De liberalen waren in de 19de eeuw vanaf 1848 dominant in de Nederlandse politiek. Kiesrechtuitbreiding was de directe aanleiding voor de breuk rond 1885 tussen de conservatief-liberalen en de progressief-liberalen. Hierachter gingen echter grote meningsverschillen schuil over de arbeiderskwestie (sociale kwestie). Dr. Ad C.J. De Vrankrijker wijdt zijn boek Een groeiende gedachte aan deze breuk. Dit artikel geeft een indruk van zijn boek, aangevuld met eigentijdse aanvullingen.
Na de Franse bezetting telde ons land veel armen. In de tweede helft van de 18de eeuw was het aantal echter al onrustbarend gestegen. Ook groeide het aantal renteniers. Zij hoefden niet te werken omdat ze er ‘warmpjes’ bijzaten, maar velen moesten duimendraaien omdat er geen werk was. Na 1813 nam het aantal armen niet af tot een meer acceptabel niveau, constateert De Vrankrijker in het eerste hoofdstuk Conservatisme (1815-1822). In de steden bleek dit het duidelijkst. Wat waren de oorzaken en wat was de oplossing?
Armoede
‘Arm’ was iedereen die destijds maatschappelijke ondersteuning kreeg. Er waren ‘armen’ die bijvoorbeeld door ziekte, gebrek of ouderdom zichzelf niet konden onderhouden. Ook waren er ‘armen’ die wél konden werken, maar tijdelijk of blijvend geen werk konden vinden om van te leven. De statistiek maakte dit onderscheid nog niet.
Wat is de reden van deze armoede? Volgens Thomas Robert Malthus’ Essay on the principle of population uit 1798 heeft de mens een onbeperkte drang tot voortplanting, maar de natuur is karig in het voorzien van levensmiddelen. Is er een scheve verhouding tussen het aantal mensen en de hoeveelheid voedingsmiddelen, dan komt een deel van de mensen tekort, lijden ze honger en sterven ze. Dus moest de bevolkingsgroei onder controle worden gebracht. Zo niet dan zou het land worden overladen met ‘armen en gebrekkigen, lediggangers en booswichten, welke, ten koste van den nuttigen burger, in hun ellendigen toestand worden onderhouden en gevoed’, aldus een citaat uit 1815. Liefdadigheid verzachtte Malthus’ idee.
Sommige schrijvers kwamen tot de conclusie dat Nederland niet overbevolkt was en zelfs een grotere bevolking kon voeden. Het probleem was dat velen geen geld hadden om levensmiddelen te kopen. Het viel volgens hun niet te ontkennen dat er een scheve verhouding bestond tussen de prijzen en de lonen. Een bron uit 1817 vermeldde dat de prijzen de voorgaande vijftig jaar waren verdubbeld, terwijl de lonen gelijk bleven. Vooral in de steden waren de prijzen te hoog. Daar beletten accijnzen op onder andere brood, meel, zout, olie en turf de werklui om in gunstige maanden geld opzij te leggen voor slechtere tijden.
Men twijfelde niet aan de legitimiteit van bezit en aan het standsverschil, maar kreeg wel oog voor de verschillen. Waarom moesten velen zó arm zijn en enkele anderen zó rijk? De levensomstandigheden moesten gunstiger worden. Betere woningen, betere voeding, enig bezit en bezitsspreiding zouden zorgen een groter aantal mensen degelijk en deugdelijk te maken. De auteur merkt op dat geen van de schrijvers die hij aanhaalt, meende dat werkloosheid en armoede het gevolg waren van onvermijdelijke economische wetten. Een deel van de schrijvers sprak over de luiheid en verkwisting bij een deel van de arbeiders en dat ‘ondersteuning de kwaal verergert’.
Passief liberalisme
In hoofdstuk twee Passief liberalisme (1835-1852) schrijft De Vrankrijker dat juristen en economen een voorkeur hadden voor Malthus’ leer, of deze zelfs aanvaarden als bepalend. Mensen uit de praktijk van de armoebestrijding dachten hier anders over. De officiële economie zou zich uiteindelijk losmaken van Malthus hardvochtige leer.
Zij die niet vanuit dit dogma redeneerden verweten de overheid dat zij het opstapelen van schatten door enkelingen toestond en de ‘toeneming van het gebrek bij de lagere volksklassen’ duldde, bladzijde 44. De dreiging van het revolutiejaar 1848 en de vrees voor onlusten bevorderde de eerlijkheid bij het armoedeonderzoek.
Ook de ‘armen’ kregen kritiek, hun tekortkomingen werden vaker en breder uitgemeten, zoals drankmisbruik en zedeloosheid. Heel anders was het als men sprak over het gebrek aan opleiding van de Nederlandse arbeider. Te beperkte productie en een tekort aan werk werden onder andere veroorzaakt door kennisgebrek. Veel arbeiders legden zich toe op lagere arbeid en te weinigen op arbeid waar kennis en kunde voor nodig was. Werkgevers verzuimden leiding en opleiding te geven. Toch waren er ook bezwaren tegen vakonderwijs. Ouders gingen inkomsten missen, omdat kinderen niet werkten. Ook zou geld aan de nijverheid worden onttrokken om dit onderwijs op te richten.
