Beschouwingen naar aanleiding van de zoektocht van een goede vriend naar ‘de eeuwige ziel’
Dank voor het vertrouwen dat je me schenkt door je verkenning naar ‘de eeuwige ziel’ met mij te delen. Mijn vraag is nu welk recht ik daaraan kan doen. Ik kom er niet helemaal uit. Voor jou is dit concept, en het hele mensbeeld dat ermee samenhangt, essentieel om tot een dieper zelfbegrip te komen. Vanuit mijn meer boeddhistisch gevormde begrip kan ik er juist weinig mee. Gevaar is dan een soort doctrinaire uiteenzetting, alsof er een waarheid moet worden verkondigd of bestreden, een ‘juiste leer’ moet worden bepaald. Terwijl het probleem juist schuilt in de veronderstelling dat ter zake een waarheid of juiste leer zou kunnen bestaan. De eigenlijke vraag is wat uiteindelijk het beste werkt om een beetje netjes door dit en volgende levens te komen, welke ‘dhamma’ daarin het beste ondersteunt.
Ik probeer in mijn beschouwingen uit te gaan van een boeddhistische manier van kijken, voor zover ik deze begrijp en voldoende in mijn eigen denken heb kunnen incorporeren. Hoogmoed dreigt voortdurend, uiteraard. Ik bedoel met boeddhisme vooral de, voor zover ik die begrijp, meest oorspronkelijke functie van pad van oefening, met ‘ondersteunende theorie’, om netjes door dit leven te komen, lijden te verminderen, gehechtheden te overstijgen en te doen wat gunstige gevolgen heeft. Daarmee geven we sturing aan ons leven en aan wat daarvan doorwerkt in volgende levens. ‘We zijn eigenaar en erfgenaam van onze daden’, het karma-principe. De leer, de vier waarheden enz., is daaraan ondersteunend, geen doel in zich. Evenzeer is meditatie, ook de zen-beoefening, vooral een oefenpraktijk die ondersteunend is aan het pad als geheel. Het beeld hiervan is dat van het achtvoudig pad, de acht oefengebieden waarop je, in meerdere of mindere mate, kunt oefenen om tot een betere levenspraktijk te komen. Filosoof Peter Sloterdijk heeft hiervoor de mooie term ‘oefendiscipline’ ontworpen.
Allemaal ‘voor zover ik het begrijp’, maar dit is in de kern het kader waarbinnen ik reageer op jouw zoektocht.
Het probleem zit in de woorden, meer bepaald in het hechten van woorden aan, ja, wat dan …?
In de leer is een belangrijke notie dat de benoemde dingen, de woorden, ‘leeg’ zijn, dus geen bestendige of wezenlijke kern hebben. Mensen, daarin waarschijnlijk uniek in het dierenrijk, benoemen dingen, hechten een symbool, een woord of woordbeeld, aan wat we menen te onderscheiden als onderscheiden ‘dingen’. Met die woorden kunnen we ordenen, herschikken, beheersen, maar vervolgens beheersen ze ook ons. We leven in de illusie dat de woorden, de benoemingen of symbolen in onze kop, de ‘echte’ werkelijkheid zijn, ofwel dat iets pas bestaat als we het benoemd en in ons denken ingeordend hebben.
Dat is alleen al niet zo omdat we nooit een ‘ding als geheel’ kunnen waarnemend: we zien een aspect (letterlijk een ‘toeschijnsel’), benoemen dat als ‘het ding’, maar zien niet de achterkant en alle materie of processen aan de binnenkant. Evenmin zien we de afhankelijkheden van dat ‘ding’ van al het andere dat er op elk moment op inwerkt, en bepaalt wat het ‘ding’ op enig moment is (en dus een volgend moment al niet meer). In de leer wordt dit ‘oorzakelijk ontstaan’ genoemd: alles is door voorafgaande oorzaken, en aangezien die op geen moment dezelfden zijn is ook niets steeds hetzelfde, ofwel bestaat niets uit zichzelf. Alles wat op enig moment is is een momentaan evenwicht tussen alles wat erop inwerkt, een dynamisch evenwichtspunt. Benoeming in woorden fixeert aspecten van de dingen en onttrekt ze schijnbaar aan het voortgaand oorzakelijk ontstaan. Handig om ze in je denken te kunnen beheersen, dat wel. Als ik het goed begrijp wordt iets vergelijkbaars in de Hegeliaans-Marxistische traditie bedoeld met het begrip ‘verdinglijking’ (reïficatie),. Terwijl het ‘ding’ in feite resulteert uit uiteenzetting, het dialectische principe. Vooral de jonge Marx gebruikt dit om te benadrukken dat sociale constructen geen ‘ding in zich’, geen gegeven, zijn maar het resultaat van botsende maatschappelijke krachten, en dus dynamisch en veranderbaar.
