Aan protestantse kant zijn er in ons land wat krimp of groei betreft drie soorten kerken. Je hebt orthodoxe groepen die redelijk stabiel blijven. Er zijn evangelische groepen die zelfs groeien, nogal eens door overloop vanuit orthodoxe kringen. En dan heb je een rest aan midden-orthodoxe en vrijzinnige gemeentes die vergrijzen en waar op termijn de laatste bejaarde het licht uit zal doen.
Zelf ben ik actief in een gemeente die tot de laatste categorie behoort, maar heilig wil ontkomen aan zo’n lot. Het vrijzinnige karakter betekende door de generaties heen dat de kinderen leerden om zelfstandig hun levensbeschouwelijke weg te vinden – wat ze prompt deden. De bezorgdheid over de krimp van onze gemeente maakt dat we een permanente commissie ‘Toekomst’ hebben en dat er elke drie of vier jaar een beleidsnota wordt geschreven. Veelbelovende sporen worden verkend, maar nogal eens weer afgeschreven, want niet begaanbaar.
Dat de gemiddelde leeftijd hoog ligt, is met een kwinkslag te verklaren uit de gezonde leefstijl in onze gezindte, maar niettemin is het ledental in twaalf jaar door sterfte gehalveerd. De categorie die we in onze gemeente aanduiden als ‘jongeren’ bestaat vooral uit 45+ers, waarvan enkelen hun pensioen naderen. Het voordeel van het kleine ledental is dat we elkaar goed kennen en met elkaar meeleven, alsof we elkaars pastor zijn. Maar we naderen geleidelijk het minimumaantal leden dat nodig is om het al aangepaste takenpakket te vervullen. Onze voorganger werkt halftijds en wordt voor 60 % gesubsidieerd uit een landelijk fonds.
De kerkdiensten zijn gevarieerd. Een flink deel ervan wordt door de eigen leden verzorgd, dus zonder theologisch geschoolde voorganger. Dat werkt verrassend goed. Niemand valt van haar of zijn stoel als er iets volkomen nieuws wordt uitgeprobeerd, of een stevige ketterij wordt verkondigd. Tegelijk lezen we uit de Bijbel, met vaak ondoorgrondelijke taal. Die klinkt door in onze liederenschat. We zingen uit twee bundels waarvan er eentje meer dan een halve eeuw oud is. Daarin staan nogal wat liederen met gebruik van een negentiende-eeuwse woordenschat die je voor echte jongeren zou moeten vertalen.
Buiten de zondag om zijn er bijeenkomsten in het kader van ons zingevingsprogramma. In een gesprekskring zoeken we bij theologen en filosofen naar de zin van wat in deze tijd gebeurt. In een andere kring lezen we gedichten rond een jaarthema. Dat komt in het voorjaar terug in een afsluitende zondagse poëzieviering. Een groepje schildert na een korte meditatie. Met de overmatig aanwezige kunstzinnigen nemen we deel aan de jaarlijkse lokale kunstroute, met ons kerkje als expositieruimte. Er is een boekenclub. Wijkbijeenkomsten zorgen voor onderlinge ontmoeting en gesprek.
Op zich hebben we, denk ik, best een leuk zingevingsprogramma, maar uit bescheidenheid lopen we er weinig mee te koop. Dat we een kerkgebouw als thuis hebben en onze gemeente een eeuwenoude maar daardoor onbegrepen naam draagt, werpt voor buitenstaanders een flinke drempel op. Toch zeggen die, als ze over die drempel komen, dat het kerkje meteen zo’n warme uitstraling heeft, en wij erbij.
Allemaal best aansprekend, maar voor wie? Zes op de zeven landgenoten van 15+ komen nooit in een kerk: een enorme doelgroep dus! Of is wat we doen intussen primair afgestemd op senioren?
Zijn we toch een gemeente voor een bepaald publiek, een kruising tussen lezers van Trouw en NRC? Wordt een middelbare opleiding voorondersteld?
Een tijdje probeerden we onszelf te verkopen als zingevingscentrum voor de buurt. We folderden huis aan huis. Een student deed onderzoek onder buren. Resultaat: ze maakten, vaak voor het eerst, kennis met ons bestaan, sommigen wilden zelfs wel meedenken, maar iedereen dronk uit andere zingevingsbronnen. Een doodlopend spoor.
Moet de toekomstcommissie nu aanbevelen om maar gewoon wat we nu doen vol te houden, ten einde toe, en vooral de resterende leden te omarmen? Of is er toch een mogelijkheid bakens radicaal te verzetten? Een soort Reformatie, goed Protestants – morgen is Hervormingsdag – maar dan van en voor onze tijd? Hoe kunnen we ons bestaan als zingevingsgezelschap continueren?
Volgende week zoek ik naar een antwoord. Maar het zou natuurlijk mooi zijn, mocht u mijn probleem herkennen, als u alvast reageert – met wat dan ook!


Geef een reactie