In de jaren dertig van de vorige eeuw is het Mongools boeddhisme bijna uitgeroeid. Dit artikel put uitgebreid uit het boek van Michael K. Jerryson: Mongolian Buddhism, the rise and fall of the sangha. Jerryson is professor of religious studies aan de Youngstown State University.

De wortels van het Mongools boeddhisme liggen in Tibet, maar het Mongoolse boeddhisme heeft typisch Mongoolse trekjes. Dit boeddhisme is helaas minder mediageniek dan het Tibetaans boeddhisme en kan daardoor minder rekenen op sympathie en steun, aldus Jerryson.

De strijd tussen het sjamanisme en het boeddhisme speelde een grote rol bij het ontstaan van de Mongoolse sangha. Om Mongolen niet te dwingen te kiezen tussen zijn lokale goden en rituelen, zijn deze opgenomen in het Mongools boeddhisme. Jerryson: ‘These encounters with Mongol rituals and shamanisme have helped to delineate Mongolian Buddhism from other forms of Buddhism in Asia.’

Djengiz Khan

Het is onzeker wanneer het boeddhisme voor de dertiende eeuw is geïntroduceerd in Mongolië. De eerste eeuw van onze jaartelling als mogelijkheid is onvoldoende onderbouwd. Een andere mogelijkheid is de negende eeuw, maar het is waarschijnlijker dat de introductie geleidelijk plaats vond over een periode van zo’n zeven eeuwen.

Er zijn aanwijzingen dat het boeddhisme al invloedrijk was in delen van Mongolië voor Djengiz Khan (1162-1227). Hij is de vader des vaderlands van de Mongolen en belangrijk voor de Mongoolse boeddhisten.

Sommige van Djengiz afstammelingen probeerden in zijn voetstappen te treden, met wisselend resultaat. Tijdens het bewind van Ögedei Khan (1186-1241), zoon van Djengiz, ontstond er een conflict met de Chinese Songdynastie. De Mongolen annexeerden China in 1279. 

Eerste golf

De Mongoolse sangha ontstond in vier verschillende golven. Iedere golf werd veroorzaakt door een politieke stap of door de actie van een Mongoolse hoofdpersonen. Op iedere golf volgde verval. De eerste golf was in de dertiende eeuw, de tweede in de zestiende en de derde in de achttiende eeuw. De vierde golf kwam na de val van de Berlijnse Muur, in 1990.

De eerste golf vond plaats onder Godan Khan (1206-1251), kleinzoon van Djengiz. De Mongolen werden heersers van Tibet in 1246 en in 1249 werd Godan Khan ingewijd in het Sa-skya-pa Tibetaans boeddhisme. In 1254 organiseerde een andere kleinzoon van Djengiz, Möngke Khan (1209-1259)religieuze debatten, want hij zocht een staatsgodsdienst. Hij gaf zijn steun aan de boeddhisten.

Koeblai Khan (1279-1294), broer van Möngke veroverde China en verplaatste de hoofdstad van het Mongoolse Rijk van Karakorum naar Peking. In 1271 riep hij de Chinese Yuandynastie uit waarvan hij de eerste keizer was. Deze dynastie hield nog geen eeuw stand. Zhu Yuanzhang (1328-1398) verdreef de Mongolen naar hun thuisland en werd de eerste keizer van de Chinese de Mingdynastie (1368-1644).

De veroveringsoorlogen van Koeblai Khan leidden tot de ineenstorting van de economie. Het verval van de handel via de Zijderoute trof de boeddhistische kloosters, die aan deze route lagen. Onder de Mongoolse bevolking bleef het boeddhisme echter bestaan.

Tweede golf

De tweede golf leidde tot het ontstaan van de Mongoolse sangha en het Tibetaans boeddhisme vestigde zich in de Mongoolse samenleving. Altan Khan, kleinzoon van Djengiz vervulde de rol van katalysator.

Sinds de eerste golf veranderde het onderwijssysteem steeds meer richting onderwijs in het Tibetaans en in Tibetaans lama onderwijs. Naarmate het boeddhisme verder ingang vond Mongolië werd het Tibetaanser. Dit bedreigde het traditionele onderwijs in de eigen taal. De boeddhistische geneeskunde kreeg steeds meer aanzien en de lama ‘dokter’ verwierf een belangrijke rol in de gezondheidszorg.

