Het boek Meditation, Buddhism, and Science waarover deze boekbespreking gaat, bevat een verzameling artikelen van wetenschappers en filosofen over de laatste ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek van het boeddhisme. Sinds het boek The Tao of Physics van Fritjof Capra was veel aandacht uitgegaan naar eventuele parallellen tussen boeddhistische metafysica en logica enerzijds en de fysica van de kleine deeltjes anderzijds.

Al vanaf de 70-er jaren werd er echter ook onderzoek gedaan naar de effecten van boeddhistische meditatie, daar is de laatste tijd een ware hausse in gekomen gepaard gaande met gemengde resultaten. Met name de toenemende belangstelling voor hersenonderzoek heeft hier een belangrijke bijdrage aan geleverd.

Miljardenindustrie

De redacteuren McMahan en Braun schrijven in de inleiding dat het eerste hoofdstuk vormt, dat er een rode draad is in het boek. Dit is namelijk de overtuiging dat er in het onderzoek van het boeddhisme tot dusver te weinig aandacht is geweest voor historische en culturele factoren. De gegevens die het neurologisch onderzoek levert, moeten volgens hen binnen een historisch en cultureel kader worden geïnterpreteerd. Meditatie moet ook buiten het laboratorium worden bestudeerd. Dit levert vaak nieuwe gezichtspunten op, die niet helemaal stroken met wat tot dusver werd aangenomen. Zo wordt de mindfulness-beweging, die zo langzamerhand een miljardenindustrie is geworden, kritisch tegen het licht gehouden. Zoals bekend is deze begonnen toen Jon Kabat-Zinn ziekenhuispatiënten een soort aangepaste vipassana meditatie leerde, gecombineerd met yogaoefeningen. Hierdoor konden ze veel beter met hun pijn en ziekte omgaan. Dit heeft zich nu zo ver ontwikkeld dat men mindfull kan leren koken, mindfull kan leren plaatjes inkleuren en dat er zelfs een beweging bestaat van mindfull seks.

In het tweede hoofdstuk vraagt de redacteur David McMahan zich af wat we bedoelen als we zeggen dat meditatie helpt. De effecten van meditatie worden immers vaak beschreven als geestelijke toestanden die louter subjectief zijn. Er zijn wel vage indicaties geconstateerd bij hersenscans van mediterenden, maar die zeggen weinig over de ervaring. Ervaringen komen immers tot stand binnen een sociale en culturele omgeving, waardoor mensen in de eerste plaats worden gemotiveerd te mediteren en in de tweede plaats leren hoe ze hun ervaringen moeten interpreteren. Er zijn heel wat misverstanden ontstaan doordat deze zingevende factoren werden verwaarloosd. Meditatie wordt bijvoorbeeld vaak opgevat als een soort mentaal joggen, dus als iets wat niets met je persoonlijkheid te maken heeft, maar gewoon werkt volgens oorzaak en gevolg.

Ingebouwde laptop

In het volgende hoofdstuk verdedigt Evan Thompson de opvatting dat er een soort terugkoppeling plaatsvindt bij de beoefening van mindfulness. Het beoefenen van mindfulness wordt opgevat als een soort innerlijk waarnemen van wat er in je geest gebeurt. De geest wordt daarbij gezien als een soort innerlijke ruimte, of een soort ingebouwde laptop. De werkzaamheid ervan zou dan zichtbaar worden op allerhande scans. Daarbij worden volgens echter Thompson biologische en geestelijke gebeurtenissen door elkaar gehaald. Lichamelijke standen van zaken zijn immers de voorwaarden die mindfulness faciliteren en niet mindfulness zelf. Het is alsof je uit de manier waarop een tafel is gedekt probeert af te leiden of het opgediende eten lekker smaakt. Thompson heeft daar natuurlijk volkomen gelijk in en het is hem te prijzen dat hij ingaat tegen de in Amerika heersende opvatting dat elke reactie in de hersenen één op één samenhangt met een mentale gebeurtenis. Wat hij hier verkondigt, is echter niet nieuw, het werd al in het begin van de twintigste eeuw opgeschreven door Edmund Husserl.

