In het tijdschrift Deviant las ik een interessant artikel over het lichaam als vijand. Nogal wat psychiatrische patiënten haten hun lichaam en vertonen daarom zelfdestructief of suïcidaal gedrag.
Zelf ben ik daar niet vrij van. Ik rook en heb te veel gedronken.
Een persoonlijkheid is meer dan een lichaam, maar niet uitsluitend geest. Ik heb me verraden gevoeld door mijn lichaam. Een kleine reeks amputaties heeft me ernstig verminkt. Een onstuitbare vaatziekte is daar debet aan. Nu heb ik daar vrede mee. Dat komt misschien ook omdat ik geen 25 meer ben. Mijn zelfbeeld leunt tegenwoordig meer op mijn ziel dan mijn lijf.
Maar ik ben er nog niet. Ik moet me dwingen na het opstaan naar de badkamer te gaan met washandje en handdoek. En om schone kleren aan te trekken. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst gedoucht heb. Ik durf vanuit mijn rolstoel niet op de douchestoel te kruipen, wegens neerplettergevaar. Daar zou ik mogelijk thuishulp voor kunnen regelen, maar iets weerhoudt me. Schaamte, neem ik aan.
Ik heb een sterk ontwikkeld gevoel voor lichamelijke integriteit. Zo kan ik er helemaal niet tegen om zomaar aangeraakt te worden. Dat ervaar ik meteen als aanranding. Daarom zie ik af in het ziekenhuis, waar anonieme artsen en verpleegkundigen in je knijpen of naalden in je duwen. Of de cirkelzaag tevoorschijn halen.
Gisteren had mijn roommate bezoek van een schoonzus die iets aardigs tegen me zei, en haar hand op mijn hoofd legde om haar woorden kracht bij te zetten.
Ik ben er nog steeds van aan het bijkomen.
Ik had moeilijk tegen die mevrouw kunnen zeggen dat ze met haar tengels van me af moest blijven. Mensen bedoelen het goed. Mag ik hopen.
Een gezonde geest in een gezond lichaam, zeiden de Romeinen. Ik heb een periodiek zieke geest in een aangetast lijf. De uitdaging is niet toe te geven aan zelfhaat of minderwaardigheidscomplexen.
Toch gaat van mijn nieuwe lichaam een zekere fascinatie uit. Selfies zijn een cliché, maar ik merk dat ik het interessant vind om daarmee te spelen. En dan te bedenken dat ik het vroeger vreselijk vond om gefotografeerd te worden.
Ik vermoed dat fotograferen (en schrijven) instrumenten zijn om grip te krijgen op mezelf en mijn omgeving. En om vrede te sluiten met wie ik ben. En hoe ik er uit ziet.
Narcisme kan op de loer liggen, maar ik fotografeer eerder uit verwondering dan ijdelheid. Waar moet ik ijdel om zijn? De resten van mijn benen? In de badkamer kan ik mezelf niets eens zien in de spiegel, door de rolstoel. Ik scheer me op de tast. De lift heeft wel een grote spiegel. Ik zie een aangetaste man op wielen, 10 kilo te licht, met ingevallen wangen. Ik ben meestal snel uitgekeken.
De briljante columniste en blogger Karin Spaink liet zich na haar borstkankeramputatie fotograferen met een overgebleven borst. Ik vind dat een moedige, emanciperende foto, die vooral getuigt van zelfrespect. En niet van narcisme of ijdelheid.
Veel confronterender vind ik de ontmoeting met oude vrienden die gave lichamen hebben, intacte gezinnen en een blakende gezondheid. Iedere encounter is ook een confrontatie met mezelf. Ik kan er in zekere zin beter tegen naar die foto van Karin Spaink te kijken.
We moeten allemaal gaan, we zullen allemaal vervallen. De zwaartekracht doet z’n werk. Ook daarom verbaas ik me over de populariteit van plastische chirurgie, die niet zelden afgrijselijke resultaten kent en op z’n best uitstel van executie is.
Wat moet je een hekel aan jezelf hebben om een chirurg de scalpel in je gezicht te laten zetten. Wie zei ook alweer dat alleen psychiatrische patiënten hun lichaam als vijand zien?


Geef een reactie