De boeddhistische traditie legt (voor zover ik het begrijp) veel nadruk op het begrip van leegte omdat dit wordt gelinkt aan de oorzaken van lijden (tweede waarheid). We hechten aan onze benoemingen en lijden er dus onder als de onderliggende werkelijkheid voortdurend verandert (andere evenwichten tussen krachten aanneemt) en de ‘dingen’ dus niet altijd zijn en doen wat we verwachten. Verwachten = verlangen = oorzaak van lijden. We leggen onze verwachtingen, geïmpliceerd in onze woorden, op aan de werkelijkheid, in plaats van deze te doorzien als wat ze is: voortdurend veranderend, zonder ‘kern’. We hechten onze cognitieve plakkertjes aan de dingen en daarmee hechten we aan de werkelijkheid zoals we die menen waar te nemen, en dus is de werkelijkheid nooit helemaal wat we ervan verwachten = lijden.
De Boeddha gebruikte (voor zover ik het begrijp) het begrip leegte vooral in relatie tot het niet-bestaan van een vaste en onveranderlijke kern in het zelf, het anatman-principe. In de vedische voorstellingswereld waarin de Boeddha leefde werd het bestaan verondersteld van een ‘atman’, een ‘zelf’, dat zich bij overlijden losmaakt en bij reïncarnatie zich weer in een ander lichaam nestelt. Een begrip dat veel doet denken aan ‘ziel’ in de Christelijke en de door jou aangehaalde Keltische traditie. In de visie van de Boeddha wordt wat we ervaren als ‘zelf’, als ‘ik’, veel meer bepaald door wat we op ieder moment ervaren als het op elkaar inwerken van de vijf ‘aggregaten’ (skandha’s): ‘vorm’ (of lichaam), gewaarwordingen, waarnemingen, psychische verschijnselen (gevoelens, gedachten, wilservaringen) en bewustzijn. Aangezien elk van deze aggregaten veranderlijk is (want zonder onafhankelijk bestaan, want oorzakelijk ontstaand) is het ervaren geheel op ieder moment anders, een dynamisch evenwichtspunt. Wat we ‘zelf’ noemen is dus geen onveranderlijk ‘ding’, maar door het te benoemen maken we dat er wel van. We noemen het ‘ik’ en hechten vervolgens aan ‘ik’.
De Boeddha zag deze illusie van een ‘ik’ als voornaamste oorzaak van lijden, als de kern van de tweede waarheid (mijn interpretatie). Die illusie, de verdinglijking van ‘ik’, brengt gehechtheid aan ‘ik’ met zich mee. Met die gehechtheid ontstaat een defensieve instelling (we hebben ergens aan vast te houden, te verdedigen) en angst voor de dood. Die verdediging en angst injecteren ons met de ‘vergiften’: woede, haat, begeerte, illusie … Loslaten van die gehechtheid moet dan leiden tot voorkomen van handelen door ‘vergiftiging’ (niets te verdedigen, niets om aan vast te houden) en daardoor handelingen en hun gevolgen (karma) waarvoor je nog een keertje terug moet komen. Dit volledig inzien en realiseren is verlichting, met niet-hoeven-terugkeren, niet-bestaan (nirwana) als ‘beloning.’ Dat is dan vooral de opgave voor de echte monnik die tot het uiterste wil gaan (voor wie de Boeddha oorspronkelijk sprak. Alles wat de gewone man er in het dagelijks bestaan mee kan is een afgeleide).
Wat zegt dit nu over jouw beeld van een ‘eeuwige ziel’ ? Oppervlakkig gezien: ziel = atman, dus niet-bestaand, illusie. Maar dit is veel te makkelijk. Vraag is meer wat jouw beeld van ‘ziel’ je helpt of niet helpt in de gang door je leven. Je behandeling van het begrip is naar mijn gevoel sterk afhankelijk van ‘verdinglijking’, de ziel als ‘ding’ met een plek en zelfstandig bestaan. Dat helemaal in de Christelijke traditie waarin altijd is gezocht naar waar die ziel nu precies huist en hoe die het lichaam verlaat bij de dood (vaak voorgesteld als uitvliegend engeltje of duifje). Vraag is vooral of deze voorstelling iets doet voor vermindering van lijden in de gang door dit leven, aan de opbouw van je karma (uiteindelijk, we zijn ‘eigenaar en erfgenaam van onze daden’, niet ‘eigenaar van een ziel’). Een zin als ‘Het lichaam bevindt zich in de ziel’ (die je ontleent aan de Keltische traditie): wat voegt dat toe aan de kwaliteit van je handelen ? Of hoort het tot het complex illusies dat bijdraagt aan ‘hechten aan ….’ en dus in de weg zit om het goede te doen en het slechte te laten ? Wat helpt je dit ?
Dat is echter een te makkelijk antwoord. Het is menselijk om te willen weten, onbevredigend om niet te weten (hoewel iets minder onbevredigend als je beseft dat we niet kunnen weten). De literatuur wijst erop dat de Boeddha nooit heeft willen invullen wat, als atman net bestaat, er dan wel overgaat naar een volgend leven, geen alternatief ‘iets’ heeft geponeerd omdat dat na benoeming weer object van hechting zou worden. De orthodoxe opvatting is dat bij de dood de vijf aggregaten uit elkaar vallen en daarmee de ervaring van een ‘zelf’ ophoudt. Er is dus geen ervaren ‘iets’ dat naar een volgend leven overgaat; het is dus een illusie dat ‘je’ in een volgend leven verdergaat. Toch is er wel de voorstelling dat gevolgen van daden op enige wijze de startpositie bepalen van een volgend leven, de populaire voorstelling van een gunstige of minder gunstige wedergeboorte. Ook de Boeddha zelf hield er een heel palet op na van geboorterijken (hellen, hemelen, dieren, geesten, mensen …) waarin je naargelang je erfenis en gevolgen van daden terecht kunt komen. Hij vertelde zelf over honderden eerdere levens die hij zich na zijn volledige verlichting kon herinneren (de zgn. jataka-verhalen, vooral didactisch bedoeld en inderdaad stichtelijke lectuur van het ergste soort). In latere boeddhistische tradities is het denken hierover nog veel verder uitgebouwd, vooral in de mahayana; zie b.v. de verlichte leraren als de Dalai Lama die hun wedergeboorte uitkiezen en sturen.
Voor nu is het van belang dat deze voorstellingswereld impliceert dat de ‘herinneringen’ van daden en gevolgen toch op enige wijze identificeerbaar moeten zijn om als ‘jouw’ herinneringen te kunnen ‘landen’ in een volgend leven. Alleen dan kunnen ze herinnerd worden als voorgaande levens. Alleen identificeerbaar kunnen herinneringen aan daden en gevolgen zelfs opeenvolgende levens bepalen (het populaire beeld van ‘uitboeten’ van slecht karma in een leven in een hel of als dier, waarna alsnog een gunstiger wedergeboorte kan volgen). Het beeld van een atman of ziel is dus heel hardnekkig, ook in de bredere boeddhistische traditie, tegelijk weer een ‘verdinglijking’ van een proces dat we feitelijk niet kennen en misschien ook niet kunnen kennen.
Een voorstelling in de literatuur is dat van de vijf aggregaten alleen die van bewustzijn of geest iets eeuwigs heeft en dus de drager is van wat van leven naar leven doorgaat. Jij gebruikt het begrip ook. Ik vind dit intrigerend, omdat juist het begrip van bewustzijn of geest als niet-stoffelijke dimensie niet kan bestaan in het materialistische wereldbeeld dat thans dominant is. Je wijst hier ook op, b.v. in de voorstelling van de hersenen als ‘ontvanger’ van bewustzijn, niet als producent ervan. Ik denk dat het bestaan van een bewustzijnsdimensie een vruchtbare hypothese is, om diverse redenen die er hier niet toe doen (de verhalen van Pim van Lommel over bijna-dood ervaringen, die jij ook citeert, dragen daar veel aan bij, maar er is meer). Voor hier is van belang wat de benoeming ervan als geest of bewustzijn als effect heeft. Ook hier is het risico een in feite niet kenbaar iets door benoeming te reïficeren tot een ‘ding’.
De vraag is zo intrigerend dat ook ik niet ontkom aan de behoefte aan het vormen van een beeld van wat bewustzijn nu eigenlijk is, met alle risico van dien (gehechtheid aan het eenmaal gevormde beeld). Voor zover ik het begrijp moeten we ‘geest’ niet opvatten als iets wat naast het materiële bestaat, als een soort dimensie waarmee we (uit)wisselen, b.v. bij de dood. Je gebruikt zinnen als ‘toegang hadden tot het eindeloze bewustzijn’. Doet dat niet precies dat: je bent nu in de materie, maar kijk eens aan, in diepe meditatie of bij de dood openen zicht de poorten naar een ander ‘ding’ ?
Voor zover ik het nu een beetje probeer te begrijpen moeten we ‘geest’ niet opvatten als iets naast materie maar als een ‘veld van informatie’ (term van Van Lommel) dat overal in en achter zit en op allerlei manieren interacteert met wat wij materie, werkelijkheid, noemen. Een veld waarin alles uit verleden, heden en toekomst gelijktijdig aanwezig is en afstand niet bestaat, dus de relativiteitswetten van Einstein niet gelden. Ons persoonlijk bewustzijn is dan eerder een soort ‘homepage’ in dit waarlijk wereld- en hemelwijde web, niet een ‘iets’ buiten en naast het ‘eindeloze’ bewustzijn. Een ‘homepage’ die kennelijk kan bestaan als het materieel lichaam -tijdelijk- dood is. Daarin passen alle verhalen over van bijna-dood ervaringen: verhalen over weerzien met overledenen, zien van eigen toekomst en tijdelijk verblijf in verre werelden, lichtjaren ver in de relatieve werkelijkheid maar in het geestelijke allemaal gelijktijdig aanwezig; ook ontmoetingen en uitwisseling zonder woorden, info die direct in het bewustzijn wordt overgedragen. Een werkelijkheid die wel met de kwantumtheorie in verband wordt gebracht, maar dat gaat mijn pet verre te boven.
Mijn vraag is dan steeds: wat betekent dat nu voor ons leventje ? Verandert het iets, vermindering van lijden, betere karmische gevolgen ? Ik heb daar geen sluitend antwoord op. We willen nu eenmaal weten, met alle risico’s van dien. Een vermoeden kan zijn dat de ervaring van onderdompeling in universeel bewustzijn een heel oorspronkelijk-menselijke ervaring is, en ten grondslag ligt aan de oorspronkelijk animistische beleving van de werkelijkheid. Er is ook altijd de behoefte geweest aan een vorm van direct contact met (verkeerd beeld: beeld van ding buiten ik) of verkeren in die geestelijke wereld, in sjamanistische praktijken, later in veel vormen van devotie en mystiek. Latere ontwikkeling van het denken heeft die ‘geestelijke wereld’ steeds meer apart gezet, geprojecteerd in goden naast en boven ons, daarmee in feite ruimte makend voor een vooral op de materiële werkelijkheid gerichte praktijk. Zo heeft het godsgeloof de weg geëffend naar het atheïsme (mijn hypothese). Van ‘verbinden met het geestelijke’ naar ‘aanbidden van het hogere’ , daarmee het ‘hogere’ als ding naast jou projecterend en uiteindelijk irrelevant verklarend. De emancipatie van de moderne mens. Maar ondertussen wel nog immer kaarsjes branden voor Maria/Kanzon/Quanyin. We hebben de betrekkelijk universele behoefte om kracht te willen ontlenen aan ‘het hogere – omvattende’, ook ik, zij het minder gearticuleerd want atheïstisch opgevoed. Vraag hier is of het ons helpt om daar een vorm aan te geven, een traditioneel of cultureel bepaalde devotionele praktijk: die geeft de ervaring van steun, maar wordt ook makkelijk object van hechting.
Ik probeer me vooral vast te houden aan het boeddhistisch-stoïcijns beginsel: laten waar je geen invloed op hebt, je doelbewust inzetten op waar je wel invloed hebt en waar je keuzes een verschil maken, en daarbij een duidelijk beeld van deugden en plichten als richtsnoer nemen. We zijn eigenaar en erfgenaam van onze daden. Hoe die gevolgen van daden overgaan naar een volgend leven, of er ‘iets’, een soort ziel, overblijft en overgaat of dat dit een onbenoembaar proces in de geestelijke dimensie is: we weten het denk ik niet, en vraag is hoeveel steun het ons biedt het te willen weten. Basaal gaat het erom het goede te doen en er dan maar op te vertrouwen dat dat gevolgen zal hebben, zonder daarin te willen sturen of beheersen, dus zonder hechting. Het leven is al moeilijk genoeg.


Geef een reactie