Het vierde hoofdstuk gaat over de vraag wat geluk eigenlijk is. William Edelglass constateert dat mindfulness zo populair is omdat men verwacht er gelukkiger door te worden. De studies die dit verkondigen zien klaarblijkelijk geluk (happiness) als het gevolg van plezier (happiness is dus eigenlijk iets heel anders dan wat wij onder geluk verstaan). Er zijn twee manieren om dit te onderzoeken: vragenlijsten en interviews. Edelglass vergelijkt de uitkomsten hiervan met de beschrijving van geluk die hij vindt bij de boeddhistische Indiase filosoof Santideva uit de zevende eeuw. Hij wijst erop dat dit bestaat uit een radicale innerlijke transformatie die daarom weinig met happiness te maken heeft.

Werkelijkheid

In het vijfde hoofdstuk vergelijkt William Waldron de benadering van de moderne neurologie van meditatie met die van de klassieke boeddhistische filosofen. Hij merkt op dat een van de verschillen is dat de eerste meditatie benadert vanuit het perspectief van de derde persoon en de laatste vanuit het perspectief van de eerste persoon, dus van de eigen ervaring. Vanuit deze vaststelling kun je ofwel zeggen dat beide benaderingen niets met elkaar te maken hebben, of je kunt proberen de subjectieve ervaring te herleiden tot objectieve gegevens. Waldron zoekt echter naar een soort non-duale middenweg.

Het zesde hoofdstuk gaat over Mindfulness-Based Cognitive Therapy (MBCT): cognitieve therapie die op mindfulness is gebaseerd. Joanna Cook meent dat de instructeurs van deze therapie suggereren dat wat ze leren in overeenstemming is met de wetenschap. Daarbij gaan ze er vanuit dat er merkbare verschillen zijn tussen wat wordt ervaren en wat er echt is, maar in feite creëren ze daarmee een nieuwe werkelijkheid.

Verschillen in werkelijkheid spelen ook een belangrijke rol in het volgende hoofdstuk, waarin Julia Cassanti laat zien dat de beoefening van mindfulness in de Verenigde Staten erg verschilt van soortgelijke meditaties die in Thailand worden gedaan. In het eerste geval wordt vaak verondersteld dat dit de manier is om je ware zelf te ontdekken. In Thailand is er niet zozeer sprake van een enkel authentiek zelf, maar is het zelf dynamisch en heeft het verschillende aspecten. Bovendien maakt de ervaring van het ontbreken van een zelf in Thailand deel uit van de meditatie.

In het achtste hoofdstuk bespreekt Jeff Wilson de beweging die mindfulness aanbeveelt voor een beter seksleven. Deze stroming is voornamelijk populair bij vrouwen. Het merkwaardige is nu dat mindfulness enerzijds wordt aangeprezen als een wetenschappelijke methode, maar anderzijds ook als een eeuwen oud geheim uit de boeddhistische kloosters. Vooral dat laatste is opmerkelijk, omdat een boeddhistische monnik nou juist geen behoefte heeft aan een succesvol seksleven. Het is een goed voorbeeld van de doorgeslagen hype die mindfulness is geworden.

In het negende hoofdstuk legt redacteur Erik Braun uit hoe Kabat-Zinn boeddhistische meditatie heeft gepresenteerd als een middel tot een meer bevredigend leven. Dit gebeurde vooral in zijn geschriften over het Mindfulness-Based Stress Reduction program (MBSR, het programma dat door middel van mindfulness overspannenheid moet reduceren). Kabat-Zinn schetst het beeld dat overspannenheid ontstaat door een zwakte van de geest, en dat dit niets anders is dan een gebrek aan oplettendheid. Mindfulness is een soort geestelijke fitheid, die deze zwakte van afleiding door oefening laat verdwijnen, zoals de oefeningen in een sportschool het lichaam weer in conditie brengen. Een argument hiervoor is dat in een twijfelachtig onderzoek bleek dat mensen minder gelukkig zijn als hun gedachten afdwalen. Amerikanen hebben blijkbaar nooit binnenpretjes. Bovendien is een sterke geest een gelukkige geest, depressie -hoe algemeen ook in de V.S.- is voor losers. De mindfulness hype vertoont verdacht veel trekjes van de prozac-rage die dertig jaar geleden woedde in de V.S.