In de Mongoolse politiek ontbrak samenhang en eenheid. Net als voor Djengiz Khan bestreden stamhoofden elkaar om macht. Altan Khan (1507-1582) probeerde Mongolië te verenigen en bekeerde zich tot het Tibetaans boeddhisme. De manier waarop hij zijn macht wilde legitimeren leek veel op de wijze waarop Koeblai zijn autoriteit wilde vestigen in China, aldus Jerryson. Altan veroverde de hoofdstad Karakorum en verwierf boeddhistische steun. Omdat hij militaire campagnes in Tibet had geleid, kende hij de reputatie van de Tibetaanse lama bSod-nams-rGm-tsho (de latere Eerste Dalai Lama) van dGe-Lugs-pa (Gelugpa) school. Altan was onder de indruk en samenwerking kwam tot stand. Altan werd gewijd en gaf de lama bSod-nams rGm-tsho de titel van de Dalai Lama Vajrahara. Deze gaf Altan Khan een titel waarmee hij een stap dichterbij was om chakravatin te zijn (= ‘draaier van het wiel’). Een chakravatin heerst volgens de Dharma. Gelugpa werd dominant in Mongolië.

Altan was zeer gemotiveerd om het boeddhisme te ondersteunen en te verspreiden. Hij slaagde er niet in om de Mongolen te verenigen, omdat hij te vroeg overleed. Zijn afstammelingen profiteerden van de Mongools-Tibetaanse overeenkomst. Een voorbeeld: de vierde reïncarnatie van de Dalai lama vond plaats in de familie van Altan. Andere reïncarnaties van bSod-nams rGm-tsho bleven de titel Dalai lama dragen.

Abadai Khan werd door zijn oom Altan (1554-1588) beïnvloed. Deze Abadai werd rond 1577 ingewijd door een belangrijke Boeddhistische lama van de Karma-pa (Karmapa), maar Abadai vond het ook voordelig ingewijd te worden door de Dalai Lama van Gelugpa.

Om hun macht te rechtvaardigen steunden Mongoolse autoriteiten de Gelugpa’s bij het assimileren van het sjamanisme. Tibetaanse lama’s werden naar Mongolië gezonden om te onderwijzen en Tibetaanse teksten werden vertaald voor de Mongoolse bevolking. Erdene Zuu (1585) is historisch vermaard als het oudst bestaande klooster en is een voorbeeld van Abadai Khan’s aanzien.

Derde golf

De Vijfde Dalai Lama bekeerde Zanabazar (1635-1723), achterkleinzoon van Altan tot de Gelugtraditie. Hij werd het eerste hoofd (Bogd Gegeen) en boeddhistisch spiritueel leider van de Gelugschool in Khalkha Mongolië. De Khalkha Mongolen zijn een stam etnische Mongolen.

Over deze eerste Mongoolse Bogd Gegeen (= ’Schitterende Heiligheid’) doen nog steeds allerlei mythes de ronde, signaleert Jerryson. Hoewel Zanabazar geen politieke titel had, was hij invloedrijk en in deze periode was de verbinding van kerk en staat op zijn hoogtepunt. Niet alleen was zijn religieus prestige groot, maar hij had ook bijzondere politieke en culturele vaardigheden. Hij is bijvoorbeeld een van de belangrijkste Aziatische beeldhouwers van de zeventiende en achttiende eeuw.

Toen hij na zijn scholing in Tibet als Bogd Gegeen terugkeerde, ontving hij uit respect en loyaliteit van de Tibetanen een aantal shabinar (shabi), oftewel religieuze discipelen. Zij speelden een grote rol in de bekering van Mongoolse leken en bepaalden het succes van het boeddhisme tijdens de derde golf. De shabi genoten economische voordelen vanwege hun positie. Zij waren uitgesloten van het betalen van de meeste belastingen en plichten, maar droegen direct een bedrag af aan de Bogd Gegeen. Dit privilege deelden zij met lama’s van hoge rang, die vaak een aristocratische achtergrond hadden. Deze lama’s waren niet alleen heilig in diverse gradaties, maar waren ook vaak abt van kloosters met alle privileges van dien. Het waren kloosters die zij meestal zelf hadden gesticht. De shabi veranderden het economische, politieke en intellectuele leven van buiten-Mongolië. Buiten-Mongolië is globaal de huidige republiek Mongolië. Binnen-Mongolië is een Chinese provincie. Het toegenomen aantal wijdingen van lama’s en het groeiende aantal shabi onder Zanabazar werd een steeds zwaardere economische belasting voor de leken. Voor hen stegen de belastingen.

