‘Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid, Hans.’
‘Je kan niet vluchten voor de werkelijkheid.’
‘Waarom niet?’
‘Vluchten maakt deel uit van de werkelijkheid.’
‘Zo had ik het nog niet bekeken.’
‘Dus dat kan het probleem niet zijn.’
‘Behalve dat ik het niet meer wil.’
‘Niet meer willen vluchten voor de werkelijkheid maakt eveneens deel uit van de werkelijkheid.’
‘Ik wil ook niet meer niet meer willen vluchten voor de werkelijkheid.’
‘Ook dat maakt deel uit van de werkelijkheid.’
‘Wat is dan de oplossing?’
‘Wat is dan het probleem?’

