Ziek zijn, patiënt zijn en dood gaan met behoud van (enige) autonomie. Joop Romeijn schrijft op zijn blogspot (on)geschreven teksten over zijn naderend einde.

‘Alleen ben ik niet in deze – laatste – levensfase van me. Familie en vrienden zie ik elke week, soms elke dag.
Echter, zij hebben niet aangezegd gekregen, binnenkort te sterven. Ik wel, en dat creëert een speciaal soort eenzaamheid, die ik nu beoefen: reflectie op de kloof tussen de nog-levenden en de bijna-niet-meer-levende.
Greep hebben op m’n leven, bepalen wat ik belangrijk vind, en me niet (helemaal) door de ander laten bepalen, heb altijd gehad.
Nu ben ik me daar nog sterker van bewust, nu het moeilijker is die autonomie te behouden. Niet alleen laat m’n lichaam me steeds meer in de steek, ook regelen m’n verzorgers (voor m’n bestwil) tal van dingetjes die ik altijd zelf in handen had.
In de rolstoel wil ik meesturen, dat blijkt alleen maar hinderlijk te zijn, om een klein voorbeeld te noemen.
Stoppen behandeling in de vorm van een chemo, om een groot voorbeeld te noemen.
Het behoud van (enige) autonomie lukt me tot nu nog steeds wel, maar ik moet er wel m’n best voor doen. De vraag is nu moet ik dat wel willen?
Immers, ik heb het hier met enige regelmaat over sterven is loslaten. En moet ik die autonomie-behoefte dan ook niet loslaten?’ Bron weblog Joop Romeijn.

Ruim zes jaar geleden- op 16 mei 2013,  publiceerde het Boeddhistisch Dagblad zijn artikel Doodgaan voor beginners.

Doodgaan voor beginners

Le silence eternel des ces espaces infinis m’ effraie”
Blaise Pascal

Er zijn mensen die geloven in reïncarnatie of in wedergeboorte. En er zijn mensen die zich vorige levens (zeggen te) herinneren; die ‘geloven’ niet, die weten. En die herinneren zich dus ook hoe het is, dood te gaan, dat hebben ze op diverse manier ondergaan (‘gedaan’ lijkt me te actief uitgedrukt). Ik hoor daar niet bij, ik heb het nog nooit gedaan – doodgaan – ik weet het niet.

Ik ben een absoluut beginner op het gebied van het (zelf) sterven. (Volgens mij is iedereen dat maar daar wil ik het dit keer niet over hebben.) Is daar niets aan te doen? Okay, door dood te gaan natuurlijk maar daar heb ik niet veel aan. Het gaat me om het me voorbereiden op m’n sterven, m’n dood gaan en m’n dood zijn. Het ‘memento mori’ , ‘gedenk te sterven’, dus.

Een manier is, vaker zelf in de nabijheid van (andere) stervenden te zijn. Want behalve bij een beperkt aantal familieleden ben ik er niet zo veel bij  geweest. Ik heb een poging ondernomen als vrijwilliger actief te zijn in een hospice in mijn woonplaats. Mooi werk, voor mensen van alle gezindten, bij de stervenden dan, niet bij de vrijwilligers. Die moeten positief-christelijk zijn, en dat kon en wilde ik niet invullen.

Erover lezen is voor mij een logische stap. Als ik iets wil begrijpen (wat ik niet kan ervaren), ga ik er literatuur over zoeken: wetenschappelijke en ervarings-literatuur. En er over contempleren is een andere stap. De meeste teksten die ik gevonden heb, gaan over stervensbegeleiding of over het rouwen van nabestaanden over de dood van geliefden, zoals twee recente boeken van Christa Anbeek. Ik zocht echter over m’n eigen dood, van binnen uit zogezegd, over de fenomenologie van het doodgaan. Een onmogelijke opgave, maar toch de moeite waard (net als het leven zelf).

Een facet uit het inhoudsrijke boek ‘ Being with Dying – Cultivating Compassion and Fearlessness in the Presence of Death ‘ van   Joan Halifax dat me frappeerde en als een soort waarschuwing werkt. Namelijk om me niet een ideale dood, een mooi sterfbed voor te stellen met al degenen waar ik van houd om me heen en zachtjes en helder van geest alles los latend.

Geen verwachtingen hebben, het gaat zoals het gaat, doodgaan ook al. Misschien wordt het een fatale hartaanval, of creperend van de pijn door een kanker, of verdwijnend in Alzheimer, of de plotselinge dood van een verkeersongeluk.

En dan dat citaat uit de ‘Pensées’ van Blaise Pascal, wat is daar mee?
Le silence eternel des ces espaces infinis m’effraie”
Vrij vertaald: ‘ de eeuwige stilte van de oneindige ruimten maakt me bang ‘. Ben ik bang, heb ik doodsangst, angst voor de leegte na de dood of juist voor wat er wel is? Ik dacht het niet, maar ben er ook niet helemaal zeker van. Ik ben tenslotte nog niet aan het dood gaan, in zekere zin dan; in andere zin ben ik daar al vanaf m’n geboorte mee bezig. We zien wel.