In deze periode bleven de politieke tegenstellingen tussen de verschillende Mongoolse stammen bestaan, volgens Jerryson. De Khalkha-Mongolen zaten klem tussen grotere en machtigere Mongoolse stammen. Ook dreigde er een conflict tussen enerzijds het tsaristische Rusland dat oprukte naar het Oosten en anderzijds de Qingdynastie (Mantsjoedynastie, 1644-1911) in een China dat beducht was voor de Russische expansie. Zanabazar zond delegaties naar Peking en Moskou om steun te krijgen voor de Khalkha Mongolen. Een keuze werd hem opgedrongen toen een stam van de Oirat Mongolen in 1687 en 1688 een slachting aanrichtte onder de Khalkha’s. Het hele Khalkha volk vluchtte naar de Gobiwoestijn en riep de bescherming in van China. In 1691 onderwierpen zij zich formeel aan de Mantsjoe-keizer. Het gevolg is dat het gebied van Mongolië tot 1911 deel zou uitmaken van het Chinese rijk. 

Onder Mantsjoe-overheersing

In 1368 eindigde in China de Mongoolse Yuandynastie, die opgevolgd werd door de Chinese Ming- en vervolgens de Mantsjoedynastie (1644-1911). De oorsprong van deze dynastie ligt het noordoosten van het Chinese rijk.

Voor de Mantsjoekeizers was Mongolië een buffer tegen de Russen. Zij streefden naar het vestigen van stevige politieke banden met de Mongolen, vooral door huwelijken. De integratie van het Chinese feodale politieke systeem in Mongolië verzwakte het aanzien van de Mongoolse prinsen. De opzet was het verzwakken van de (traditionele) banden tussen de Mongolen onderling en het versterken van de banden met China. Ook verdeelden de Mantsjoes Mongolië in nieuwe administratieve eenheden om opstanden te voorkomen, maar ook om gemakkelijker belasting te kunnen innen en om het opleggen van onderhoud aan bijvoorbeeld wachttorens langs de Russische grens.

In 1756 kwam het toch tot een opstand. Redenen waren de groeiende armoede in het land en de arrogante houding van de Mantsjoes tegenover de Mongoolse adel. De Mongoolse economie had zwaar te leiden, omdat de bevolking moest bijdragen aan de militaire campagnes van de Mantsjoes. De leider van de opstand was de Mongoolse prins Erinchindorji, een jongere broer van de Bogd Gegeen Losang Tenbey Drönmey (1724-1757). De opstand werd de kop ingedrukt. 

De Mantsjoes probeerden de sangha in hun greep te krijgen om daardoor buiten-Mongolië (globaal de huidige republiek Mongolië) te kunnen controleren. Ze waren zich bewust van de invloed van het Tibetaans boeddhisme en van de Dalai Lama en zochten daarom zijn steun. Uit politiek opportunisme bevorderden de Mantsjoes de ontwikkeling van het Tibetaans boeddhisme in Mongolië, net zoals het vertalen en drukken van Tibetaanse teksten, maar deze ondersteuning was beperkt en vond plaats onder toezicht.

De eerste Bogd Gegeen Zanabazar had grote invloed op het onderwijs, de religie en politiek. De Chinezen zochten echter naar mogelijkheden om te voorkomen dat een toekomstige Bogd Gegeen de Mongoolse bevolking tegen hen op zou zetten. Zij bepaalden dat iedere toekomstige reïncarnatie van de Bogd Gegeen aan hen voorgelegd moet worden. Sindsdien werden reïncarnaties van de Bogd Gegeen gevonden in delen van Tibet die onder Chinese controle stonden. Lama’s en opstandelingen die ontevreden waren met de greep van de Mantsjoes op de Mongoolse samenleving werden gearresteerd of verbannen. Samen met het beperken van de invloed van de shabinar bleken deze maatregelen succesvol.

