Op mijn werktafel staat een Dymo printer. Daaraan gekoppeld adreslijsten met labels die je op kaarten en brieven kan plakken. Een van die adreslijsten noem ik de dodenlijst. Met namen en adressen van familie, vrienden, kennissen en collega’s en andere belangstellenden die na mijn overlijden een overlijdenskaart ontvangen: ‘Uitgeschreven’ staat bovenaan de tekst op die kaart.
Vanmorgen besefte ik opeens dat die lijst in feite steeds korter wordt omdat ik een overlever ben, steeds meer mensen op die lijst zijn dood. Voor mijn nazaten die mijn zeer sobere uitvaart moeten regelen is dat goed nieuws. Volgens de nieuwe richtlijnen van PostNL kost het versturen van zo’n kaart € 3,45 en dat geld kunnen ze nu besteden aan een hapje en drankje of een dagje Efteling.
Het ongewild inkorten van die lijst is voor mij als overlever toch wel een beetje vreemde ervaring. Steeds meer hoor ik mezelf zeggen als ik met anderen over iemand (op de lijst) praat: ook al dood. Ik ben familie van de in Rotterdam legendarische opoe Herfst, die naar ik meen ouder dan honderd jaar werd. Als de herfst in mijn genen zit kan ik nog wel een tijdje vooruit maar zal de Dymo lijst tegen de tijd van overlijden mogelijk drastisch ingekort zijn. Is dat erg? Voor mij maakt het niks uit, ik ben toch al dood en van niks bewust.
Deze week keek ik naar een documentaire over een forensisch rechercheur die aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) leed. Herinneringen aan de meest vreselijke zaken kwamen bij hem boven en beinvloedde zijn functioneren. Samen met zijn therapeut berekende hij dat hij minstens 1500 dode mensen had gezien, vermoord, uit elkaar gerukt. Binnen het politiekorps kon hij er niet over praten, mannen huilen niet. Van elk -ook zacht- geluidje in zijn omgeving schrok hij zich rot.
Het gaat mij niet om aantallen maar ik herkende als voormalig politieverslaggever veel van wat hij vertelde over zijn ervaringen. Ook het vreselijk schrikken van geluiden. Ook ik kon dat nooit een plekje geven. Voor de rechercheur gold: echte mannen huilen niet. Voor mij als politieverslaggever was de realiteit dat, als ik na vreselijke gebeurtenissen, trein- en vliegrampen, moordpartijen, gijzelingen, brandende mensen, dode kinderen op de redactie van de krant arriveerde: aan de slag hoorde, de krant gaat zo zakken. Voor empathie en mededogen, een luisterend oor was geen plek. Journalisten janken niet.
Het is weerkundig gezien vandaag een mooie dag en dan schrijven over de dood? Dat hoort ook bij het leven. Geniet van de dag.

