Sommige verhalen worden zó vaak verteld dat je er langsheen luistert. Dit is er zo één: een oud verhaal uit Lucas 15, meestal “de verloren zoon” genoemd. Misschien ken je het—misschien ook niet. Hoe dan ook: soms schuift het een paar centimeter opzij. En ineens gaat het niet meer over toen en daar, maar over hier en nu.
Je hoeft niets met geloof te hebben om dit verhaal te herkennen. Het beschrijft iets menselijks: hoe we onszelf kwijt kunnen raken—en hoe we terug kunnen keren. Niet terug naar braafheid, maar naar verbinding.
De jongste zoon wil weg. Niet per se omdat hij slecht is, maar omdat hij ruimte wil. Vrijheid. Een eigen leven. Hij vraagt zijn deel van de erfenis en vertrekt. Dat “ver weg” is niet alleen een plek op de kaart; het is ook innerlijk. Weg van verwachtingen, weg van de plek waar je je moet voegen.
Wij herkennen die beweging. Soms gaat het heel netjes: een nieuwe baan, een verhuizing, een relatie, een ambitie. Je zegt tegen jezelf: “Nu ga ik eindelijk leven.” En een tijd lang voelt dat ook zo. Tot er onder alles wat je doet iets in jou onrustig wordt. Je gaat vooruit, maar je komt nergens aan. Je bent bezig, maar je ontmoet jezelf niet meer.
Dan wordt het verhaal rauw. Honger. Schaamte. Een bodem. Je ziet hem bijna zitten: tussen de dieren, met lege handen, de geur van stal in zijn kleren, en het besef dat hij niet alleen zijn geld is kwijtgeraakt, maar ook zijn gezicht. En dan die ene zin die alles kantelt: hij kwam tot zichzelf. Niet: hij kreeg een morele ingeving. Maar: er gaat een licht aan. Alsof er in hem iets wakker wordt dat al die tijd bedolven lag onder allerlei gedachten. Een eenvoudige helderheid die zegt: dit werkt niet meer. Dit ben ik niet. Mijn vrijheid is leeg geworden.
En dan staat hij op en gaat terug.
Wat hem thuis opwacht, is geen ondervraging, geen preek, geen rekensom. De vader rent hem tegemoet. De omhelzing komt vóór de uitleg. Het welkom komt vóór het verhaal. Hij doet niet eerst een intake; hij haalt hem binnen. Alsof liefde begint met nabijheid, en pas daarna met woorden.
Daar zou het kunnen eindigen. Maar het verhaal wordt pas echt scherp wanneer de oudste broer verschijnt.
Hij is thuisgebleven. Hij heeft gewerkt en volgehouden. Betrouwbaar, loyaal, niet zeuren. En juist daarom schuurt het: misschien is híj wel degene die het langst heeft gewacht op een blik die zegt: ik zie jou. Als hij het feest hoort, blijft hij buiten staan. En dan zegt hij: “Ik dien u al zoveel jaren.” Dat is geen taal van nabijheid, maar van een contract. Niet: “Ik mis je.” Maar: “Ik heb recht op…”
Hier zie je een tweede manier om te verdwalen: niet door weg te gaan, maar door thuis te blijven en door aanpassing je eigenheid uit het oog te verliezen. Buiten de vreugde. Los van jezelf. Het soort innerlijke vervreemding dat je niet ziet op foto’s, maar waar wel je lichaam op reageert: in schouders die altijd paraat staan, in een adem die hoog blijft, in een hoofd dat zelfs in rust nog doorwerkt.
En dan gebeurt opnieuw iets opvallends. De vader blijft niet binnen bij het feest. Hij gaat naar buiten, naar de oudste. Alsof het verhaal wil zeggen: thuiskomen gaat niet alleen over ontsporen en terugkeren. Het gaat ook over plicht en verharding. Niet alleen over fouten vergeven, maar over genezen van het idee dat liefde verdiend moet worden.
Het verhaal eindigt open. We horen niet of de oudste naar binnen gaat. Misschien is dat wel het eerlijkste eraan. Want dit gaat niet over twee broers van toen. Dit gaat over ons.
In ons leeft de jongste: het deel dat wil losbreken, en dat vlucht in plannen, prikkels, ambitie—om vrij te worden. Vrij zijn vanuit het idee dat ik kan doen wat ik wil, en soms wakker schrikken bij de bodem. In ons leeft de oudste: het deel dat het netjes doet, dat zich staande houdt, dat loyaal blijft—en ondertussen langzaam de vreugde kwijtraakt. Alsof we van binnen ook zo’n gezin meedragen, met delen die vluchten, delen die volhouden, en een deel dat kan leiden en verwelkomen.
En in ons leeft ook de vader: het vermogen om te zien, te wachten zonder af te schrijven, te verwelkomen zonder voorwaarden, en om naar buiten te gaan wanneer iets in ons zichzelf buitensluit. Dat vaderschap-in-ons kan de jongere en de oudere weer samenbrengen, opdat vrijheid en verbondenheid hand in hand kunnen gaan.
Misschien is dat de stille uitnodiging van dit verhaal: niet om onszelf op te delen in “goed” en “fout”, maar om te kijken:
- Waar in ons zijn we ver weg geraakt?
- Waar maken we van liefde een rekensom?
- En waar kunnen we, al is het maar even, weer thuiskomen?
Niet met een groot antwoord. Alleen met één kleine beweging: een stap naar binnen. Eén moment van opmerken in plaats van reageren.
Misschien is dat al genoeg: een stap naar binnen—en opnieuw plaatsnemen aan tafel.
Rob van Boven (1951) is psycholoog en geregistreerd psychotherapeut. Hij was consultant voor verschillende organisaties (drugs en verslaving counseling, vaardigheden workshops) en werkte vijftien jaar als een behandelingscoördinator in een psychiatrische instelling. Bij Rob van Boven wordt het geloof van de overlever bewust gemaakt en een juiste plaats gegeven. Het doel is om los te komen van de dwang van het geloof en bewustzijn te ontwikkelen naast deze denk- en voelpatronen. Hoe meer je van het geloof van de overlever bevrijd bent, zonder het te bestrijden, maar door het de juiste plek te geven, hoe vrijer je kan leven.
Luuk Mur ( 1952) is psycholoog en heeft een drietal boeken geschreven over de door hemzelf ontwikkelde hulpverleningsmethode communitysupport. Hij is lid van de Dzogchen Community Nederland. Dzogchen is een vorm van Tibetaans boeddhisme waarbij veel belang wordt gehecht aan de ontwikkeling van individueel bewustzijn. Bij deze traditie streeft men naar non-dualiteit van het bewustzijn. Mensen zijn zich niet alleen bewust ( je weet dat je dit leest), maar je kunt je ook bewust zijn van dit eerste bewustzijn. Dit meta-bewustzijn wordt ‘gewaarzijn’ genoemd.


Geef een reactie