Drie teksten wil ik citeren, teksten die mij behulpzaam zijn in mijn (onsystematische) contemplaties; plus een aankondiging:

thuisOns ware  ‘ door Ajahn Chah .
Geen troost maar helderheid biedend

‘ Kunt u zich voorstellen hoe het is om dood te zijn?‘ door Henk Blezer. Voor deze tekst verwijs ik naar het artikel Kunt u zich voorstellen hoe het is om dood te zijn   hierover in het Boeddhistisch Dagblad. Met de vermelding dat ik alleen passages uit het begin van dit artikel, de feitelijke delen aanbeveel, niet de er op volgende (in mijn ogen) speculatieve passages.

Tegen de zon in kijken; doodsangst en hoe die te overwinnen‘ door Irving D. Yalom
Een mooi beeld: het ‘gedenk te sterven’ is een soort ‘tegen de zon inkijken’, dat kan dus niet.
Gaat (gelukkig) niet alleen of doodsangst, ook wel over iets minder enge gevoelens.

‘ Living in the Light of Death; On the Art of Being Truly Alive‘ door Larry Rosenberg .
Aan dit boek ben ik net begonnen. Lijkt me zeer nuttig voor mijn contemplaties.

Of de lezer hier ook iets aan heeft? Dat weet ik natuurlijk niet. Mijn dood is hun dood niet en hun dood is mijn dood niet. Maar wie weet.

Ons ware thuis
door Ajahn Chah

( Lezing voor een vrouw op haar sterfbed )
Neem nu het besluit om met respect te luisteren naar de Dhamma. Probeer zo aandachtig te zijn op mijn woorden, als was het de Boeddha zelf die hier voor je zit. Sluit je ogen en maak het jezelf gemakkelijk, concentreer je geest en ontwikkel eenpuntigheid van geest. Sta nederig toe dat het drievoudige juweel van wijsheid, waarheid en zuiverheid zich nestelen in je hart, als een manier om je respect te tonen aan de Verlichte.

Ik heb vandaag niets materieels om je te geven meegebracht, slechts Dhamma: leringen van de Boeddha. Luister goed naar me, je moet begrijpen dat zelfs de Boeddha, ondanks zijn enorme verworvenheden, toch de fysieke dood moest ondergaan. Hij was op hoge leeftijd wanneer hij afstand deed van de zware last van het lichaam. Nu moet ook jij leren om tevreden te zijn met de vele jaren dat je vertrouwd hebt op je lichaam. Je zou het gevoel moeten hebben dat het genoeg is.
Je kunt het vergelijken met huishoudelijke artikelen die je al een lange tijd in je bezit hebt. – kopjes, borden, pannen etc. Op het moment dat je ze aanschaft blinken ze en zijn ze schoon, maar na ze al zolang gebruikt te hebben, beginnen ze te verweren. Het vertoont barsten of is intussen al gebroken of verdwenen, en wat niet verdwenen is, is verweerd of heeft geen stabiele vorm meer, en het is volkomen natuurlijk dat het zo gaat. Jouw lichaam is van dezelfde aard – het is voortdurend in verandering geweest vanaf het moment van je geboorte, door je kindertijd en door je latere jeugd, totdat je nu een hoge leeftijd hebt bereikt. Accepteer het. De Boeddha zei dat alle geconditioneerde samengestelde dingen (sankharas) – of ze nu inwendig zijn, lichamelijk of uitwendig, ze zijn allemaal zonder zelf, het is in hun natuur om te veranderen. Contempleer op deze waarheid tot het duidelijk je wordt.

Deze homp vlees in verval is waarheid, saccadhamma. De ware natuur van dit lichaam is saccadhamma, en het is wat de Boeddha ons voortdurend leert. De Boeddha leerde ons om naar het lichaam te kijken, te contempleren op het lichaam en om te ontdekken wat haar werkelijke natuur is. We moeten in alle rust bij het lichaam kunnen verwijlen, ongeacht de staat waarin het verkeert. De Boeddha leerde ons dat we ons moesten overtuigen dat het slechts het lichaam is dat opgesloten is in een gevangenis, en dat je je geest daarbij niet ook gevangen zet. Nu je lichaam op deze leeftijd begint af te takelen; verzet je er niet tegen, maar zorg dat je geest niet meegetrokken wordt in deze aftakeling, hou je geest daarvan gescheiden. Geef energie aan de geest door te beseffen hoe de dingen werkelijk zijn. De Boeddha leerde ons dat dit de natuur is van het lichaam, het is niet anders. Dat je geboren bent betekent automatisch dat het oud en ziek wordt en uiteindelijk volgt de dood. Dit is de grote waarheid waar je nu mee geconfronteerd wordt. Kijk met wijsheid naar het lichaam en je zult het begrijpen.
Zelfs als je huis overstroomt is met water of tot de grond toe afbrandt, wat het gevaar ook is wat het bedreigt, laat het niet op meer betrekking hebben dan alleen het huis. Als het overstroomt, laat dan niet ook je geest overstromen. Als er brand is, laat niet ook je hart in vlammen opgaan, laat het beperkt blijven tot het huis. Het huis dat overstroomt of verbrand, is buiten je, is niet je geest. Sta je geest toe je gehechtheden los te laten. Het is nu de tijd.

Je hebt al heel lang geleefd. Je ogen hebben een ontelbare hoeveelheid kleuren en vormen gezien, je oren hebben veel geluiden gehoord, en je hebt vele ervaringen ondergaan. En het was ook niet meer dan dat – slechts ervaringen. Je hebt heerlijke maaltijden gegeten, en al die fijne smaken waren alleen maar goede smaken, niets meer dan dat. Een vieze smaak is alleen maar een vieze smaak, niet meer dan dat. Als het oog een mooie vorm ziet, dan is dat alles wat er is, alleen maar een mooie vorm. Een lelijke vorm is alleen maar een lelijke vorm. Het oor hoort een meeslepend, melodieus geluid en ook dat is niet meer dan dat. En hetzelfde geldt voor een ruw en disharmonisch geluid.

De Boeddha zei dat rijk of arm, jong of oud, mens of dier, geen enkel wezen in deze wereld voor langere tijd in een bepaalde staat kan blijven; in alles ervaar je verandering en vervreemding. Dit is een feit in het leven wat we niet kunnen veranderen. Maar wat we volgens de Boeddha wel kunnen doen is contempleren op het lichaam en op de geest zodat je het onpersoonlijke herkent, zodat je ziet dat niets hierin “ik” is of “mijn”. Alles is voorlopige werkelijkheid. Het is hetzelfde als met dit huis. Alleen in naam is het van jou, je kunt het nergens mee naar toe nemen. Hetzelfde wat betreft je bezittingen en je familie – zogezegd, formeel zijn ze van jou, ze behoren je niet werkelijk toe, ze behoren tot de natuur. Dit is geen waarheid die alleen jou aanspreekt, iedereen zit in dezelfde positie, zelfs de Boeddha en zijn verlichte leerlingen. Zij verschilden echter van ons in een enkel aspect en dat was hun acceptatie van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Ze zagen dat het niet anders kan zijn.

De Boeddha leerde ons dus om het lichaam te observeren, van de zolen van de voet omhoog bewegend naar de kruin op je hoofd en dan weer terug naar de voetzolen. Kijk gewoon eens goed naar het lichaam. Wat zie je dan allemaal? Kun je iets vinden wat vrij is van onzuiverheden? Kun je ergens iets vinden wat onveranderlijk is of blijvend? Dit lichaam is voortdurend in verval, en de Boeddha leerde ons om te zien dat het ons niet toebehoort. Het is de natuur van het lichaam om zo te zijn omdat alle geconditioneerde dingen onderhevig zijn aan verandering. Hoe zou je willen dat het anders was? In feite is er niets mis met het lichaam zoals het is. Het is niet het lichaam dat je lijden veroorzaakt maar het verkeerde denken. Als je wat juist is als fout ziet, dan kan er alleen maar verwarring bestaan.

Het is als het water in een rivier. Op een natuurlijke manier stroomt het stroomafwaarts, het stroomt nooit omhoog, dat is de natuur van water. Als iemand aan de oever van een rivier staat te kijken hoe het water langzaam stroomafwaarts gaat, en hij krijgt het in z’n hoofd om te denken dat het water de andere kant op zou moeten stromen, betekent dat hij moet lijden. Zijn verkeerde manier van denken ontneemt hem zijn rust. Zijn verkeerde zienswijze, denken dat de stroom de andere kant op zou moeten gaan, maakt hem ongelukkig. Als hij de juiste zienswijze had gehad, dan had hij gezien dat het onoverkomelijk is dat het water stroomafwaarts beweegt, en zolang hij dat feit niet kan accepteren, raakt hij geagiteerd en van streek.

De rivier die stroomafwaarts moet bewegen is als je lichaam. Jong geweest is je lichaam nu oud, en meandert nu naar zijn einde, de dood. Ga niet wensen dat het anders was, het is iets waar je geen invloed op hebt. De Boeddha zei ons te kijken naar hoe de dingen zijn om dan onze gehechtheid hieraan los te laten. Neem dit gevoel van laten gaan als je toevlucht. Blijf zelfs mediteren als je moe en uitgeput bent. Blijf met je aandacht bij de ademhaling. Neem een paar diepe ademhalingen, en vestig je aandacht op de ademhaling, waarbij je de mantra “Boeddho” gebruikt. Maak van deze oefening een gewoonte. Naarmate je uitputting erger wordt, moet je concentratie subtieler en gerichter worden zodat je kunt omgaan met de pijnlijke sensaties die opkomen. Als je vermoeidheid voelt, laat alle denken gaan, laat de geest zich verzamelen, en ga dan naar het weten van de ademhaling. Hou je bij de innerlijke recitatie “Boed-dho, Boed-dho” Laat alles wat buiten je is gaan. Hou niet vast aan de gedachten over je kinderen en familieleden, hou je nergens aan vast. Laat gaan.

Maak de geest eenpuntig en richt hem op de adem. Maak van je adem het enige object voor je aandacht. Concentreer je totdat je geest meer en meer verfijnd wordt, totdat gevoelens onbelangrijk worden en er een grote innerlijke helderheid is ontstaan. Pijnlijke gevoelens die ontstaan zullen dan als vanzelf weer verdwijnen. Uiteindelijk zul je naar de adem kijken als naar een goede bekende die je op is komen zoeken. Als de bezoeker vertrekt, brengen we hem naar de deur en zwaaien hem uit. We wachten totdat hij uit het zicht verdwenen is waarna we weer naar binnen gaan. Zo ook kijken we naar de ademhaling.

Als de ademhaling diep is, dan weten we dat hij diep is. Is de ademhaling zwak, dan weten we dat hij zwak is. Als het steeds zwakker wordt blijven we het volgen, terwijl we tegelijkertijd onze geest waakzaam houden. Uiteindelijk verdwijnt de ademhaling helemaal, en wat overblijft is waakzaamheid. Dit wordt genoemd: het ontmoeten van de Boeddha. Het heldere gewaarzijn dat Boeddho genoemd wordt, de Wetende, de Wakkere, de Stralende. Het is een ontmoeten en verblijven bij de Boeddha, met een heldere en wetende geest. Het was de Boeddha van vlees en bloed die het Parinibbana inging. De werkelijke Boeddha, de Boeddha die – helder en stralend – weet, kunnen we ook vandaag de dag nog ervaren en bereiken, en als we dat doen, dan zijn we n in ons hart.
Laat dus alles los, zet alles naast je neer, alles behalve ‘weten’. Laat je niet afleiden door beelden en geluiden die in je meditatie opduiken. Zet ze naast je neer. Hecht je nergens aan. Blijf bij dit non-dualistische gewaarzijn. Maak je geen zorgen om het verleden of de toekomst. Ben alleen maar stil, en je zult in de toestand komen dat er geen vooruitgang meer is, geen achteruitgang, en ook geen stilstand, waar niets is waar je je aan kunt oriënteren of waar je houvast aan hebt. Waarom? Omdat er geen ‘zelf’ is, geen ‘mijn’ of (van) ‘mij’, dat is allemaal verdwenen.

De Boeddha leerde ons om ons op deze wijze vrij te maken van alles, op te houden om alles met ons mee te dragen. Om te weten, en om het na het te hebben geweten te laten gaan.
Het verwerkelijken van de Dhamma, het pad dat leidt naar vrijheid van de kringloop van leven en dood, is een taak die we helemaal alleen moeten doen. Probeer dus voortdurend los te laten, probeer de leringen van de Boeddha te begrijpen. Probeer je werkelijk in te zetten in je contemplatie. Maak je geen zorgen om je familie. Op het moment zijn ze zoals ze zijn, en eens zullen ze zijn zoals jij. Er is niemand op deze wereld die dat lot kan ontsnappen. De Boeddha zei ons om alles los te laten wat geen blijvend karakter heeft. Wanneer je alles hebt losgelaten openbaart zich waarheid, loslaten is een absolute voorwaarde. Dat is hoe het werkt, en het werkt zo voor iedereen in deze wereld. Maak je dus geen zorgen, en probeer nergens houvast in te zoeken.

Zelfs als je jezelf terugvindt, verzeild in gedachten, ook dat is prima, zolang er wijsheid is in je denken. Denk geen domme gedachten. Als je aan je kinderen denkt, denk dan aan ze met wijsheid. Waar de geest zich ook op richt, denk en weet dat dan met wijsheid, bewust van de aard van de geestelijke activiteit die plaatsvindt. Denk je aan iets met wijsheid, dan kun je het laten gaan, en dat betekent dat lijden tot een einde komt. De geest is helder, verheugd en vreedzaam, en omdat het niet gericht is op afleiding is het onverdeeld. Op dit moment is het je adem die je hierin kan ondersteunen en helpen.

Dit is jouw werk, van niemand anders. Laat het aan anderen om hun werk te doen. Jij hebt je eigen plichten en verantwoordelijkheden en je hoeft die van je familie niet op je te nemen. Neem niets anders op dan wat van jou is, laat het allemaal gaan. Het loslaten zal je geest kalmeren. Je enige verantwoordelijkheid is nu om je geest te concentreren en het tot rust te brengen. Laat alles achter, en bekommer je om je eigen werk, bekommer je om je eigen verantwoordelijkheid. Wat er ook opkomt in je geest, of het nu angst is of pijn, de angst voor de dood, bezorgdheid om anderen of wat dan ook, zeg dan: “Val me niet lastig, dit is mijn zorg niet meer.” Blijf dit tegen jezelf zeggen als je de dhamma’s ziet opkomen.

Waar verwijst het woord dhamma naar? Alles is dhamma. Er is niets wat geen dhamma is. En wat wat betreft ‘wereld’? De wereld is de mentale toestand die je prikkelt op dit moment. “Wat zal deze persoon gaan doen? Wat zal die persoon gaan doen? Wie zal voor ze zorgen als ik dood ben? Zullen ze het wel redden?” Dit is allemaal slechts ‘werelds’. Zelfs het opkomen van de gedachte van angst voor de dood is de wereld. Gooi de wereld weg. De wereld is zoals hij is. Je geest wordt verduisterd en kan zichzelf niet meer zien als je de wereld toestaat op te komen in je geest en je bewustzijn laat domineren. Dus wat er ook opkomt in je geest, zeg gewoon: “Dit gaat me niet aan, deze dingen zijn tijdelijk, onbevredigend en niet-zelf”.

Denken dat je nog een hele tijd zo moet leven maakt dat je lijdt. Maar denken dat je liever nu meteen zou willen sterven, is ook niet goed, dat is ook lijden. Alle dingen zijn voorwaardelijk, en behoren ons niet toe, ze volgen hun eigen natuurlijke wetten. Je kunt niets veranderen aan hoe het lichaam is. Je kunt het een beetje verfraaien, het aantrekkelijker maken, en het schoon houden, zoals jonge meisjes doen die hun lippen verven en hun nagels laten groeien, maar als we ouder worden zitten we allemaal in dezelfde boot. Dat is hoe het lichaam is, je kunt er niets aan veranderen. Wel kun je je geest verbeteren en mooier maken.

Iedereen kan een huis bouwen van hout en stenen, maar de Boeddha leerde ons dat zo’n huis niet ons werkelijke (t)huis is. Het is slechts in naam van ons. Het is een werelds huis, wat aan wereldse wetten gebonden is. Ons ware (t)huis is innerlijke vrede. Een huis kan heel mooi zijn, maar is niet erg vredig. Je maakt je er zorgen over, dan weer dit en dan weer dat, je maakt je er angstig over. Daarom zeggen we: ‘het is niet ons ware (t)huis’, het is iets wat buiten ons is, er komt een tijd dat we het op moeten geven. Het is geen plek waar we permanent in zullen wonen omdat het ons niet echt toebehoort, het behoort de wereld toe.

En ook met ons lichaam is het zo. We zien het als ons zelf, zien het als ‘ik’ of ‘mijn’, maar in werkelijkheid is het helemaal niet zo, is het ook ‘n werelds huis. Je lichaam heeft zijn natuurlijke verloop gevolgd van geboorte tot nu, nu het oud is en ziek, en je kunt het niet verbieden om zo te doen omdat het lichaam nu eenmaal zo is. Als je zou willen dat het anders zou zijn, zou net zo belachelijk zijn als wanneer je zou willen dat een eend zich als een kip zou gaan gedragen. Als je ziet dat dat onmogelijk is, dat een eend zich dient te gedragen als een eend, dat een kip een kip moet zijn, en dat lichamen oud moeten worden en sterven, dan zul je hierin kracht en energie vinden. Hoe je ook zou willen dat het lichaam altijd maar door zal gaan, en heel lang zal leven, het zal toch niet gebeuren.

The Boeddha zei:
Annicca vata sankhara – Uppadavayadhammino – Upajjhitva nirujjhanti – Tesam vupasamo sukho.
Het woord ‘sankhara’ heeft betrekking op dit lichaam en deze geest. Sankharas zijn tijdelijk en veranderlijk. Ze komen en gaan. Ze ontstaan en verdwijnen, worden geboren en sterven, en toch wil iedereen dat ze onvergankelijk zijn. Dit is dwaasheid. Kijk slechts naar de adem. Als je in hebt geademd, adem je weer uit. Dat is de natuur van ademen, dat is hoe het moet zijn. Inademen en uitademen moeten elkaar afwisselen, deze verandering moet er voortdurend zijn. Sankharas bestaan door verandering, je kunt dat niet verhinderen. Denk eens: kun je uitademen zonder inademen? Zou dat goed voelen? Of alleen maar inademen? We willen dat dingen blijvend zijn, maar dat kan niet, dat is onmogelijk. Als je ingeademd heb, moet je ook weer uitademen, en als je uitgeademd hebt moet je ook weer inademen en dat is de natuur, of niet soms? Als je geboren bent worden we ook oud en ziek, en dat is volkomen natuurlijk en normaal. Omdat de sankharas hun werk doen, alleen omdat de inademing en de uitademing elkaar voortdurend afwisselen is het mogelijk voor de mens om te bestaan.

Op het moment dat we geboren zijn zijn we ook dood. Onze geboorte en onze dood zijn slechts ‘n ding. Het is als met een boom: Als er wortels zijn, dan moeten er ook takken zijn. Als er takken zijn, dan moeten er ook wortels zijn. Je kunt niet het een hebben zonder het ander. Het is enigszins grappig om te zien hoe mensen bij een overlijden zo bedroefd zijn en in verwarring, en zo blij en verrukt bij een geboorte. Het is allemaal vanwege onze verblinding; niemand neemt de moeite om het eens goed te bekijken. Ik denk als je werkelijk wilt huilen, huil dan liever wanneer iemand geboren wordt. Want in feite is geboorte dood, en dood is geboorte – de wortel is de tak, de tak is de wortel. Als je moet huilen, huil dan bij de wortels, huil dan bij de geboorte. Bekijk het eens goed: Als er geen geboorte was, was er ook geen sterven. Kun je dit begrijpen?