De officiële staatshuiskunde (economische leer) stelde dat maatschappelijke ontwikkeling plaatsvindt volgens (natuur)wetten waar mensen geen invloed op (moeten willen) hebben. De overheid moest zich dus niet bemoeien met lonen, geen werkgelegenheid scheppen, noch kapitaalvorming en belegging in de eigen industrie bevorderen. De Vrankrijker concludeert dat er in deze periode weinig ideeën bestonden over de manier waarop de armoede kon worden verminderd. Wel wilde men drankmisbruik en ruw volksvermaak aanpakken, toezicht op families instellen en zelfs àlle arbeiders onder toezicht te stellen van meer ontwikkelden.
Angst
Hoofdstuk drie is getiteld Verontrust liberalisme (1853-1870). In deze periode stond het er beter voor dan in de vorige. Dit wil niet zeggen dat de arbeider er beter aan toe was. Zijn loon was nog steeds te laag, de werktijden te lang, de gezondheidssituatie en de huisvestingsomstandigheden waren beneden het niveau van het acceptabele. Wel gingen de meeste liberalen de positie van arbeiders los zien van de massa van de armen. Ze maakten het vraagstuk van lonen, arbeidstijden en bescherming van de gezondheid van arbeiders los van het maatschappelijk probleem van de armoede. De organisaties van hulpbetoon zetten hun werk ijverig voort.
Er ontstonden verenigingen en comités om ‘valide’ arbeiders en hun noodlijdende families te motiveren tot actie, niet zelden onder leiding van ‘heren’. Meestal waren het lapmiddelen gemotiveerd door liefdadigheid en de angst voor de ‘ismes’, socialisme en communisme, bladzijde 65. De verwachtingen over (verbruiks-)coöperaties waren hooggespannen. Arbeiders konden weliswaar iets goedkoper leven, maar er werd niets bereikt over lonen en werktijden. De staat erkende arbeiders immers nog steeds niet als ‘medeburger met medezeggenschap in het bestuur.’ Het overheidsmotto was neutraliteit. Kortom, het alom bekende liberale ‘Laissez faire, laissez passer, le monde va de lui-même.’
De ‘ismes’ sloegen een brug tussen staatsonthouding en beperkte staatsbemoeienis. Veel weldenkenden wilden de mensonwaardige toestanden opruimen. Veiligheid en economisch belang waren volgens hun motieven voor de overheid om in te grijpen. Van de afzonderlijke werkgevers viel dit immers niet te verwachten. Schoorvoetend kwamen de regering en de publieke opinie terug op het dogma dat alles wel vanzelf terecht zou komen, maar het duurde nog voor het tot daden kwam.
Trage aftrap
De sociaal-liberale politicus Sam van Houten ging de Thorbeckiaanse staatsonthouding te lijf. Hij is bekend van de ‘Wet Houdende Maatregelen tot het Tegengaan van Overmatigen Arbeid en Verwaarlozing van Kinderen’ uit 1874. Al in 1863 noemde hij in een boekbespreking het ‘veelgeroemde eigenbelang’ een onvoldoende richtlijn en lang niet altijd heilzaam in de economie. Economie als abstracte leer bracht geen beslissing over praktische vraagstukken, stelde hij. ‘Men moest oordelen naar de bestaande toestanden.’ Hij was de eerste die deze gedachte lanceerde en hij handelde hiernaar bij onder andere zijn initiatieven tegen het stakingsverbod en voor de beperking van kinderarbeid. De Vrankrijker schrijft: ‘Hij zocht het evenwicht in de samenleving voor elke stand te bewerkstellingen, en hiertoe leken wetten nodig, die de vrijheid voor werkgevers beperkten.’
De sociaal-liberalen, aangevoerd door Sam van Houten en Hendrik Goeman Borgesius, zagen in dat de ‘sociale kwestie’ een sociale politiek vereiste. Ze legden met wetgeving de basis voor de latere verzorgingsstaat. Goeman Borgesius nam in 1887 als kamerlid het initiatief tot een parlementaire enquête naar de arbeidsomstandigheden in werkplaatsen en fabrieken. Die enquête veroorzaakte een schok, zo afschuwelijk waren de werkomstandigheden in veel fabrieken. Later bracht Goeman Borgesius als minister de leerplichtwet, de woningwet en de gezondheidswet tot stand.
Overpeinzing
In zijn boek laat De Vrankrijker de gematigde en socialistische arbeidersbeweging niet onbesproken. Van Houten maakte het christendom verwijten. ’Naar zijn inzicht maakte de verwachting van een loon na de dood de mensen onverschillig voor verbetering van hun aardse lot.’ Met name Abraham Kuijper en de zijnen schreven de tegenstellingen in de samenleving toe aan zonde en zolang zonde bestaat waren ze onuitroeibaar. In andere kerkelijke kringen ontwaakte men ook voor wat betreft de arbeiderskwestie. Met name hoofdstuk vier Sociaal geweten (1871-1881) besteedt aandacht aan dit alles. De noodzaak van sociale wetgeving groeide verder. Het doel van Ad de Vrankrijker was om te laten zien hoe uit de periodes van armenzorg en sociaal nihilisme, het besef groeide dat er een sociale kwestie bestond en dat deze een oplossing vereiste. Het ging hem om deze historische omslag.
Opmerking
Columnist bij het dagblad Trouw Hans Goslinga schrijft in 2004 dat de Nederlandse sociale politiek traag verliep en zuinigjes was. Zo niet in Duitsland waar de IJzeren Kanselier Otto von Bismarck met ‘ingrijpende sociale wetgeving het spook van de socialistische revolutie poogde te verdrijven.’


Geef een reactie