‘Ga jij weleens stemmen, Hans?’
‘Soms.’
‘Jij weet toch niets?’
‘Weet ik dat.’
‘Hoe kun je dan stemmen?’
‘Is niet stemmen soms beter dan wel stemmen?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Dus jij gaat stemmen omdat er geen reden is om niet te stemmen?’
‘Ik weet niet of dat de reden is.’
‘Wat is dan de reden?’
‘Ik weet niet of er een reden is.’
‘Dus je zou net zo goed niet kunnen gaan stemmen?’
‘Niet stemmen is ook stemmen.’
‘Het is een wonder dat jij nog in beweging komt.’
‘Beweging is niet wonderlijker dan stilstand.’
‘Van jou word je ook niet wijzer.’
‘En een moeite dat het kost.’