Denk niet te veel na. Denk alleen maar “Dit is hoe de dingen nu eenmaal zijn”. Dat is je werk, jouw taak. Op dit moment kan niemand je helpen. Er is niets dat je familie of je bezittingen voor je kunnen doen. Het enige wat je nu kan helpen is het juiste gewaarzijn.

Dwaal niet af. Laat het gaan. Gooi alles overboord. Of je nu kunt laten gaan of niet, de tijd begint te komen dat alles je toch gaat verlaten. Zie je hoe alle delen van je lichaam proberen weg te glippen? Neem bijvoorbeeld je haar. Toen je jong was waren ze dik en zwart. Nu vallen ze langzaam uit, het is je aan het verlaten. Je ogen waren scherp, en nu zijn ze zwak en onhelder. Als je organen op zijn, vertrekken ze, dit is niet hun thuis. Als kind had je sterke stevige tanden terwijl ze nu loszitten of misschien heb je zelfs valse tanden. Je ogen, oren, je neus en je tong, alles probeert van je weg te komen omdat dit niet hun thuis is. Je kunt je geen permanent thuis maken in een sankhara. Je kunt er voor een tijdje verblijven, maar dan moet je gaan. Het is als een huurder die zijn kleine huisje bekijkt met ogen die niet meer al te goed zien, Zijn tanden en ook zijn oren zijn niet meer zo al te best. Zijn lichaam gaat over de jaren sterk achteruit, en alles is bezig om te vertrekken.

Je hoeft je dus ook nergens zorgen om te maken omdat dit niet je echte thuis is. Het is slechts een tijdelijke verblijf waar je hebt geschuild. Je bent in deze wereld gekomen en daarom moet je contempleren op haar natuur. Alles wat er is bereidt zich voor om te verdwijnen. Kijk naar je lichaam: is er iets in je lichaam wat nog dezelfde vorm had als voorheen? Is je huid zoals het geweest is? Je haren, die zijn ook niet meer hetzelfde, nietwaar? Waar is het allemaal gebleven? Dit is de natuur van de dingen. Als hun tijd voorbij is, gaan de voorwaardelijke dingen hun eigen weg. Er is niets in deze wereld waar je steun bij kunt vinden. – het is een eindeloze kringloop van opwinding en problemen, plezier en pijn. Er is geen vrede.
Als we geen echt thuis hebben zijn we als een doelloze reiziger, ergens onderweg, een tijdje die richting en dan weer een andere richting, een tijdje blijven en dan weer vertrekken. Tot we ons echte thuis gevonden hebben, zullen we ons ongemakkelijk voelen bij alles wat we doen. Het is als iemand die net zijn dorp verlaten heeft voor een lange reis. Pas wanneer hij weer thuis komt voelt hij zich weer op z’n gemak en kan hij weer ontspannen.

Echte vrede kan nergens op deze wereld gevonden worden. De armen kennen geen vrede, en evenzo de rijken. Volwassenen hebben geen vrede, kinderen hebben geen vrede. De laagopgeleiden hebben geen vrede, en ook de hoogopgeleiden niet. Er is nergens vrede te vinden. Dat is karakteristiek aan deze wereld.
Degenen die weinig bezittingen hebben lijden, en evenzo lijden zij die veel bezitten. Kinderen, volwassenen, oude mensen, iedereen lijdt. Het lijden omdat je oud bent, lijden omdat je jong bent, het lijden veroorzaakt door je armoe, het lijden veroorzaakt door weelde, overal vind je lijden.
Wanneer je de dingen op deze wijze nauwkeurig contempleert, zie je annicam, de tijdelijkheid van de dingen. En ook dukkham, de onbevredigdheid van alle dingen. En waarom zijn ze nooit blijvend, en altijd onbevredigend? Dat is omdat ze annatta zijn: niet-zelf.

Zowel je lichaam, nu ziek en pijnlijk, en je geest die de ziekte en de pijn gewaarwordt, beide zijn dhamma’s. Dat wat geen vorm heeft, de gedachten, de gevoelens, het waarnemen wordt nama-dhamma genoemd. Het stoffelijk lichaam wordt rupa-dhamma genoemd. Het stoffelijke is dhamma en ook het onstoffelijke is dhamma. We leven met dhamma’s, in dhamma’s, we zijn in feite dhamma’s. In feite is er nergens zoiets als een ‘ik’ of ‘zelf’ te vinden, het enige wat je vindt zijn dhamma’s, voortdurend verschijnend en weer verdwijnend, geheel volgens hun natuur. Iedere seconde ondergaan we leven en dood. Dit is hoe de dingen in wezen zijn.

Als we aan de Boeddha denken, aan de wijsheid die hij ons gegeven heeft voelen we verering, toewijding en respect. Zelfs zonder de Dhamma in praktijk te brengen zien we soms de waarheid van zijn leer. Maar ook al hebben we kennis van zijn leer, als we ze goed bestudeerd hebben, en in praktijk gebracht, maar niet de waarheid ervan gezien, dan zijn we nog altijd thuisloos.
Probeer dus begrip te krijgen voor het feit dat alle mensen, alle wezens, uiteindelijk moeten vertrekken. Als een wezen zijn tijd geleefd heeft, gaat hij zijn natuurlijke weg. De rijken, de armen, de jongeren, de ouderen, alle wezens moeten deze verandering ondergaan.

