Oh! morgenglories!
-mijn emmer is gevangen;
ik vraag om water.
Fukuda Chiyo-ni (1701/03?-1775)
Chiyo-ni was een van de beroemdste vrouwelijke haiku-dichters van haar tijd. Volgens de overlevering begon ze al op zevenjarige leeftijd haiku’s te schrijven en was ze tien jaar later bekend in heel Japan. Ze studeerde bij twee voormalige leerlingen van Bashō en werd via hen beïnvloed door het werk van deze haiku-meester.
Het valt mij trouwens op dat de in Gedachten over een haiku beschreven dichters vaak zelf tijdgenoten of leerlingen van Bashō waren, dan wel dichters van de volgende generatie die bij deze leerlingen studeerden. Dat laat de enorme invloed zien die Bashō op het schrijven van de haiku heeft gehad. En nog heeft.
Chiyo-ni was belangrijk voor de emancipatie van vrouwelijke dichters. Vóór haar tijd werden deze dichteressen als onbelangrijk afgedaan of zelfs genegeerd. We hebben het dan over de 18e eeuw. Over een vrouw die op jonge leeftijd haar man en zoontje verloor en op 52-jarige leeftijd in een boeddhistische tempel ging wonen om als non een eenvoudig en vredig leven te leiden.
Ze observeerde de natuur en schreef daar graag en vaak over. Zo ook deze haiku, hier in de vertaling van J. van Tooren. Dit is een van Chiyo-ni’s bekendste gedichten.
De morgenglories (de Dagbloem of Ipomoea) is een snelgroeiende klimplant met prachtige bloemen die maar één dag bloeien. In deze haiku beschrijft de dichteres hoe de ranken van de plant zich ‘s nachts om haar emmer hebben gewikkeld. Zij wil de stengels niet breken en ook de bloemen, die alleen die ochtend bloeien, niet kapot maken. Daarom vraagt ze de buurvrouw om een emmer water.
Uit deze haiku spreekt een diep, boeddhistisch respect voor de natuur en voor alle levende wezens.
Dat ontroert me. Een vrouw die veel heeft meegemaakt en die zo respectvol omgaat met de natuur. Alsof zij getroost wordt door de bloemen die, wat er ook gebeurt, gewoon doorgaan met bloeien.


Geef een reactie