Voor de bevrijding hadden de regering in ballingschap en het verzet nagedacht over hoe op te treden tegen ‘foute’ vaderlanders en twee benaderingen werden afgesproken. Er kwam een ‘zuivering’ van mensen die in hun beroep of functie te meegaand waren geweest met de bezetter. Tienduizenden NSB’ers werden ontslagen, maar vele anderen moesten voor ‘ereraden’ verschijnen, die waren ingesteld door hun beroepsgroep, politieke organisatie of vakbond. Wie het nazibewind had bevoordeeld kon een beroepsverbod krijgen voor bepaalde of onbepaalde tijd. Sommige wethouders en vakbondsbestuurders werden bijvoorbeeld geroyeerd en sommige advocaten werden ‘van het tableau geschrapt’. De ene sector nam de zuivering serieuzer dan de andere. Vrijwel alle politieagenten die bij de jodendeportatie hadden geholpen konden in dienst blijven en de zuivering van het bedrijfsleven was helemaal een wassen neus.
Sam van Houten
Liberale vrijheid, blijheid en de sociale kwestie
De liberalen waren in de 19de eeuw vanaf 1848 dominant in de Nederlandse politiek. Kiesrechtuitbreiding was de directe aanleiding voor de breuk rond 1885 tussen de conservatief-liberalen en de progressief-liberalen. Hierachter gingen echter grote meningsverschillen schuil over de arbeiderskwestie (sociale kwestie). Dr. Ad C.J. De Vrankrijker wijdt zijn boek Een groeiende gedachte aan deze breuk. Dit artikel geeft een indruk van zijn boek, aangevuld met eigentijdse aanvullingen.