Als je je realiseert dat de wereld zo in elkaar zit, begint de wereld je als het ware te vervelen. Het is een ontluisterende ervaring om te zien dat er in deze wereld niets is wat blijvend, stabiel is, niets blijvends om aan vast te houden. Dat je ontsteld bent, wil niet zeggen dat je aversie hebt. De geest is helder. De geest ziet dat er weinig te verbeteren valt, dat het allemaal gewoon is zoals de wereld in wezen is. Als je op deze wijze de wereld beziet kun je je gehechtheden loslaten. Laat het gaan met een geest die noch blij is noch bedroefd, maar in vrede met de sankharas door met wijsheid hun veranderende natuur te zien. Anicca vata sankharam – alle sankharas zijn vergankelijk.

Om het eenvoudig te zeggen: vergankelijkheid is de Boeddha. Als we een vergankelijk, tijdelijk fenomeen helder waarnemen zien we dat er wel iets onvergankelijks, iets wat altijd blijvend is aan zit. Blijvend is dat het altijd en eeuwig onderhavig is aan verandering. Dat is het enige houvast dat we als mensen hebben. Er is een voortdurende transformatie gaande, van kind-zijn naar jeugd, en later de ouderdom, en die vergankelijkheid, de karakteristiek van verandering, is het enige wat vaststaat in ons leven. Als je er op die manier naar kunt kijken, komt je geest tot rust. Je bent niet de enige die hier doorheen moet, dit geldt voor iedereen.
Als je dingen op deze wijze beschouwt, zul je ze als vervelend zien, en teleurstelling zal opkomen. De verrukking die je ervaart in de wereldlijke genoegens zal verdwijnen. Je zult zien dat wanneer je veel hebt, je veel achter zult moeten laten, dat als je weinig hebt, je weinig achter hoeft te laten. Weelde is niet mr dan weelde. Een lang leven is gewoon lang leven, en daar is niets speciaals aan.
Belangrijk is dat we doen zoals de Boeddha ons leerde en ons eigen huis bouwen op de manier die ik je heb uitgelegd. Bouw je huis door te laten gaan. Laat alles gaan tot de geest vrede vindt, vrij van vooruitgang, vrij van achteruitgang, vrij van stilstand. Blijdschap is niet ons huis, pijn is niet ons huis. Blijdschap en pijn zullen allebei weer verdwijnen.

De Boeddha zag dat alle sankharas vergankelijk zijn, en daarom leerde hij ons om al onze gehechtheden te laten gaan. Als we op het einde van ons leven zijn hebben we sowieso geen keuze, we kunnen niets met ons meenemen. Zou het dan niet beter zijn om al eerder alles naast je neer te zetten. Het is een zware last om er mee rond te lopen. Waarom niet nu meteen die zware last van je afgegooid? Waarom loop je ermee te zeulen? Laat het gaan, ontspan je, en laat je familie voor je zorgen.
Diegenen die de zieken verzorgen groeien in hun deugd. Iemand die ziek is moet anderen de gelegenheid daartoe geven, en ze niet te veel in de weg leggen. Als er pijn is of een ander probleem, laat ze dat dan weten zonder de goede staat van je geest kwijt te raken.
Iemand die zijn ouders verzorgt, moet zijn geest vullen met warmte en vriendelijkheid, en niet gevangen raken in aversie. Dit is een uitstekende gelegenheid om je schuld af te betalen. Vanaf je geboorte tot je volwassenzijn ben je afhankelijk geweest van je ouders. We zijn vandaag hier omdat onze vaders en onze moeders ons op allerlei wijzen geholpen hebben. We zijn ze een ongelooflijke hoeveelheid dankbaarheid verschuldigd.

Vandaag dus, nu alle kinderen en verwanten hier bijeen zijn, zie hoe je ouders je kinderen geworden zijn zoals eerst jij hun kind was. Ze worden ouder en ouder tot ze weer kind geworden zijn. Hun herinneringen verdwijnen, hun ogen zien niet meer zo goed en hun oren horen niet meer, soms verdraaien ze hun woorden. Laat het je niet verontrusten of opwinden. Ieder van jullie die hier helpen bij hun verzorging moeten weten hoe ze los kunnen laten. Hou je niet vast aan dingen, laat gaan, laat de dingen hun eigen weg volgen. Als een klein kind ongehoorzaam is laten de ouders het king gewoon z’n gang gaan, alleen maar om de vrede te bewaren en om het gelukkig te maken. Nu zijn je ouders als die kinderen. Hun herinneringen en hun indrukken zijn verward. Soms halen ze jullie namen door elkaar, of je vraagt ze om een kopje te geven en ze geven een bord. Dat is normaal, laat je daardoor niet verontrusten of wind je daarover niet op.

