Fahida had hoge leren schoenen aan die ze had gekocht in Alexandrië, Egypte, waar haar moeder woont.
Ze kocht drie paar van de gestikte bruine leren boots, ook voor familie.
Fahida kocht ze in de aanbieding. Ze betaalde dertig euro.
Het was in de huiskamer voor GGZ-mensen dat ik deze mededeling voor mijn kiezen kreeg.
Fahida is er vrijwilliger.
Naast me zat haar dochter van vijftien, die in Venlo studeert.
Ze dronk thee, ik koffie met drie koekjes tijdens mijn verblijf van drie uur.
Ze had een Grieks neusje, met een bobbeltje. Ik geloof dat ze Aiha heette.
Haar glimlachjes waren schaars en vluchtig.
Alexandrië is een voormalige Griekse enclave in Egypte waar de dichter Konstantin Kavafis leefde, een Griek.
Hij had een onbetaalde baan op het ministerie van Landbouw, waar hij de hele dag niets deed, volgens een collega, een gluurder die door het sleutelgat van Kavafis’ werkkamer keek.
K.P. Kavafis woonde samen met zijn moeder, die hij Fat One noemde.
Blijkens een dagboekje was zijn proza afgrijselijk, volgens Warren. Ik zag dat anders toen ik het las.
Kavafis was homo, clandestien, een eeuw geleden.
Lees zijn obscene gedicht Ik ging de trappen af, of Ik ging naar de geheime kamers.
Correct me if i’m wrong.
Kavafis ontmoette in clandestiene bordelen jonge jongens.
Bij zijn leven publiceerde hij niet één gedicht. Alleen vrienden wisten van zijn oeuvre, dat ongeveer dertig gedichten beslaat.
Hij is vertaald door Hans Warren, Mario Molegraaf en hoogleraar Grieks G.H. Blanken uit Leiden, stijf, omslachtig en sterk gecensureerd. Klassiek dus.
Warren en Molegraaf vertaalden decennia later, in de jaren negentig briljant en zeer expliciet.
De meeste gedichten van Kavafis behandelen historische, Griekse thema’s. Ithaka is zijn allerbeste.
Het luxe huis in Alexandrië waar Kavafis met zijn vermogende moeder woonde, werd later een vervallen pension voor gastarbeiders.
Warren en Molegraaf ontdekten dit tijdens een studiereis voor hun boek Ik ging naar de geheime kamers.
Een paar relieken uit Kavafis’ leven, waaronder zijn gipsen dodenmasker, moesten de indruk wekken dat het een museum betrof.
Ook vandaag hoorde ik in de huiskamer voor uit te rangeren mensen van de sociale werkplaats van de chef vrijwilliger dat Dylan Haegens en Marit ooit een gratis kantoor hadden in de huiskamer.
Opeens herinnerde ik me dat Dylan me twaalf jaar geleden twee kaartjes verkocht voor een dj-feest dat hij organiseerde in de oude kapel op Sint An.
Hij verkocht me de kaartjes aan de deur – dertig euro. Marit vond het goed.
Dat gebeurde voor het pand van de huidige huiskamer voor GGZ-mensen, in een vervallen, lange steeg.
De gedichten van Kavafis zijn makkelijk te lezen. Eigenlijk is het extreem gecondenseerd proza, parlando.
Toen ik zeventien was schreef ik de Griekse post een brief met verzoek me een postzegel van K.P. Kavafis te sturen. Ik kreeg een andere, met een brief van een medewerker, handgeschreven.
De postzegel is te zien op de cover van de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf.


Geef een reactie