De rol van deze shabinar veranderde dramatisch sinds de tijd van Zanabazar. Alle groepen shabinar waren ingewijd als religieuze volgelingen, maar werden steeds meer als lijfeigenen behandeld. Zij deden huishoudelijke taken voor de geestelijken zoals het onderhoud van tempels en kloosters, het hoeden van vee, werken op het land enzovoorts. De kloosters zelf werden rijker en rijker.

Openlijke opstand tegen de Chinezen was onmogelijk, daarom richtten sommige lama’s zich op maatschappelijke activiteiten om de zware levensomstandigheden van de Mongolen te verlichten. Een vorm van basisonderwijs werd ingevoerd met Mongools adellijke steun. Andere lama’s richtten zich op de kunst als religieuze uitingsvorm. Het boeddhisme was niet alleen de spirituele kern van de Mongoolse samenleving, maar ook van ethische en morele standpunten. Voor de overheerser was het boeddhisme alleen maar een effectief middel om de inheemse bevolking te controleren. Dit blijkt uit de manier waarop de Qingdynastie reïncarnaties beïnvloedde en kerkelijke ambtenaren uitzocht. 

Oprichting Mongoolse Volksrepubliek

De Qingdynastie raakte in verval en in 1912 werd de Republiek China uitgeroepen. Buiten-Mongolië verklaarde zich onafhankelijk, net als Tibet. Steun van Rusland hield de Chinezen tijdelijk buiten de deur in Mongolië. De achtste Bogd Gegeen genaamd Ngawang Losang Chökyi Nyima Tenzin Wongchuk (1870-1924) was een Tibetaan en verbonden met de familie van de Dalai Lama. Hij verzette zich tegen de Mantsjoe-onderdrukking en won hiermee de sympathie van de Mongolen. Hij slaagde erin het land te verenigen, voor het eerst sinds eeuwen. In minder dan tien jaar stichtten de Mongolen een nieuw en onafhankelijk theocratisch Mongolië onder leiding van de priester/koning de (achtste) Bogd Gegeen. Militair was het land zwak.

We zijn beland in het begin van de twintigste eeuw en Mongolië was wisselend afhankelijk van China en onafhankelijk. Het land werd in deze periode bedreigd door invallen van afwisselend van Chinese warlords en het Chinese republikeinse regime. Het tsaristische Witte Leger, geleid door de baron Ungern-Sternberg veroverde het land in 1920. Hij werd in 1921 verjaagd door Mongoolse revolutionairen, maar vooral door het Russische Rode Leger. Tijdens deze revolutie speelde de Mongoolse Volkspartij een rol. Deze partij werd in 1920 in Rusland opgericht. De Mongoolse revolutionairen van 1921 zouden in 1924 de Mongoolse Volksrepubliek uitroepen. 

De achtste Bogd Gegeen was in 1911 feitelijk de leider van het Bogd Khanaat en werd Bogd Khan genoemd (1911-1919/1921-1924). In de tweede periode was hij in naam staatshoofd.

In juli 1921 deelden de revolutionairen van de Mongoolse Volkspartij hem mee dat zij in naam van het volk de macht overnamen. Die overname kwam tot stand met steun van het Russische Rode Leger. Sinds 1921 voerde het Rode Leger het bevel over het Mongoolse Volksleger. Dit volksleger was ook voor zijn training en bewapening volledig afhankelijk van het Rode Leger.

In de regering die de volgende dag werd opgericht kregen een aantal van de volgelingen van de Bogd Khan belangrijke functies. Dit was geen toeval, omdat veel invloedrijke personen die de Mongoolse Volkspartij aan de macht hadden geholpen (intellectuele) lama’s waren en gematigde seculieren. Deze regering kon zich stabiliseren door de aanwezigheid van het Rode Leger.

De Sovjets wilden een blijvende controle en deze kwam in de persoon van Chorloogijn Tsjoibalsan (1895-1952) , een van de revolutionairen uit 1921. Hij werd in 1924 opperbevelhebber van het Mongoolse leger en zijn ster bleef stijgen.