Laat de zieke zich de vriendelijkheid herinneren van degene die hen verpleegt en geduldig de pijn verdragen. Span je geestelijk in om je geest niet onrustig en verward te te laten worden, en maak het de mensen die je verzorgen niet moeilijk. Laat degenen die de zieken verzorgen hun geest vullen met deugdzaamheid en vriendelijkheid. Probeer geen aversie te hebben tegen de onaantrekkelijke zijde van het werk, om braaksel op te ruimen of speeksel, of urine of uitwerpselen. Doe je best, zodat iedereen in de familie zijn steentje bijdraagt.

Dit zijn de enige ouders die je hebt. Zij gaven je het leven, waren je leraren, je verplegers, ze zijn alles voor je geweest. Dat ze je grootgebracht hebben, je onderwezen, hun rijkdom met je gedeeld hebben, en je tot hun erfgenaam hebben gemaakt is de grote verdienste van je ouders. Daarmee verbonden leerde de Boeddha ons de deugden katannu en katavedi, besef hebben van onze diepe dankbaarheid, en proberen om het terug te geven. Deze twee dhamma’s vullen elkaar aan. Als onze ouders in de problemen zijn of ziek, dan doen we ons best om ze te helpen. Dit is Katannukatavedi, de deugd waardoor de wereld voortgang vindt. Het voorkomt dat families uit elkaar vallen en maakt ze stabiel en harmonieus.

Vandaag heb ik je de Dhamma als een gift in deze sombere tijd van ziekte gegeven. Ik heb geen materiële giften om je te geven, dat is ook al voldoende aanwezig is in dit huis, en daarom geef ik je de Dhamma. Iets van blijvende waarde, iets waar je voor altijd uit kunt putten. Je hebt het nu van mij gekregen. Je kunt het aan zoveel mensen doorgeven als je wilt, zonder dat het zijn waarde verliest. Dat is de natuur van deze waarheid. Ik ben blij dat ik je deze Dhamma-gift heb kunnen geven en hoop dat het je de kracht zal geven om om te gaan met je pijn.

Kunt u zich voorstellen hoe het is om dood te zijn? ‘
door Henk Blezer.

Tegen de zon in kijken; doodsangst en hoe die te overwinnen
door Irving D. Yalom

Ik beperk me tot het weergeven van de samenvatting zoals die staat op de Bol.com-pagina over dit boek. Dit omdat m’n subjectieve ervaring bij het lezen van dit boek lastig onder woorden te brengen is.

Hoe kunnen we iets wat voor ons allen even finaal als raadselachtig is als de dood leren begrijpen en accepteren? Yalom laat zien hoe een droom, een verlies, een traumatische ervaring, de dood of ziekte van een dierbare of gewoon de naderende ouderdom keerpunten kunnen zijn op weg naar een zinvoller leven, als wij er tenminste de inspiratie aan kunnen ontlenen om onze prioriteiten te verleggen en meer risico’s te nemen voor een bevredigender en liefdevoller leven. Zo leren we oprechter te communiceren met de mensen van wie we houden, te stoppen met dingen die we niet willen doen en de schoonheid van het leven bewuster te ervaren.

De mens vreest meestal de dood en is ook vaak bang om erover te denken en te spreken. Zelfs in de psychotherapeutische praktijk komt het onderwerp daardoor minder vaak voldoende openlijk naar voren dan gewenst en zinvol is. De ervaring van de auteur, de beroemde Amerikaanse existentiële psychotherapeut en schrijver van enkele romans en toegankelijke boeken over zijn vak, geeft in dit boek aan hoe belangrijk het is voor onze levenskwaliteit om – wanneer het nodig is – bewust stil te staan bij zoals de dood in ons leven zich manifesteert. Een – plotseling – sterven van een medemens of een eigen ervaring van er bijna geweest te zijn, raakt ons gevoel zelf sterfelijk te zijn. Negeren hiervan – of niet-herkennen – kan leiden tot geestelijk lijden. De auteur geeft in eenvoudige woorden ook een handreiking aan therapeuten en is kritisch naar moderne oppervlakkige therapievormen. De auteur vertelt over zijn therapiewerk, zijn – filosofische en therapeutische – inspiratiebronnen en leermeesters (onder anderen Rollo May) en zijn eigen biografie.

Joop Romeijn: ‘Vanaf 2000 ben ik met (pré-)pensioen gegaan, waarvan de eerste twee jaar besteed zijn aan studie van de astrophysica. Na m’n studie – orthopedagogiek – heb ik in de (jeugd)hulpverlening gewerkt, eerst uitvoerend, later in beleidsfuncties bij de overheid. Zonder dat daar een plan achter zat, bleek ik op een gegeven moment, filosofieboeken lezend, boeddhist te zijn. Overwegend Theravada, maar ook aspecten van andere tradities spreken me aan. Omgekeerd zijn ook delen van Theravada te orthodox voor me. Soms noem ik me nu vrijzinnig Theravadin, ook wel seculier boeddhist en kritisch boeddhist. Een object dat ik ook graag bestudeer: boeddhistische organisaties. Vooral ben ik echter vipassana-beoefenaar, maar daar schijf ik niet zoveel over, dat doe ik.’ Bron weblog.

Categorieën: Achtergronden, Opmerkelijk, Boeddhisme
Tags: , , , , ,

Lees ook:

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk