Er zijn momenten waarop je voelt: zo kan het niet langer. Niet omdat het systeem vastloopt—integendeel, alles lijkt te werken. Er wordt vergaderd, afgestemd en besloten. Juist daarin schuilt iets ongemakkelijks: alsof de vorm overeind is gebleven, maar de ziel eruit verdwenen is.
Soms zie je dat in iets kleins. Een thuiszorgmedewerker bezoekt een oudere vrouw, controleert haar medicatie, noteert bevindingen in het dossier en houdt de tijd nauwlettend in de gaten. Alles gebeurt zorgvuldig, volgens afspraak. Maar wanneer de vrouw wil vertellen over haar onrustige nacht, blijkt daar nauwelijks ruimte voor. Niet omdat de medewerker niet wil luisteren, maar omdat de route vol is, de handelingen vastliggen en het gesprek nergens meetelt.
In onze vorige column beschreven we hoe een samenleving in een overlevingsstand kan raken. Hoe bescherming geleidelijk de plaats inneemt van ontmoeting, en controle belangrijker wordt dan vertrouwen. Wie daar oog voor krijgt, ziet het overal terug: in de zorg, het onderwijs en de politiek. Niet omdat mensen het verkeerd willen doen, maar omdat systemen steeds meer volgens hun eigen logica functioneren—een logica van meten, beheersen en verantwoorden. Een logica die veiligheid wil garanderen, maar het risico in zich draagt dat het levende verdwijnt.
Bob de Wit stelt dat onze samenleving op een kruispunt staat: we kunnen doorgaan op de weg van verdere centralisatie en controle, of een andere richting inslaan—een samenleving waarin mensen weer centraal staan en ontmoeting opnieuw ruimte krijgt. Dat klinkt groots, maar begint vaak klein: op het moment dat iemand het systeem even loslaat. Wanneer een professional niet alleen zijn rol vervult, maar ook werkelijk aanwezig is. Wanneer een gesprek niet direct naar een uitkomst wordt gestuurd, maar de ruimte krijgt om zich te ontvouwen.
Juist in zulke momenten gebeurt iets wat zich niet laat afdwingen of organiseren: ontmoeting.
In ons werk zien we hoe mensen vastlopen wanneer hun innerlijke overlever de regie overneemt. Het leven wordt smaller, meer gericht op controle, zekerheid en het vermijden van pijn. Wat we minder vaak benoemen, is dat ook systemen trekken van die overlever kunnen aannemen. Ze willen beschermen en structureren, maar kunnen verstarren. En dan ontstaat er iets vreemds: een samenleving die bedoeld is om mensen te dienen, maar waarin mensen zich niet meer gezien voelen.
Misschien ligt de verandering niet in het bouwen van nóg betere systemen, maar in het teruggeven van ruimte—aan mensen, aan relaties, aan wat zich niet laat vangen in regels. Misschien begint een andere samenleving daar: waar iemand het aandurft om niet alleen volgens het systeem te handelen, maar ook als mens aanwezig te zijn.
Gebaseerd op het boek Er is niets mis met mij. Ik ben onderweg van Luuk Mur en Rob van Boven. Wie wil, kan de vragen uit dit boek verder verkennen in gesprek met ChatGPT met de code [IKBENONDERWEG_LR].


Siebe zegt
‘Mijn’ psychiater had het altijd druk, zei hij. Hierdoor kwam hij niet toe aan ‘ontmoeting’ van mens tot mens. Ik ben dit ooit met hem aangegaan toen ik me niet gezien voelde en geen contact ervoer. De therapeute raadde me aan dit aan te kaarten bij hem. Zo geschiedde. Eigenlijk was het enige wat hij me vertelde…druk, druk, druk…Toen nam ik er wel genoegen mee.
Maar ik geloof dat het toch een soort smoes is.
Er zijn ook psychiaters die hebben het net zo druk maar die ontmoet je wel. Het is wel degelijk ook iets persoonlijks.
Het is ook wel makkelijk dat het allemaal niks met jezelf te maken heeft en aan het systeem ligt, de procedures, de wet, etc.
Het zou ook wel mooi zijn als we dit allemaal eerlijk bekijken, toch? Eerlijk bekijken wat er echt bij ons speelt wanneer we eigenlijk contact en ontmoeting (willen) vermijden. Het is ook wel weer heel menselijk.
Dick van der Vlugt zegt
Inderdaad Siebe: ook de hulpverlener kan in de overlevingsmodus zitten. Hij “kiest” de positie van hulpverlener vanuit zijn eigen beschadigde coping. Hij of zij wil boven de ander staan, of gezien worden, erkenning krijgen. Niets menselijks is ons vreemd. Ware het niet dat bij hulpverlenen hoort de ontrafeling van je eigen proces, het refelecteren op je rol als hulpverlener. In mijn ervaring met samenwerken met psychiaters lijkt het vooral voor deze groep niet eenvoudig hun beroepsrol tegen het licht te houden. Volgens mij komt dat omdat ze als artsen gelieerd zijn aan het medisch model. Wat bij uitstek niet gebaat is bij ontmoeting. Daarmee zijn ze samen met andere wetenschappers vaak de onbewust leidende krachten achter de hierboven beschreven systeemziekte van de geestelijke gezondheidszorg. Uitzonderingen daargelaten.