‘Je moet altijd met de stroom meegaan, Hans.’
‘Alleen als je naar zee wil.’
‘Ik bedoelde het als beeldspraak.’
‘En als je in de bergen wil uitkomen?’
‘Dan moet je tegen de stroom ingaan.’
‘En als je naar de overkant wil?’
‘Dan moet je dwars op de stroom gaan.’
‘En als je rustig heen wil zwemmen en terug wil wandelen?’
‘Dan zou ik zeker met de stroom meegaan.’
‘Of naar de overkant zwemmen en over de brug teruglopen.’
‘Je neemt het wel erg letterlijk.’
‘En als je stevig wil zwemmen maar niet van wandelen houdt?’
‘Nou?’
‘Dan moet je surplace tegen de stroom in zwemmen.’
‘Of heen en weer schuin tegen de stroom in.’
‘En als je naar de bodem wil?’
‘Dan moet je duiken.’
‘En als je nergens heen of weg wil?’
‘Dan blijf je zitten waar je zit.’
‘En als je snel weg wil?’
‘In dat geval kan je toch echt het beste met de stroom meegaan, Hans.’
‘In dat geval kan je toch echt het beste wegrennen.’

