In de Noordzee is er een vis die Kun heet en een omvang heeft van ik weet niet hoeveel duizend li. Hij verandert in een vogel die Peng heet. Peng heeft een rug van ik weet niet hoeveel duizend li. Wanneer hij zich opheft en wegvliegt, lijken zijn vleugels op wolken die de hemel bedekken. Bij woelige zee en hevige storm trekt deze vogel naar de Zuidzee. De Zuidzee is een natuurlijke vijver.
Een belangrijke tekst opnieuw vertaald.
Het bovenstaande fragment is het begin van een daoïstische tekst, geschreven in China gedurende de periode van de Strijdende Staten (475 v.j. – 221 v.j.). De tekst bevat de lessen van Zhuangzi, meester Zhuang, die voluit Zhuang Zhou heette. Het is een kleurrijke en gevarieerde tekst met een rijke symboliek, spitse discussies en veel apoftegmata, verhalen over een bekend persoon met een morele strekking. In hoofdstuk 27 wordt toegegeven dat de tekst voor 90% bestaat uit metaforen, voor 70% uit (pseudo)citaten van bekende personen en heel veel “bekertjeswoorden”, dat wil zeggen meerduidige uitdrukkingen bestemd voor de goede verstaander. De uitdrukking verwijst naar glaasjes zonder voet die alle kanten op konden vallen als er drank in werd geschonken en die de klant daarom snel op het juiste moment moest oppakken.
De tekst die we nu hebben bestaat uit 33 hoofdstukken, waarvan de eerste 7 de ”Innerlijke Hoofdstukken” worden genoemd. Het zijn waarschijnlijk verslagen van het onderricht van meester Zhuang zelf. Daarnaast zijn er 15 zogenaamde “Uitwendige Hoofdstukken”, die een andere herkomst hebben, en 11 “Gemengde Hoofdstukken” waarvan de herkomst niet zeker is.
De bekendste Nederlandse vertaling van het gehele boek is voltooid in 2007 door de sinoloog Kristofer Schipper. Een andere bekende sinoloog was René Ransdorp (1944-2017). Ook hij had heel wat boeken over daoïsme, ook vertalingen, op zijn naam staan. Hij was toen ook al bezig met een vertaling van de Innerlijke Hoofdstukken, maar heeft de publicatie ervan niet voor elkaar gekregen. Uitgeverij Damon heeft nu deze vertaling van de Inwendige Hoofdstukken apart uitgebracht met een commentaar van Michel Dijkstra, die daarbij aantekeningen van Ransdorp tot zijn beschikking had.
De vertaling
Een aantal lezers zal zich misschien afvragen of het zin heeft om de vertaling van Ransdorp aan te schaffen als je die van Schipper al hebt. Voegt deze iets toe of is ze beter? Het is moeilijk een algemeen antwoord te geven op deze vraag. Zeker, Ransdorp leest het Chinees vaak op een andere manier, maar dat is niet per se beter of slechter. Het Chinees geeft vaak ruimte voor meerdere interpretaties. Vaak kiest Ransdorp andere bewoordingen als Schipper, maar de betekenis komt meestal wel op hetzelfde neer. Een woord voor woordvertaling uit het Chinees is nu eenmaal onmogelijk en bovendien zijn er soms woordspelingen mogelijk of verborgen associaties omdat verschillende karakters vaak hetzelfde of bijna hetzelfde worden uitgesproken. Er is bijvoorbeeld een verhaal over kok Dīng (丁)die een mes hanteert, maar dīng(盯)betekent in het Chinees ook concentratie en een mes is een dāo (刀), maar de dăo (道, uitgesproken met een andere toon), is de (juiste) weg of leer. Dit past allemaal mooi in de bekertjeswijsheid van Zhuangzi, maar het is moeilijk te vertalen.
Ransdorp geeft ook verklaringen bij de tekst, helaas in eindnoten. Schipper is wel wat uitvoeriger en gebruikt voetnoten, wat een stuk prettiger leest. Daarbij komt nog dat Dijkstra voorstelt om heen en weer te bladeren tussen de vertaling zelf en zijn “leeswijzer”, zodat het lezen nogal een gedoe wordt, Een ander verschil is dat bij Schipper de fragmenten in dichtvorm duidelijk herkenbaar zijn, terwijl Ransdorp ze gewoon in de lopende tekst opneemt.
Een belangrijk aspect van dit soort vertalingen is dus dat er veel mogelijkheden zijn om de betekenis te verwoorden. De titel van het eerste hoofdstuk wordt bijvoorbeeld heel verschillend vertaald. Ransdorp geeft “Onbelemmerd zwerven”, Schipper: “Zwerven vrij en blij”, Burton Watson: “Free and easy wandering”, Brook Ziporyn: “Wandering far and unfettered” en Guo Xiang (252–312) die de Zhuangzi redigeerde en de hoofdstukken indeelde: “Spontaneous free play”. De Chinese term is xiāoyáo yŏu (逍遥遊), dat door Watson het meest letterlijk wordt vertaald. Xiāoyáo betekent volgens het woordenboek “onbelemmerd” en yŏu heeft iets in zich van “doen zonder uitwendig doel”. Het komt ook terug in de uitdrukking voor zwemmen. Vissen zwemmen in de vorm van yŏng (泳), want ze kunnen niet anders. Mensen zwemmen echter in de vorm van yŏuyŏng (游泳), want ze doen het voor hun plezier. Dit is dan ook de belangrijkste boodschap van de gehele tekst: leef elke dag als een vakantiedag, leef spontaan, wees nutteloos, stel je leven niet in dienst van een of ander uitwendig doel.
Zhuangzi bedoelt dit serieus: hij onderwijst een verlossingsleer en wat hij te zeggen heeft verschilt in principe niet van het onderricht van de Boeddha. Je kunt met name in het tweede hoofdstuk: “Vertoog over de gelijkheid van de dingen”, dan ook verschillende kernelementen van het boeddhisme herkennen, zoals: de drie Edele Waarheden, afhankelijk ontstaan, meditatie, leegte van zelfstandig bestaan, het niet-zelf en verlossing in dit leven.
De Zhuangzi is hierin uniek, zelfs binnen het daoïsme. Het is daarom vaak mogelijk om de woorden van meester Zhuang te onderscheiden van de van buiten gekomen hoofdstukken. Deze behoren namelijk tot twee totaal andere tradities in het daoïsme. We vinden beide tradities terug in de andere belangrijke daoïstische tekst uit die tijd: de Daode Jing. De ene traditie is de zogenaamde Lao-Huangtraditie, het medisch of gezondheidsdaoïsme, waar het onderscheid tussen yin- en yangenergie voorop staat. De andere traditie is die van het politieke daoïsme, een soort legalisme waar het principe van wuwei, niet ingrijpen, de kern vormt. In de traditie van Zhuangzi gaat het om de verlossing van het werelds bestaan, waarbij de meditatie, het zuowang, oftewel vergetend zitten, een belangrijk middel is.
De verlossing
Het verhaal van de vis die in een vogel verandert kun je zien als een antwoord op de vraag naar wat de verlossing inhoudt. Eerst wordt de lezer ingeleid in een dimensie van onvoorstelbare afmetingen, waardoor hij of zij loskomt van het alledaagse. Vervolgens wordt geschetst hoe het alledaagse horizontale leven gekenmerkt door streven naar vooruitgang opeens omklapt in een verticaal bestaan van vrijheid dat er haaks op staat. Vanuit dit nieuwe perspectief is vooruitgang nutteloos en nutteloosheid vooruitgang. Het tweede hoofdstuk introduceert het vergetend zitten dat deze omslag tot stand kan brengen. Veel andere verhalen zijn uitstekende instructies in het vrijkomen van wat in het boeddhisme “de wereldse dharma’s” wordt genoemd.
De vertaling
De vertaling zelf beslaat 57 bladzijden en daar komen nog 21 bladzijden aan verklarende noten bij. Michel Dijkstra schreef een inleiding en “leeswijzer” van 43 bladzijden. Hij ziet in de Zhuangzi vooral een literair werk, vergelijkbaar met Madame Bovary en De gebroeders Karamazov. Daar heb ik een groot probleem mee: niet alleen slaat hij alle passages over die duidelijk naar meditatie en verzonkenheid verwijzen, maar hij vergeet bovendien dat de Chinese literaire traditie heel erg verschilt van de Europese. Het meest bekende werk uit de Chinese literatuur is De droom van de rode kamer (Hónglóu mèng) en daarin vinden we een geheel ander mensbeeld dan we in Europese romans gewend zijn aan te treffen.
Vervolgens laat Dijkstra zich nogal meeslepen door de theorie dat Zhuangzi nooit zou hebben bestaan. Deze wordt met name verkondigd door professor Esther Klein in het eerste hoofdstuk van het boek Dao Companion to the Philosophy of the Zhuangzi. In het tweede hoofdstuk staat echter een reactie hierop van professor Yuet Keung Lo, waarin hij een aantal beweringen weerlegt en andere sterk relativeert. Dijkstra veronderstelt dat de Zhuangzi een samenraapsel is van teksten van verschillende auteurs (bladzijde 14). In zijn leeswijzer lijkt hij echter deze theorie weer te zijn vergeten. Daar vormen de “Innerlijke geschriften een buitengewoon complex en subtiel weefsel vanop elkaar inhakende filosofische ideeën” (bladzijde 25).
Het sterkste argument tegen de samenraapsel-theorie is dat in de tekst, vooral in de Innerlijke Hoofdstukken, meester Zhuang naar voren komt als een sterke persoonlijkheid met een heel eigen diepzinnige filosofie. De discussie over de authenticiteit van de tekst betreft trouwens alleen dit gedeelte. Er is geen enkele twijfel over dat er in de andere delen veel materiaal van andere auteurs is te vinden.
Als argument voor zijn opvatting stelt Dijkstra vast, in navolging van Klein, dat er geen sluitend bewijs is voor de historiciteit van Zhuangzi. Afwezigheid van bewijs is echter geen bewijs van afwezigheid. Er is bovendien geen enkele aanwijzing voor dat de tekst door een collectief zou zijn geschreven en zoiets zou toch erg moeilijk verborgen kunnen worden gehouden. Bovendien denkt Dijkstra dat de indeling in innerlijke, uitwendige en gemengde hoofdstukken door de redacteur Guo Xiang is verzonnen, maar Yuet toont aan dat een dergelijke indeling in die tijd vrij gebruikelijk was.
Dijkstra schildert een compleet verzonnen en tendentieus beeld van redacteur Guo Xiang. Hij beweert namelijk op bladzijde 13 dat Guo de oorspronkelijke tekst van 52 hoofdstukken door censuur heeft teruggebracht tot de huidige tekst van 27 hoofdstukken. Hiervoor is geen enkele aanwijzing. Guo was een bewonderaar van meester Zhuang en had verschillende versies van de tekst tot zijn beschikking en daarnaast ook commentaren (Companion bladzijde 48).
De leeswijzer
Dijkstra loopt in zijn leeswijzer stuk voor stuk alle paragrafen door en geeft bij elk aanwijzingen. Hier en daar citeert hij Chinese commentatoren, maar vergeet helaas een bronvermelding. In veel gevallen geeft hij nuttige analyses, maar soms speelt er toch een element van persoonlijk vooroordeel van hemzelf of van Ransdorp mee. Op bladzijde 34 verschijnt bijvoorbeeld “het ware ik” weer eens ten tonele. Dit is een overblijfsel van de Platoons-christelijke metafysica, die bij Zhuangzi natuurlijk niet thuishoort. Een ander voorbeeld is dat de Chinese term “dào” (道) steevast zonder lidwoord en met een hoofdletter wordt weergegeven als “Tao”, dus niet als “de dao”. Zo maak je van het woord de eigennaam van een persoon, dus van een soort god.
In elk geval heeft Dijkstra zijn beeld van de Zhuangzi als zuiver fictie en samenraapsel in zijn leeswijzer losgelaten, want de Innerlijke Hoofdstukken vormen opeens “een buitengewoon complex en subtiel weefsel van op elkaar inhakende filosofische ideeën” (bladzijde 25). Paragraaf 3 van het tweede hoofdstuk vormt zelfs “het kentheoretische hart” (bladzijde 29). Dijkstra legt uit dat Zhuangzi weinig heil ziet in filosofische discussies, maar hij maakt niet duidelijk waarom zijn bezwaren niet zouden gelden voor politieke discussies of discussies over voetbal.
In het algemeen vind ik Dijkstra’s commentaar nogal filosofologisch. Dit sluit aan bij het ontbreken van aandacht voor het beoefenen van de leer, die begint bij het vergetend zitten, de meditatie. In de Chinese cultuur bestaat er geen onderscheid tussen studeren en praktiseren. Zelfs lichamelijke oefeningen worden gestudeerd en je kunt er na een studie diploma’s voor krijgen. Ook voor de leerlingen van Confucius gold dat studeren bestond uit praktiseren van de leefregels. Het is dus een vergissing de Zhuangzi te lezen als een soort academisch vertoog waarin weer eens De Waarheid wordt uitgelegd. Alle verhaaltjes hebben volgens mij een doel: ze moeten de luisteraar ertoe verleiden anders in het leven te gaan staan. Ze zijn er met andere woorden op uit een soort verlichtingsmoment, een satori, te bewerkstelligen. Als dit zo is, dan is er ook wat voor te zeggen om de Zhuangzi zonder commentaar te lezen.
Wie eenmaal door het Zhuangzi-virus is besmet geraakt, zal waarschijnlijk behoefte hebben aan meerdere vertalingen, zoals die van Schipper of de Engelse vertaling van Burton Watson, die onder experts hoog staat aangeschreven. Het voordeel van de vertaling van Ransdorp is echter dat het een goede inleiding vormt van de kern van de leer van Zhuangzi. Het commentaar van Dijkstra draagt daar zeker aan bij.


Geef een reactie