Mentaal gewaar zijn. Het herken-, voel-, wils-, en bewustwordings- vermogen (tweede deel).
In deze serie waarin we de indeling van elementaire stoffelijke en mentale verschijnselen behandelen kijken we voor de tweede keer naar de stoffelijke basis van het zesde zintuig, dat we geest of psyche noemen. Elk zintuigproces is noodzakelijkerwijs afhankelijk van een werkzame stof, zoals de materie van de gele vlek voor het oog en zien. Er zijn dus zes unieke vormen van stoffelijkheid die bij de respectievelijke zintuigen benodigd zijn. Onze zintuig indrukken zijn alles waar we we het mee moeten doen, Er is geen zevende zintuig. In de woorden van de Boeddha:
“In ditzelfde vadem lange lichaam, met zijn percepties en gedachten verklaar ik de wereld, de oorsprong van de wereld, het ophouden van de wereld en het pad dat leidt tot het einde van de wereld.”
Ieder mens en dier vindt zijn ‘oorsprong’ bij de conceptie. Een conceptie gebeurt wanneer drie voorwaarden aanwezig zijn: Er is een vader, een moeder in de vruchtbare periode en er is een wezen dat wedergeboorte zoekt. [1]. In de abhidhamma wordt de ‘hadaya-vathu’ term gebruikt de ‘hart basis’ als specifieke stof waarop er geestelijk opereren is. De abhidamma stelt dat op het moment van de conceptie de materiële basis voor zowel tast- als geest- processen ontstaat. Het zal duidelijk zijn dat er nog geen hart gevormd is in een zygote. De term hart basis is dus overdrachtelijk. Overigens voel ik sterke emoties wel degelijk in de hartstreek.
In het abhidhamma boek de Patthāna treffen we deze ietwat cryptische beschrijving van de materiële basis voor mentaal functioneren aan:
Dat materiële ding waarop het geest-element en mentaal bewustzijn functioneren.
Elke boreling is een sterveling. Alle klassen van levende en bewuste wezens hebben gedurende hun leven deze geestbasis materie. Deze vergaat op het stervens-moment. Er is zijn uitzonderingen, de asaññasattāyatana, de perceptieloze wezens. De perceptieloze wezens hebben alleen een vorm maar de andere khandhas zijn afwezig. Wezens die hier geboren worden hebben de vierde meditatieve jhana bereikt en zien de geest als bron van ellende. Als ze daar wegvallen en als mens herboren worden zien ze vaak geen oorzakelijkheid omdat het leven zonder eerder bewustzijn lijkt te zijn ontstaan. Ze neigen naar het idee dat het huidig bestaan louter toevallig is. Daarnaast zijn er de vier soorten van arupabhūmi, de vormloze bestaansvormen[2]. In deze bestaansvormen is er wel bewustzijn die enkel op het betreffende vormloze object gericht is, bijvoorbeeld ‘ruimte is oneindig’. Van stoffelijkheid is in deze sfeer geen sprake. Hier is bewustzijn dus niet aan een stoffelijke basis gebonden. De (meditatieve) daden van wezens zijn de voorwaarden die de omstandigheden van dat wezen bepalen. De Geest is de voorloper van alle omstandigheden.
De stoffelijkheid van levende wezens en de vier klassen van mentale verschijnselen worden de khandhas genoemd. De geest kan zich in vier grotere groepen ingedeeld worden namelijk de groep van de diverse gevoelens, de groep van de diverse herkenningen, de groep van de diverse wilskrachtige uitingen en de groep van de diverse bewustzijnsvormen. Zoals oor- en zicht bewustzijn.
Na de vier grote stoffelijke elementen hebben we nu de zes stoffelijke elementen die onontbeerlijk zijn voor bewustzijn in de mens en ook dier natuurlijk. De serie gaat volgende week verder met het bespreken van de zintuig objecten zoals geur en smaak. Elke stoffelijkheid die we bespreken is een specifieke of speciale vorm van de vier grote elementen.
[1] https://discourse.suttacentral.net/t/menstruation-and-fertility-in-the-pali-texts/3042
[2] https://www.bps.lk/olib/wh/wh462x.html Uit de Pali literatuur (en andere ervaringen) is op te maken dat er 31 klassen van levensvormen zijn. Wezens zonder materiële basis voor mentaliteit worden genoemd onder 22 en 28 t/m 31.


Geef een reactie