via de zintuigen meemaakt, aan indrukken en waarnemingen. Die stapelt ze op in de volgende bewustzijnslaag, het opslagbewustzijn.
In deze zevende laag, het opslagbewustzijn, liggen emoties opgeslagen. Het is een soort rugzakje dat we ons leven lang met ons meetorsen. Bij de één zitten er maar een paar kiezeltjes in en de ander torst zware bakstenen met zich mee. Dat rugzakje sleep je met je mee en we laten ons erdoor gijzelen. Gijzelen door die zevende laag van het opslagbewustzijn, waar al onze ervaringen uit onze jeugd liggen opgestapeld, het fysieke en psychische geweld, het seksueel misbruik dat we misschien hebben doorgemaakt, het pesten in onze jeugd. Alles wat we hebben meegemaakt heeft zich er vastgezet. Als er nu iets gebeurt en het ego ervaart dat als pijn, dan worden acuut de pijn, het verdriet, de angst, de woede uit het opslagbewustzijn getriggerd en actief in het moment. De reactie is explosief en staat niet in verhouding tot wat er nu gebeurt. De pijn van nu, bijvoorbeeld doordat iemand je negeert, wordt versterkt door de pijn uit het verleden waarin je niet werd gezien. Oude pijn blijven we met ons meedragen, het ego houdt die pijn vast. Het bepaalt soms zelfs volledig onze identiteit in het heden dat zich heeft vastgezet in bijvoorbeeld een laag zelfbeeld. Het enige wat helpt is om de pijn te omarmen, erdoorheen te gaan, waardoor het kan smelten.
Op de onderste en achtste laag, diep onder de navel, visualiseer ik altijd, ligt het zuivere bewustzijn als een grenzeloze oceaan. Het is onze ware natuur, die ondergesneeuwd is geraakt door de opgeslagen emoties uit het verleden.
Thich Nhat Hanh noemt het opslagbewustzijn onze tuin. Wij moeten als een tuinier voor die tuin zorgen, zegt hij, en de onheilzame zaden als ‘onkruid’ eruit trekken en de heilzame zaden van geluk, vreugde en liefde, die ook in de tuin liggen opgeslagen, aandacht geven, zodat ze krachtiger worden en ongewenste planten gaan verdringen. Omarm de pijn die onder bijvoorbeeld woede ligt, waardoor het kan gaan smelten en je rugzak leger wordt. Hoe meer je wegwerkt uit dat opslagbewustzijn, hoe vrijer je wordt.
Ook Xu Yun[iii] , de laatste grote Chinese zenmeester die 120 jaar werd, heeft hier iets over gezegd. Hij uit zich veel radicaler dan anderen als hij over de bewustzijnslagen spreekt. Hij noemde de zesde laag het misleidende bewustzijn omdat het ego voortdurend door het bewustzijn wordt aangezet om zintuiglijke ervaringen vast te houden en op te slaan in het opslagbewustzijn. Hij zegt dat, als er geen ‘ik’ en geen ‘ego’ zou zijn dat denkt en ervaart en er iets van vindt, dat er dan volkomen vrijheid zou zijn. Dan zouden we alles in het moment ervaren en het direct weer los kunnen laten. Ons opslagbewustzijn zou dan leeg blijven!
We laten ons voortdurend door het ego misleiden, want het ego klampt zich steeds vast aan alle indrukken die het opdoet. We blijven daardoor met handen en voeten gebonden. Om volledig vrij te worden, moeten we die ‘dieven’ zoals Xu Yun het ik en het ego noemt, een kopje kleiner maken. We moeten sterven op het kussen, sterven aan het ego! Om dat te bereiken maken we gebruik van “het diamanten tweesnijdende zwaard van de bodhisattva van de wijsheid Manjushri[iv]”. Het tweesnijdende zwaard dat een einde maakt aan onwetendheid (1988:169). Met andere woorden, als we alle rommel opruimen en de illusies van het ego doorzien, komt onze ware natuur vanzelf bloot te liggen. Sommige mensen vinden dat een angstige gedachte, denken bijvoorbeeld dat ze oplossen en er niets over blijft. Het geeft ons juist de grootste vrijheid die er kan zijn, want we realiseren onze ware natuur, vertoeven in de grondeloosheid van ons bestaan, die vrijheid is. Alles stroomt, het ego lost op, het ware zelf verrijst als een feniks uit de as.
En dan steekt Xu Yun van wal met een beschrijving van wat ons te wachten staat. Daar in die onderste laag, strekt zich de grenzeloze wijde oceaan uit van het zuivere en heldere bewustzijn van onze ware natuur. “Het is onze ware natuur, ons oorspronkelijke gelaat. Het is de binnenkant van het universum. Deze grenzeloze bewustzijns oceaan, die we allemaal samen zijn, maar niet door de zes zintuigen kan worden waargenomen. In verlichtingservaringen komt het besef dat de vijf lagen van de zintuigen en de zesde en zevende lagen niets anders zijn dan deze achtste laag. Door het smelten van het ego zijn we als golven van het water van de grenzeloos uitgestrekte oceaan. Bij onze dood vergaan de zes zintuigen tegelijk met het lichaam. Maar het bewustzijn van de achtste laag is duurzaam en eeuwig” (2010: 91). Het valt samen met onze ware natuur, die onvergankelijk is.
Xu Yun spoort ons daarom aan om hua tou in onze beoefening te gebruiken en onze beoefening te focussen op de zesde en zevende bewustzijnslaag, de lagen van bewustzijn (ego) en opslagbewustzijn. In je beoefening concentreer je je daar vooral op. Hij raadt ons dit aan, omdat het ego juist daar voortdurend onderscheid maakt tussen gedachten en gevoelens, zoals prettig, onprettig, of dit wil ik wel en dit wil ik niet. Ik heb het vaker over de beoefening van hua toa gehad. Hua Tao is: de geest naar binnen keren, luisteren naar wat er van binnenuit gezegd wil worden via onze innerlijke wijsheid, onze eigen (ware) natuur. Hua Tao beoefen je door steeds weer opnieuw bij iedere gedachte die opkomt, de vraag te stellen: wie is het die ziet. Het is mijn oog, zeggen wij; het oog is niet van mij, het oog is van zichzelf. Dat geldt voor alle zintuigen. Wie is het die hoort? Wie is het die ruikt, voelt? In simpele taal gaat het feitelijk om niet weten. We bevragen alles, want we zitten te vaak vast in patronen en conditioneringen. We vragen ons af: is dat wel zo? En daarmee ontrafel je de onbuigzaamheid van de geest door niets voor zeker aan te nemen. Je geest wordt buigzaam als een jonge bamboescheut of wilgentak. Xu Yun raadt ons aan om dag en nacht hua toa toe te passen opdat de laag van het ego kan uitdoven en transformeren. In zijn tijd deed hij dat met de monniken om hem heen. De situatie in een klooster is natuurlijk heel stimulerend omdat je samen als sangha dit beoefent. Wij zijn lekenbeoefenaars. We leven in een andere wereld en moeten het vooral uit onszelf halen, maar we kunnen die beoefening toepassen in ons dagelijkse leven. Het ego merkt op wat in de geest opkomt en laat het los. Doet er niet iets mee. Hua Toa is de vraag stellen: Wie ben ik? Wie is het die oordeelt? Wie is het die onderscheid maakt? Wie ben ik? We zitten zo vast in onze overtuiging dat we een vaste kern hebben, maar we zijn slechts processen. Er is geen vast zelf. Hoe meer het ego oplost en smelt, hoe meer de dieven, zoals Xu Yun ze noemt, een kopje kleiner worden gemaakt, hoe leger het opslagbewustzijn wordt, want er is geen ego meer dat zich eraan vastklampt. In ieder van ons schuilt een boeddha, die mede door de meditatie tot wasdom komt. Dat doen we door heilzame gevoelens zoals liefde, compassie, vriendschap of vrijgevigheid te voeden door ze actief in onze geest op te roepen en onheilzame gevoelens geen aandacht te geven, zoals Thich Nhat Hanh bedoelt met zijn tuin.
Ik begon dit verhaal over heilzame en onheilzame gedachten en gevoelens. Simpeler gezegd gaat het over goed en kwaad. Iedere cultuur, overal ter wereld vertelt soortgelijke verhalen in de beeldtaal van de eigen cultuur[v], zoals een verhaal over goed en slecht van de Indianen van Noord-Amerika. Een grootvader wandelt met zijn kleinzoon en zegt: “Binnen in me is er altijd een gevecht gaande. Het is een gevecht tussen twee wolven. De ene wolf is slecht, hij bestaat uit woede, jaloezie, hebzucht, wrok, verwaandheid, leugens, valse trots, superioriteit en ego. De andere wolf is goed, hij is vol vreugde, vrede, liefde, compassie, hoop, kalmte, nederigheid en vrijgevigheid. Binnen in jou woedt dezelfde strijd en dat geldt voor alle mensen.” De kleinzoon denkt even na en vraagt: “Welke wolf wint het gevecht?”. De grootvader antwoordt :”De wolf die je voedt.”
Dat is onze beoefening: dag in, dag uit. Het ego en de werking van het ego is een van de centrale thema’s in het boeddhisme, maar ook in andere religieuze systemen en culturen over de wereld. We creëren het ego zelf en houden dat in stand met gedachten, overtuigingen, oordelen en opvattingen; het zijn onheilzame gedachten die de bron zijn van ons lijden, niet alleen van onszelf, maar ook van degenen die om ons heen leven. Door de goede wolf in ons te voeden, komt de weg vrij om onze ware natuur te ervaren en de boeddha in ons te bevrijden.


Geef een reactie