Pure aandacht

Het laatste hoofdstuk is ook erg interessant. Hierin vraagt Robert Sharf zich af of mindfulness wel boeddhistisch is en wat de consequenties zijn als dat niet zo is. Er is ruimte voor twijfel, want het achtvoudige pad dat de Boeddha onderwees, omvatte een sobere levenswijze dat weinig gemeen lijkt te hebben met die van de huidige westerse beoefenaar van mindfulness. Een goed voorbeeld is het Amerikaanse tijdschrift Tricycle, waarin talloze luxe en overbodige boeddhistische spullen worden aangeboden en waarin advertenties staan voor boeddhistische dating-clubs en cursussen mindfull masturberen. Mindfulness wordt vaak omschreven als het cultiveren van pure aandacht, het geconcentreerd houden van de geest op het hier en nu. Deze definitie is ontstaan onder invloed van de Birmese traditie die ontstond in de eerste helft van de twintigste eeuw. Mahasi Sayadaw verkondigde dat het niet nodig is voor het bereiken van het nirvāṇa om de vier stappen van verzonkenheid te doorlopen, alleen het beoefenen de door hem ontwikkelde vorm van satipatthana was al genoeg.

Sharf vergelijkt deze vernieuwing met die van de Chinese Zen en de Tibetaanse Dzogchen. In alle gevallen is er sprake van een soort vereenvoudiging in de meditatiemethode, die het gemakkelijker maakt voor leken om het boeddhisme te beoefenen in hun dagelijkse leven. In alle drie de gevallen is er ook kritiek en twijfel over de effectiviteit. Een belangrijk deel van deze kritiek is de vraag of zuivere aandacht, een bewustzijn dat volledig in het hier en nu is, wel kan bestaan. Het antwoord op die vraag heeft alles te maken met het verschil tussen de filosofie van de Madhyamaka en die van de Yogacara, of, zoals de aanhangers van de laatste zeggen: de derde draai van het wiel van de leer. (Deze omschrijving is overigens net zo geloofwaardig als de bewering dat de joden en christenen wel kunnen inpakken omdat Mohammed de laatste en definitieve deel van God heeft verkondigd.) De Yogacara leert dat het bewustzijn op zich bestaat, helder licht is, maar dat dit door van buiten komende gedachten en misvattingen wordt verduisterd. Als het eenmaal gezuiverd is van wat er niet in hoort, de zaden van het slechte karma, dan vindt er een ommekeer plaats en ziet men de wereld zoals ze is. Deze opvatting laat zich echter moeilijk rijmen met de oudste boeddhistische teksten, maar wel erg goed met de filosofie van de Jains en die van de brahmanen.

De Mahyamaka en de oude boeddhistische teksten lijken echter de opvatting te hebben dat bewustzijn alleen maar bewustzijn van iets kan zijn, zoals ook de moderne fenomenologie leert. Het nirvana wordt dan bereikt doordat je je losmaakt van je natuurlijke fascinatie door gedachten en gewaarwordingen, zodat je er vrij van wordt. Sharf merkt verder op dat de drie vernieuwingen allemaal beloven sneller tot een resultaat te leiden dan de bestaande methoden. Men spreekt zelfs van plotseling ontwaken in plaats van geleidelijk. Je geest is op zich immers al ontwaakt, je hoeft je er alleen maar bewust van te worden. Sharf vraagt zich af of dit geen oversimplificatie is. In de zen-traditie is er soms sprake van meditatieziekte (chánbìng) en sommige meesters vinden dat je het verlost zijn geleidelijk moet leren.

Conclusie

Al met al worden in dit boek interessante en belangrijke onderwerpen besproken. Enerzijds brengt het een zekere degeneratie van het boeddhisme onder de aandacht zoals deze plaatsvindt in de Verenigde Staten en waarschijnlijk ook daarbuiten. Anderzijds toont het ook aan dat het boeddhisme geen pakketje is dat we alleen maar hoeven uit te pakken. Het is nodig dat we blijven nadenken, discussiëren en te experimenteren en dat we een open gesprek kunnen vinden door onze ervaringen kunnen delen.

Bron
Meditation, Buddhism, and Science
David L. McMahan, Erik Braun (ed.), Oxford U.P., New York 2017.

 

 

Categorieën: Boeddhisme, Boekbespreking, mindfulness
Tags: , , , , , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu