Recent wierp iemand een interessante vraag op: Is vergankelijkheid absolute werkelijkheid of relatieve werkelijkheid? De vraag is interessant niet omwille van het antwoord, maar vanwege de impliciete assumpties. In het westerse boeddhisme leeft op vele plaatsen het idee dat de absolute werkelijkheid de enige echte werkelijkheid is, en dat de relatieve werkelijkheid illusie is. Dus, is zo’n essentieel boeddhistisch begrip als vergankelijkheid dan illusie?
De termen ‘absolute werkelijkheid’ en ‘relatieve werkelijkheid’ zijn een in mijn ogen erg ongelukkige recente westerse vertaling van verschillende Sanskriet en Chinese woorden die gaan over de middenweg, een term die al in de Palicanon voorkomt. Deze vertaling vraagt om misverstanden. Als er een absolute werkelijkheid bestaat, waarom zouden we dan nog in de relatieve werkelijkheid geïnteresseerd zijn? Dan is het ook geen middenweg meer.
Ik voel mij, geïnspireerd door Nagarjuna, beter bij de vertaling ‘conventionele’ werkelijkheid, in plaats van ‘relatief’. Het is de geordende werkelijkheid waarin we leven, en die ordening doen we samen. Dat is conventie. Taal speelt hierin een belangrijke rol. Taal is bij uitstek conventie. Als we het niet niet eens zijn over wat onze woorden betekenen, dan wordt taal betekenisloos.
Het is onmogelijk om een goed woord te vinden voor de tegenpool van de conventionele werkelijkheid. Zodra we een woord gebruiken zitten we per definitie in het conventionele. Taal is conventioneel. Ik houd wel van de vertaling van Thich Nhat Hanh die het heeft over ‘ultieme’ werkelijkheid. En ik ontdekte recent in zijn poëziebundel dat ultiem hier de vertaling is van het Chinese 本, wat letterlijk ‘oorspronkelijk’ betekent.
Boeddhistische teksten proberen soms aan het conventionele van de taal te ontsnappen door onconventioneel taalgebruik, zoals de paradoxen van de koans of de hyperbolen van de Avatamsaka. Het is de poging waard.
Het is een middenweg. De ultieme werkelijkheid is niet superieur aan de conventionele. Een interessante tekst hierover is de Cantongqi van Shitou Xiqian (China 8ste eeuw). De titel wordt vaak vertaald als ‘De harmonie van veelheid en eenheid’. Shitou schrijft: ‘Het zien van het absolute is nog geen verlichting’. En verderop: ‘Het is als de voorste en de achterste voet bij het lopen.’ Dat is belangrijk. Ik heb te veel zenmensen op één been zien hinken, wanhopig op zoek naar een ongrijpbare absolute werkelijkheid.
Wat zegt het boeddhisme over de conventionele werkelijkheid? Om te beginnen is er de ‘tilakkhaṇa’ de drie kenmerken: anicca, dukkha, anatta. Je kunt het vertalen als: niet permanent, niet bevredigend en zonder vaste grond. Als het woord illusie hier aan de orde is, is het niet als een eigenschap van de conventionele werkelijkheid. Het is de neiging die we hebben om ons illusies te maken, om te denken dat er iets is wat niet vergankelijk is, dat er iets is dat ons definitief gelukkig gaat maken, dat er wel een vaste grond is.
Deze drie kenmerken zeggen iets over wat de conventionele werkelijkheid niet is. Maar wat is ze dan wel? Ze is conventioneel en er zijn verschillende conventies in de wereld. Het verschilt van cultuur tot cultuur, van wereldbeeld tot wereldbeeld. Het boeddhisme heeft zich altijd uitgedrukt in de taal, het wereldbeeld, de conventie van de cultuur waarin het terechtkwam.
Een moderne term voor het conventionele is ’social construct’. Zoals in de uitspraak: ’Gender is een social construct zonder biologische basis’. Dat klopt. En de zin zelf is evenzeer een social construct. Dat leidt soms tot een extreem relativisme. Een muur is een social construct. Stel dat iemand zou zeggen: ‘de muur is niet meer dan een social construct, dus ik ga niet door de deur maar door de muur naar buiten’. Good luck, maar kom niet klagen over je buil. Niet ieder social construct is even bruikbaar. Een uitspraak van Jung is: ‘Werkelijk is wat werkt’. Niet ieder social construct werkt.
Als we kijken naar die veelheid van social constructs in het boeddhisme in verschillende culturen, heeft het boeddhisme iets te zeggen wat werkt?
Wat er voor mij uitspringt is: causaliteit. En dan gaat het over de causale effecten van mijn gedrag. Wat ik doe, of niet doe, kan lijden of welbevinden veroorzaken. Ik ken geen enkele boeddhistische traditie die dat zou tegenspreken. Er is ook niemand die zegt dat ons gedrag de enige oorzaak is. Maar wat we nu doen heeft een invloed op de causale keten van lijden en welbevinden. Dat maakt ons verantwoordelijk.
Het gaat daarbij niet alleen over mijn eigen lijden en welbevinden. Ik mediteer niet in de hoop om daarmee een definitief einde te maken aan mijn eigen lijden. Dat zou een illusie zijn. Maar mijn meditatiepraktijk helpt mij om beter om te gaan met mezelf en met anderen. Althans, dat is de bedoeling. Dat is de betekenis van het woord karma.
De tijdschaal waarin dat zich afspeelt hangt af van mijn wereldbeeld. Op de vraag hoe lang leeft een mens, zijn er verschillende antwoorden mogelijk. Vanuit het perspectief van de uiteindelijke werkelijkheid leef ik maar één ogenblik, nu. De rest is verhaal en dat verhaal is conventionele werkelijkheid. Het maakt eigenlijk niet veel uit of ik dat verhaal laat beginnen bij mijn geboorte en eindigen bij mijn dood, of daarvoor en daarna.
In de conventionele werkelijkheid waar ik deel van uitmaak, is er geen reïncarnatie. Ik besef dat het principieel onmogelijk is om daar iets zinnigs over te zeggen, maar voor mij lijkt het logisch dat ik de eerste zal zijn om te vergeten dat ik ooit geleefd heb. Ik weet dat anderen het daar wellicht heel moeilijk mee hebben. En ik heb er ook geen enkele moeite mee als anderen daar anders over denken. Maar wat ik wel belangrijk vind, is de causaliteit van mijn gedrag van ogenblik tot ogenblik en mijn verantwoordelijkheid daarvoor.
Wat ik ook terugvind in de boeddhistische tradities is het besef dat ik lijden ga veroorzaken als ik al te krampachtig streef naar onmiddellijke behoeftebevrediging. Het heet de drie vergiften, begeerte, afkeer en verwarring. De verwarring hier is de illusie dat onmiddellijke behoeftebevrediging mij gelukkig zal maken. Die illusie is in ons leven al ontelbare keren tegengesproken, en toch blijft ze op de loer liggen.
Tenslotte, wat ik terugvind in alle tradities is het besef dat we elkaar daarin kunnen helpen. Dat heet sangha. De conventionele werkelijkheid is tenslotte een gedeelde werkelijkheid. We doen dit per definitie niet alleen. Daar kan een grote steun van uitgaan.


Geef een reactie