De Bogd Khan overleed in 1924. De heersende Mongoolse Volkspartij accepteerde geen reïncarnaties en riep in dat jaar de Volksrepubliek Mongolië uit. Ook veranderde de partij zijn naam in Mongoolse Revolutionaire Volkspartij (MRVP) en radicaliseerde. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken (in het Mongools: Dotood Yaam) kreeg de absolute macht en een nieuwe rol. Het ministerie maakte gebruik van Sovjetervaring bij het oprichten van de Afdeling Binnenlandse Veiligheidsdienst en de geheime politie. De Dotood Yaam bemoeide zich niet alleen met boeddhisten, maar was ook zeer effectief in het manipuleren van de leiding van de MRVP. In de regering van 1924 waren er voor het eerst sinds eeuwen geen lama’s meer. De voorzitter van de Grote Staatsghural (regering) werd staatshoofd. 

De ondergang

De MRVP begreep dat de sangha uit vier groepen bestaat, te weten: de shabinar, de lama’s van lage rang, lama’s van midden rang en de lama’s van hoge rang. Om de sangha te kunnen uitschakelen was de eerste stap het forceren van een breuk binnen de sangha: tussen de land bezittende lama’s en de shabinar aan de ene kant en de lama’s van lage rang aan de andere kant. De lama’s van hoge rang en de middengroep bezaten land en meestal veel vee. Zij werden steeds zwaarder aangeslagen voor belasting en vee werd in beslag genomen. 

Vervolgens werden alle internationale banden van het land verbroken, buitenlandse missionarissen en buitenlandse zakenlieden werden het land uitgestuurd en in het buitenland studerende Mongolen teruggeroepen: er waren geen (buitenlandse) pottenkijkers meer. Mongolië richtte zich volledig op de Sovjet Unie. 

Het nieuwe bewind scheidde kerk en staat. In het westen is deze scheiding als vanzelfsprekend, maar niet in boeddhistische landen in die periode. Eeuwenlang werden Mongoolse lama’s door de bevolking gewaardeerd als religieuzen, als onderwijzers en als ‘artsen’, maar nieuwe wetten zorgden ervoor dat zij uit het onderwijs en gezondheidszorg werden verbannen. Jongeren onder de achttien jaar mochten niet meer studeren in kloosters.

De partij had al vroeg aandacht voor de jeugd. In 1921 werd de Mongoolse Revolutionaire Jeugd Liga opgericht. De opzet was om een controleerbare groep socialistische intellectuelen te vormen. De liga was ook een belangrijk propaganda-instrument. Vanwege gebleken wangedrag zuiverde de partij in 1929 de liga en was het Centraal Comité van de liga gedwongen om de leden op de vingers te tikken over het mishandelen van arme lama’s, het vernielen van kloosters en het uitsteken van de ogen van boeddhabeelden. In de officiële brief uit 1930 is te lezen: ‘Offensive actions of this sort proved a great hindrance to the work of getting the poor lamas on the side of the People’s government, and attracting the people away from the authority of te monasteries.’  

Uit het optreden van de partij en de liga blijkt dat niet alleen de sangha werd bedreigd, maar ook de rol en betekenis van het Mongools boeddhisme in het algemeen. In 1930 liep de MVRP volkomen in de pas met de Sovjet Unie. Tijdens het achtste partijcongres werd de Mongoolse sangha uitgeroepen tot vijand van de staat. Religieuze politieke figuren werden uit de politiek verwijderd, beschuldigd van samenzwering tegen de Mongoolse Volksrepubliek en sommigen werden geëxecuteerd. 

De belastingmaatregelen en onteigeningen werden steeds kwaadaardiger, aldus de auteur Jerryson. Lama’s van lage rang kregen de keuze, hun pij aan de wilgen hangen, hoge belastingen te betalen of soldaat worden. Zij die zich niet wilde aanpassen en niet geëxecuteerd werden, kwamen terecht in goelags. Partijkaders werden naar het platteland gezonden met de bevoegdheid om alle stappen te ondernemen die nodig zijn om te voorkomen dat de bevolking de Boeddha of boeddhistische geschriften vereerde. Zij hadden de bevoegdheid van het Achtste Partijcongres om geweld te gebruiken, kloosters te sluiten of te vernielen, de administratie van lokale overheden in beslag te nemen en ten slotte alle lama’s onder de achttien jaar te verdrijven.

Overal ontstonden in de periode van 1930 en 1932 opstanden. De opstand van 1932 was zo effectief dat de partij weer de hulp van de Russen inriep, omdat anders het regime zou instorten. Een van de problemen van het Mongoolse regime bij het onderdrukken van de opstanden was dat er geen Mongoolse soldaten te vinden waren, die wilden optreden tegen de lama’s. 

Russische tanks het rolden in 1932 het land binnen, vergezeld van het Rode Leger en troepen van de NKVD (voorloper KGB). De Sovjets maakten het eens en voor altijd duidelijk dat zij geen bondgenoten van boeddhisten waren. Er werd hard, snel en met veel geweld opgetreden tegen de opstandelingen en de leiders van de opstand werden geëxecuteerd. Mongolen herinneren zich nog steeds hoe Russische tanks inreden op lama’s. 

In de jaren 1930 en vooral in de tweede helft ervan ging de vervolging van het boeddhisme in Mongolië helemaal los. Historisch was deze vervolging een voorbeeld voor de vervolging van het boeddhisme tijdens de Culturele Revolutie van China en de vervolging van het boeddhisme tijdens de Killing Fields van Cambodja. 

In 1933 nam de door Moskou aangewezen premier (voorzitter van de raad van volkscommissarissen) Pelzjidiejn Genden (1892-1937) afstand van de massa-arrestaties en executies van lama’s. Binnen de partij was er een machtsstrijd aan de gang tussen de gematigde Genden met zijn volgelingen en radicale partijleden. Daarbij dreigden de radicalen te verliezen. Toen Genden in 1933 openlijk uitsprak geen gevecht met religie te willen, waren zijn dagen geteld. Hij had zich openlijk verzet tegen Stalin en weigerde te gehoorzamen. Hij werd op 26 november 1937 geëxecuteerd door een vuurpeloton.

Zijn opvolger was de stalinist Chorloogijn Tsjoibalsan (1893-1952), ook wel de ‘Mongoolse Stalin’ genoemd. In 1936-1939 was hij het hoofd van de Dotood Yaam, minister van oorlog, hoofd van het leger, eerste minister en minister van buitenlandse zaken. Deze combinatie maakte Tsjoibalsan gevreesd. In deze jaren werd de Dotood Yaam berucht en werd door het bewind gebruikt om het boeddhisme te elimineren. Ook benoemde hij veel Russen in de Mongoolse regering. Eind jaren 1930 leidde hij de (politieke) zuiveringen wat de dood opleverde van 30.000 tot 35.000 Mongolen waaronder duizenden lama’s. Bij acties tegen lama’s waren vaak Russische troepen aanwezig. Deze intensieve vervolging leidde tot het nagenoeg verdwijnen van het Mongoolse boeddhisme. 

In 1940 waren alle kloosters gesloten, op een na, die van Gandan, opgericht in 1835. Andere kloosters en tempels, waren verlaten, gesloopt of vervallen. Een enkele werd in de Tweede Wereldoorlog gebruikt om Japanse oorlogsgevangenen op te sluiten. In het artikel ‘Boeddhisme in Mongolië’, Magazine VvB 1 april 2015, staat: In 1943 vernam Stalin dat de Amerikaanse vicepresident Henry Wallace naar Moskou zou komen voor onderhandelingen over voedselhulp aan de Sovjet-Unie. Wallace was zeer geïnteresseerd in Mongolië en het Mongoolse boeddhisme en wilde Ulan Ude in Boerjatië en Ulaanbaatar in Mongolië bezoeken. Stalin gaf opdracht monniken op te trommelen en het Gandan-klooster in Ulaanbaatar te sparen. Dit is het enige klooster in Mongolië dat tijdens de communistische periode gespaard is gebleven.‘  

In 1952 overleed de dictator en liet een erfenis achter die bij de Mongolen gemengde gevoelens opwekte. Er zijn er die hem zien als een held die opkwam voor de onafhankelijkheid van het land en die hielp de Japanners te verslaan in Wereldoorlog II. Anderen zagen zijn dood als een bevrijding van onderdrukking en terreur.

De invloed van de Sovjet-Unie op Mongolië bleef groot tijdens de jaren 1980 toen de USSR zelf politiek veranderde. De peristrojka van Michael Gorbatsjov leidde tot democratisering van Mongolië en had langzaam maar zeker een positieve invloed op de onderdrukking van het boeddhisme. In 1990 werd de vrijheid van godsdienst hersteld.

In de appendix van Jerryson’s boeken zijn getuigenissen te lezen over de duistere periode van de vervolging. 

Democratie

De huidige Mongoolse middenklasse voelt zich ongemakkelijk over de rol van de USSR en Tsjoibalsan. Zij hebben voordeel van de verstedelijking en de verbeterde infrastructuur die de Sovjet-Unie en Tsjoibalsan tot stand brachten, maar de onderdrukking en de terreur was niet wat zij wilden.

Sinds de val van de Muur en de opheffing van de Mongoolse KGB, keert het land terug naar de eigen vorm van boeddhisme, concludeert Jerryson. Veel Mongolen die boeddhistische religieuze voorwerpen in bewaring hadden genomen in de jaren van onderdrukking verkochten ze, voordat de rechtmatige eigenaren ze terug konden krijgen. In sommige gevallen kwamen religieuze kunstvoorwerpen weer terecht. Helaas zijn de meeste relieken niet terug te krijgen, schrijft Jerryson in zijn boek.

Na 1990 groeide het besef wat het is om Mongool te zijn en daarbij de historische rol van de Djengiz Khan en het boeddhisme. Vesna A. Wallace schrijft hierover in het hoofdstuk Envisioning a Mongolian Buddhist identity through Chinggis Khan van Buddhism in Mongolian history, culture, and society (2015). Djengiz was niet alleen de stichter van de Mongoolse natie en de identiteit ervan, maar bovenal ook beschermer van de Boeddha Dharma. In alle opzichten was hij een cakravartin.

Een obstakel voor de heropleving van het boeddhisme zijn de activiteiten van vermogende en invloedrijke Protestants-Christelijke missiegenootschappen uit met name de Verenigde Staten. Opeens verschenen er uitzendingen over het leven van Jezus op de Mongoolse televisie. Het lijkt erop dat deze zendingsgenootschappen gebruik maken van het gebrek aan kennis over het boeddhisme na de vervolging in de jaren 1930. Zie ‘aanpassing’ in het artikel Boeddhisme in Mongolië in het Magazine VvB uit 2015.

Kees Moerbeek werkte van 1999-2009 met de helaas overleden Jelle Seidel e.a. aan De Lotusvijver. Later tot nu werkte hij als onder andere eindredacteur/hoofdredacteur voor het wat nu genoemd wordt Magazine VvB. (Vrienden van het boeddhisme). Hij deelt de interesse van Jelle Seidel wat betreft de sociaal-maatschappelijke aspecten van het boeddhisme. Kortom: het Achtvoudige Pad.

Bronnen
Jerryson, M. Mongolian buddhism. Silkwood books, Chiang Mai (Thailand), 2007
Wallace, V. (red.) Buddhism in Mongolian history, culture, and society, Oxford University Press, New York, 2015
Buddhism Rebounds in Mongolia
https://www.youtube.com/watch?v=ZNs_HcIeNBw

(Buiten-)Mongolië en Gobi woestijn
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:GobiDessertReliefMap.jpg

Binnen-Mongolië in China (oranje gekleurd)
https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/a/ae/China_Inner_Mongolia.svg

De ontwikkeling van het Mongoolse Rijk
https://en.wikipedia.org/wiki/Mongol_Empire#/media/File:Mongol_Empire_map_2.gif
Moerbeek, K. Boeddhisme in Mongolië. Magazine Vrienden van het boeddhisme, 1 april 2015

 

 

 

Categorieën: Dalai Lama, Boeddhisme, Tibetaans boeddhisme
Tags: , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu