Toen ik 28 jaar geleden begon als jong journalistje bij een krant, was veel roken en drinken nog heel gewoon. De redactie stond vol asbakken. Na het werk samen bier drinken in de kroeg hoorde bij de initiatierite. Nee zeggen was er niet bij. Ik zou er later een dure prijs voor betalen, want ik belandde als manisch-depressieve alcoholist in een rolstoel.
Daar geef ik mijn collega’s trouwens niet de schuld van. Ik was er zelf bij.
Sommige journalisten gingen me voor, het putje in. Ik herinner me B., die al dood was toen ik begon bij de krant. Door legendevorming ter redactie hoorde ik over hem. B. was een bipolaire blower en drinker, maar ook een getalenteerde journalist. Er gingen epische anekdotes over hem rond, al hadden die vooral betrekking op zijn mislukte zelfmoordpogingen.
Pas de zesde keer lukte het, toen B. zich liggend op een matras liet afzinken in een meertje. Veiligheidshalve nam hij eerst een overdosis slaapmiddel.
Zijn collega’s droegen hem naar het graf. Vervolgens kregen ze ruzie toen ze de kist met B. in de kuil lieten vallen. De vraag wie daar verantwoordelijk voor was, werd nooit beantwoord. Iedereen gaf elkaar de schuld.
Ik vond die B. wel een romantische ziel. Dat hij ten onder ging aan zichzelf, leken zijn collega’s tamelijk onvermijdelijk te vinden. Het kon trouwens nog erger, want op dezelfde krantenredactie waar ik begon, werkte ook G. Hij was een openlijke alcoholist en ruziemaker met diverse zenuwaandoeningen. Maar ook een romanticus met een goede pen.
Tegenwoordig zou zo’n collega er meteen worden uitgebonjourd door een kille human resource-functionaris, in samenwerking met de bedrijfsarts. 28 jaar geleden ging dat anders. Uit een soort broederlijke solidariteit werd G. zo lang mogelijk gehandhaafd op de werkvloer. Ook al rook hij naar drank, en was hij niet meer in staat een coherent artikel te schrijven. Daarom mocht hij steeds opnieuw het archief opruimen, wat hem diep vernederde.
Pas toen G. echt onmogelijk begon te worden, kreeg hij ontslag. De daarop volgende echtscheiding deed hem de das om. G. werd dood gevonden in zijn appartementje. Omringd door lege jeneverflessen. Hij had zich dood gedronken.
Ik zag G. altijd als een afschrikwekkend voorbeeld: zo wilde ik niet eindigen. Later zou ik verdacht veel op hem gaan lijken, en trouwens ook op collega B., de bipolaire zelfdoder.
Wat me tot de conclusie bracht dat de journalistiek een vak is dat je met huid en haar kan opvreten. Ook ik heb dat uitvoerig laten gebeuren, met het bekende resultaat.
Maar ik leef nog, en ik drink niet meer. Daarom acht ik het mijn plicht de collega’s B. en G. aan de vergetelheid te ontrukken.
Ik had graag nog een glas bier voor ze besteld.


Peter Pijls zegt
ik ben nu vijf weken zonder mobiele telefoon. Dankzij een gratis computer in de
bibliotheek van Roermond weet ik weer waarom niet iedereen in deze stad me zag zitten. De column speelt op krantenredacties in Roermond en Weert, in de jaren ’90.