Vorige week werd met enige trots in het Journaal gemeld dat er in Nederland ruim een miljoen mantelzorgers actief zijn om voor hun naasten te zorgen. Eigenlijk was de boodschap dat door een terugtrekkende overheid de druk op de zorg zo enorm is toegenomen dat er tegenwoordig zelfs opvangtehuizen zijn om geestelijk en fysieke doodmoede mantelzorgers op te vangen en bij te laten tanken.
Een mantel draag je om je te weren tegen weersinvloeden. In herfst en winter, nog een stukje voorjaar en dan de kast in. Dus tijdelijk. De zogeheten mantelzorgers hebben geen kast, moeten zich altijd weren tegen invloeden van buitenaf. Tot ze er dood bij neervallen of nog zieker worden dan degene voor wie ze moeten zorgen.
Let wel, ik ben niet tegen hulp verlenen aan hen die dat behoeven. Ik woonde geruime tijd in Overijssel en de Achterhoek waar noaberschap heel normaal is. In tijden van ellende en droefenis sprong je bij. Dat resulteerde in de groet wirkommen. Maar het item in het Journaal vervulde mij met enige weerstand omdat er van vrijwilligheid in dat opgerichte systeem geen sprake is. Degene die geen zorg verleent kan een steen door de ruit verwachten of mag niet meer mee naar de kroeg of op vakantie. Zorg moet systeemloos zijn, geïnspireerd door liefde, compassie en empathie.
Regelmatig krijg ik van relatie loze mantelzorgers te horen: wie zorgt er voor mij als ik zorg nodig heb?
Zelf denk ik: wie zorgt er voor de vrijwilligers in tehuizen die doodmoede mantelzorgers opvangen en opkrikken? Worden er voor hen ook opvangtehuizen opgericht? En voor de vrijwilligers in die tehuizen ook? De cirkel is rond.
Zorg wordt zorgwekkend.


Geef een reactie