In veel mensen leeft nog een kind dat wacht. Niet omdat ze het verleden niet kunnen loslaten, maar omdat iets wezenlijks in hen ooit onvoldoende ruimte kreeg.
Een kind kan leren zich aan te passen. Stil zijn. Flink zijn. Niet lastig zijn. Niet te veel voelen. Niet te veel vragen. Het kan leren dat liefde en verbondenheid afhankelijk zijn van gedrag. Dat je erbij hoort als je voldoet. Dat je veilig bent zolang je jezelf een beetje verbergt.
Zo ontstaat de overlever.
De overlever is niet verkeerd. Hij heeft vaak bewonderenswaardig werk gedaan. Hij hielp ons door situaties heen die te groot, te verwarrend of te pijnlijk waren. Hij zorgde ervoor dat we konden functioneren, presteren, zorgen en doorgaan. Soms een heel leven lang. Hij nam taken op zich die niet bij een kind hoorden, maar bij de opvoeders.
Maar onder die laag leeft nog iets anders. Niet alleen een gekwetst kind, maar ook een levend kind. Een kind dat niet alleen troost zoekt, maar ruimte. Een kind dat weer wil verlangen, vertrouwen, scheppen, lachen, huilen, liefhebben en ontdekken.
Dat noemen wij het authentieke kind.
Dat authentieke kind is geen romantisch ideaal. Het is niet het kind dat altijd vrolijk is, vrijuit danst of spontaan doet. Het kan ook bang zijn, boos, verdrietig, verlegen of voorzichtig. Maar het is wel echt.
Daarom raakt het ons zo diep wanneer iemand eindelijk durft te zeggen: zo voel ik het werkelijk. Dit verlang ik. Dit doet pijn. Hier word ik blij van. Hier ga ik aan kapot. Hier wil ik voor leven.
Op zulke momenten horen we niet alleen een mening. We horen een mens.
Veel mensen leven niet werkelijk hun leven. Ze worden hun aanpassing. Ze houden de vrede. Ze doen wat verstandig is. Ze voldoen aan verwachtingen. Ze noemen het volwassenheid, maar soms is het oude angst in een nette jas.
Echte volwassenheid is iets anders.
De innerlijke volwassene zegt niet tegen het kind: stel je niet aan. Hij zegt ook niet tegen de overlever: ga weg, jij bent fout. Hij luistert. Hij begrijpt waarom de overlever nodig was. Maar hij geeft hem niet langer de leiding.
De innerlijke volwassene buigt zich als het ware naar binnen en zegt tegen het kind:
Je hoeft niet langer te bewijzen dat je mag bestaan.
Bij mij ben je welkom zoals je bent.
Je mag voelen wat je voelt.
Je mag worden wie je bent.
Dat is geen snelle bevrijding. Het is eerder een langzaam terugkeren. Soms in kleine momenten. Een eerlijk gesprek. Een grens die eindelijk wordt uitgesproken. Een traan die niet wordt ingeslikt. Een nee dat eigenlijk een ja is tegen jezelf. Een verlangen dat voorzichtig weer zichtbaar mag worden.
In het boeddhisme wordt vaak gesproken over wakker worden. Dat klinkt soms groot, bijna verheven. Maar wakker worden is niet opstijgen boven het gewone leven. Het is afdalen in wat we werkelijk voelen en helder zien wat ons gevangen houdt.
Wakker worden begint waar we merken dat onze overlever spreekt, maar niet onze diepste stem is. Waar we zien dat we niet samenvallen met onze angstgedachten, onze aanpassing of onze oude overtuigingen. Waar we ontdekken dat we onszelf soms verlaten hebben om veilig te blijven.
Onder de verdediging leeft nog iets. Een kind dat lang heeft gewacht. Maar vooral: een kind dat nog steeds vrij wil leven.
Misschien is dat de weg. Niet terug naar vroeger, maar terug naar de bron van leven in onszelf. Naar dat deel dat nooit verdwenen is. Dat misschien lang is overschaduwd, maar nog altijd weet dat wij niet geboren zijn om alleen maar te overleven.
Wij zijn geboren om te worden.
Vragen aan jezelf:
Waar in mijn leven beheer ik vooral mijn aanpassing, terwijl iets in mij eigenlijk wil leven?
Wanneer merk ik dat mijn overlever spreekt: in mijn voorzichtigheid, mijn controle, mijn boosheid, mijn pleasen of mijn terugtrekken?
Wat heeft mijn authentieke kind vandaag nodig: ruimte, bescherming, spel, eerlijkheid, stilte of liefde?
Welke kleine stap brengt mij vandaag dichter bij mijzelf?


Geef een reactie